RB
Gepubliceerd op dinsdag 7 juli 2026
RB 4043
Rechtspraak (NL/EU) ||
7 jul 2026,
Rechtspraak (NL/EU) 7 jul 2026,, RB 4043; ECLI:EU:C:2026:399 (D.V. tegen Kigas MB), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-consument-moet-worden-gewezen-op-mogelijke-douanekosten-niet-op-exacte-bedragen

HvJ EU: consument moet worden gewezen op mogelijke douanekosten, niet op exacte bedragen

HvJ EU 13 mei 2026, RB 4043; ECLI:EU:C:2026:399 (D.V. tegen Kigas MB). In deze zaak tussen D.V. en Kigas staat de vraag centraal welke precontractuele informatieverplichtingen op grond van artikel 5 lid 1 onder a en c van Richtlijn 2011/83/EU rusten op een vervoerder die aan een consument een internationale goederenvervoersdienst verleent. Het Hof van Justitie beoordeelt in hoeverre een vervoerder de consument vooraf moet informeren over douaneformaliteiten en mogelijke douanerechten wanneer goederen vanuit een derde land naar de Europese Unie worden vervoerd. Daarbij staat de verhouding tussen de consumenteninformatieplichten uit de Consumentenrechtrichtlijn en de verplichtingen van afzender en vervoerder onder het CMR-Verdrag centraal; het Hof past beide regelingen naast elkaar toe, waarbij de CMR vooral de interne allocatie van verantwoordelijkheden tussen afzender en vervoerder regelt, terwijl de richtlijn ziet op de bescherming van de consument. D.V. sloot telefonisch met vervoerder Kigas een overeenkomst voor het vervoer van onder meer motorfietsen, een quad, wasmachines en wasdrogers van Noorwegen naar Litouwen tegen een prijs van € 450. Bij de overdracht van de goederen verklaarde D.V. dat geen douaneaangifte nodig was omdat de goederen voor persoonlijk gebruik bestemd waren. Tijdens een grenscontrole in Zweden stelden de douaneautoriteiten echter vast dat de goederen bij binnenkomst in de Europese Unie moesten worden aangegeven. Kigas betaalde daarop de verschuldigde douanerechten van ongeveer € 3.890 en bracht deze vervolgens, naast de overeengekomen vervoersprijs, bij D.V. in rekening. Omdat D.V. weigerde deze kosten te betalen, hield Kigas één motorfiets achter totdat betaling zou plaatsvinden. De Litouwse rechter stelde prejudiciële vragen over de omvang van de informatieplicht van de vervoerder onder Richtlijn 2011/83. Het Hof stelt voorop dat de vervoersovereenkomst zowel onder het toepassingsgebied van de Consumentenrechtrichtlijn als van het CMR-Verdrag valt. De richtlijn beoogt een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen door consumenten vóór het sluiten van een overeenkomst voldoende informatie te geven om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. De omvang van die informatieplicht moet worden beoordeeld aan de hand van de aard van de aangeboden dienst. Ten aanzien van artikel 5 lid 1 onder a van Richtlijn 2011/83 oordeelt het Hof dat de mogelijkheid dat voor de invoer van goederen douaneformaliteiten moeten worden vervuld een belangrijk kenmerk vormt van een internationale vervoersdienst.

Dergelijke formaliteiten kunnen immers leiden tot vertraging van de levering of zelfs verhinderen dat de goederen worden afgeleverd, terwijl ook aanvullende kosten kunnen ontstaan. Een vervoerder moet de consument daarom vóór het sluiten van de overeenkomst informeren dat voor de invoer mogelijk douaneformaliteiten moeten worden vervuld en dat daarmee verplichtingen voor de consument kunnen samenhangen. Die informatieplicht gaat volgens het Hof echter niet zo ver dat de vervoerder de consument ook een volledig overzicht moet geven van de concrete douanedocumenten die moeten worden overgelegd of van de toepasselijke douanetarieven en de hoogte van de verschuldigde rechten. Daarbij weegt het Hof mee dat het CMR-Verdrag juist bepaalt dat de afzender verantwoordelijk is voor het verstrekken van de benodigde documenten en informatie aan de vervoerder, terwijl de vervoerder niet gehouden is de juistheid of volledigheid daarvan te controleren. Wanneer de vervoerder uitsluitend het vervoer verzorgt en geen afzonderlijke douane-expeditiediensten verricht, zou een dergelijke uitgebreide informatieplicht bovendien onevenredig zijn. Met betrekking tot artikel 5 lid 1 onder c van Richtlijn 2011/83 over de prijsinformatie overweegt het Hof dat douanerechten moeten worden beschouwd als bijkomende kosten die bovenop de prijs van de vervoersdienst kunnen komen. Omdat de hoogte van deze rechten afhankelijk is van factoren zoals de aard, waarde, oorsprong en tariefindeling van de vervoerde goederen, kan een vervoerder deze kosten vooraf vaak niet redelijkerwijs berekenen. In dat geval hoeft de vervoerder de consument niet de exacte hoogte van de douanerechten of de toepasselijke tarieven mee te delen. Wel moet de consument vóór het sluiten van de overeenkomst duidelijk worden geïnformeerd dat dergelijke aanvullende kosten verschuldigd kunnen zijn. Het Hof beantwoordt de prejudiciële vragen daarom dat een vervoerder bij internationaal goederenvervoer naar de Europese Unie de consument moet informeren dat invoer mogelijk douaneformaliteiten en douanerechten met zich brengt. De informatieplicht strekt echter niet zover dat de vervoerder ook gedetailleerde informatie moet verstrekken over de vereiste douanedocumenten of over de toepasselijke tarieven en concrete bedragen van de douanerechten.

59. Aangezien deze procedure voor de partijen in de hoofdprocedure een stap is in de procedure die aanhangig is bij de verwijzende rechter, is de beslissing over de kosten een zaak van die rechter. Kosten die zijn gemaakt voor het indienen van opmerkingen bij het Hof, anders dan de kosten van die partijen, zijn niet verhaalbaar. Op grond hiervan oordeelt het Hof (Vierde Kamer) hierbij:

Artikel 5(1)(a) en (c) van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEC van de Raad en Richtlijn 1999/44/EC van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEC van de Raad en Richtlijn 97/7/EC van het Europees Parlement en de Raad, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2019/2161 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019,

Dit moet aldus worden geïnterpreteerd dat, in een overeenkomst voor het internationale vervoer van goederen over de weg van een derde land naar een bestemming in een lidstaat van de Europese Unie, de verplichting voor de handelaar om informatie te verstrekken op grond van die bepaling inhoudt dat de verzender-consument wordt geïnformeerd dat de invoer van de goederen in het grondgebied van de Europese Unie mogelijk douaneformaliteiten met zich meebrengt en dat de consument mogelijk douanerechten moet betalen. De handelaar is echter niet verplicht om gedetailleerde informatie te verstrekken over de documenten die bij de douane moeten worden ingediend, noch om de tarieven en bedragen van de toepasselijke douanerechten aan te geven.