CvB: tijdelijke abonnementsprijs zonder einddatum is misleidend
CvB 1 juni 2026, RB 4033; 2026/00236 (Donald Duck abbonnement). In deze zaak staat de vraag centraal of een reclame-uiting voor een abonnement op Donald Duck voldoende duidelijk maakt dat het geadverteerde maandbedrag slechts tijdelijk geldt. De voorzitter van de Reclame Code Commissie oordeelt dat dit niet het geval is. Omdat niet direct uit de e-mail blijkt dat het maandtarief van € 7,95 slechts gedurende zes maanden geldt en daarna stijgt naar € 12,78 per maand, is sprake van een misleidende omissie in de zin van artikel 8.3 onder c NRC en daarmee van oneerlijke reclame als bedoeld in artikel 7 NRC. De klacht heeft betrekking op een aan klager gerichte e-mail van 12 maart 2026. In de uiting wordt Donald Duck aangeprezen met de tekst: "Nu voor maar 7,95 per maand". Verder wordt gesproken van een tijdelijke lentekorting van 60% en wordt benadrukt dat het abonnement altijd opzegbaar is. De e-mail vermeldt echter niet dat het genoemde maandbedrag slechts gedurende de eerste zes maanden geldt. Pas nadat klager het abonnement had afgesloten en de bevestigingsmail ontving, bleek dat daarna een bedrag van € 12,78 per maand verschuldigd is. Volgens klager is de reclame daarom misleidend. Hij stelt dat nergens duidelijk wordt gemaakt dat sprake is van een tijdelijk actietarief en dat hij het abonnement niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben afgesloten indien hij vooraf van de prijsstijging op de hoogte was geweest. De adverteerder voert aan dat de gemiddelde consument begrijpt dat een tijdelijke korting ook een tijdelijk tarief betekent. Bovendien zou tijdens het bestelproces expliciet worden vermeld dat het actietarief van € 7,95 gedurende de eerste zes maanden geldt en daarna een hoger bedrag verschuldigd is.
Misleidende omissie bij voorbeeldhotel in pakketreis: College bevestigt oordeel tegen ANWB
CvB 11 juni 2026, RB 4031; 2026/00107 (ANWB pakketreis Noorwegen). In deze zaak tussen ANWB en een consument staat de vraag centraal of ANWB voldoende duidelijk heeft gemaakt dat bij een pakketreis naar Noord-Noorwegen nog niet vaststaat in welk hotel de reiziger in Tromsø zal verblijven. Het College van Beroep bevestigt het eerdere oordeel van de Reclame Code Commissie dat daarvan geen sprake is. Volgens het College krijgt de gemiddelde consument tijdens het boekingsproces juist de indruk dat hij een verblijf in het specifiek genoemde hotel boekt, terwijl de reisorganisatie pas later bepaalt in welk hotel de reiziger daadwerkelijk wordt ondergebracht. Het College kwalificeert dit als het niet (voldoende tijdig en duidelijk) verstrekken van essentiële informatie in de zin van artikel 8.3 aanhef en onder c NRC, hetgeen leidt tot een misleidende omissie en daarmee een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 7 NRC. De zaak betreft de aanbieding van de pakketreis "Wintervakantie Tromsø, Noordkaap en Kirkenes" op de website van ANWB. Op de productpagina wordt vermeld dat reizigers tijdens de eerste dagen verblijven in het Clarion Hotel The Edge of in het Scandic Grand Tromsø Hotel. Daarnaast staat onder het tabblad "Verblijf" dat de getoonde accommodaties onder voorbehoud zijn en dat mogelijk een gelijkwaardig hotel wordt toegewezen. Ook worden zowel het Clarion Hotel The Edge als het Quality Hotel Grand Tromsø getoond. Wanneer de consument vervolgens een reisdatum kiest en het boekingsproces start, verandert de informatievoorziening echter. Op de eerste boekingspagina verschijnt uitsluitend het Clarion Hotel The Edge. Bij het dagprogramma voor "Dag 1 t/m 4 – Tromsø" wordt alleen dit hotel genoemd en getoond, inclusief een afbeelding van een hotelkamer. Ook in de prijsspecificatie aan de rechterzijde van de pagina staat expliciet "1x Clarion Hotel The Edge – Tweepersoonskamer" als onderdeel van het pakket. Nadat de consument zijn persoonsgegevens heeft ingevuld, wordt dit hotel opnieuw in de prijsspecificatie genoemd. De consument verbleef uiteindelijk niet in het Clarion Hotel The Edge, maar in het Quality Hotel Grand Tromsø. Volgens hem was de reclame-uiting daarom misleidend. Als vooraf duidelijk was geweest dat een ander hotel kon worden toegewezen, zou hij daar vóór het boeken navraag naar hebben gedaan. ANWB voerde aan dat bij rondreizen gebruikelijk is dat hotels onder voorbehoud van beschikbaarheid worden aangeboden en dat de gemiddelde consument bekend is met zogenoemde voorbeeldhotels. Daarnaast wees ANWB erop dat het voorbehoud op meerdere plaatsen wordt genoemd: op de productpagina, onder het kopje "Belangrijke informatie" tijdens het boekingsproces, in de aanvullende voorwaarden, op de boekingsbevestiging, de factuur en uiteindelijk in de reisbescheiden. Volgens ANWB gaat het bovendien om een gelijkwaardig viersterrenhotel, zodat de economische waarde van de reis niet verandert.
Artikel geschreven door Bente van Kan & Machteld Robichon & Lucas de Vet & Sophie Mostert, Bureau Brandeis.
Uitvoeringswet Verordening politieke reclame: hoe wordt het toezicht op de Verordening politieke reclame vormgegeven en krijgt het begrip politieke reclame invulling?
Bente van Kan & Machteld Robichon & Lucas de Vet & Sophie Mostert, 3 juni 2026.
Op 13 april jl. is het wetsvoorstel voor de Uitvoeringswet verordening transparantie en gerichte politieke reclame (“Uitvoeringswet”) aangeboden aan de Tweede Kamer. De Uitvoeringswet regelt de nationale uitvoering van de Verordening (EU) 2024/900 betreffende transparantie en gerichte politieke reclame (“VPR”), die sinds 10 oktober 2025 al van kracht is. In deze blog bespreken we wat de Uitvoeringswet toevoegt aan de reeds geldende verplichtingen uit de VPR en hoe het toezicht hierop is ingericht.
Artikel geschreven door Anthony Tang, ICTRecht.
Einde van de soft opt-in: telemarketing vanaf 1 juli 2026 alleen nog met toestemming
Wie kent ze niet: de telefoontjes van een energieleverancier, telecomprovider of verzekeraar waarbij je je afvraagt hoe ze ook alweer aan je nummer kwamen. Het antwoord was tot nu toe vaak: "u bent klant bij ons geweest." Op grond van een bestaande klantrelatie mogen bedrijven hun (oud-)klanten namelijk telefonisch benaderen voor soortgelijke producten of diensten, de zogeheten soft opt-in. Aan die praktijk komt per 1 juli 2026 een einde. Vanaf dat moment is voor telemarketing aan consumenten expliciete, aantoonbare toestemming vereist. In dit blog zetten we de wijziging van artikel 11.7 Telecommunicatiewet (Tw) op een rij en geven we praktische handvatten om je organisatie tijdig compliant te krijgen.
Artikel geschreven door Puck Koster, Clairfort.
De juridische aspecten van foodfluencing en contentcreatie
De juridische aspecten van foodfluencing en contentcreatie
Foodfluencers (influencers wiens content gericht is op voedsel) zijn populair. Dagelijks verschijnen er op platforms als Instagram en TikTok nieuwe recepten, zorgvuldig opgemaakte borden en korte kookvideo’s die duizenden of zelfs miljoenen kijkers bereiken. In deze blog nemen we je mee met de mogelijke juridische issues die gepaard gaan met het maken van dergelijke content.
Er zijn verschillende aspecten waarmee rekening gehouden dient te worden, die juridisch gezien elk hun eigen aandachtspunten kennen. Denk bijvoorbeeld aan de mogelijke bescherming van een recept, de (auteurs)rechten op video’s en foto’s, en de vraag wie welke rechten heeft wanneer er wordt samengewerkt met anderen. Ook zullen we kort ingaan op de regels rondom reclame en transparantie, zoals het duidelijk vermelden van samenwerkingen en betaalde promoties.
Morgen is het zover: WK & Recht in Amsterdam.
Na de winst van Oranje afgelopen zaterdag zijn er meer ogen gericht op het WK dan ooit tevoren. De spanning loopt op, de oranje merchandise ligt al in de schappen en merken staan klaar om mee te juichen.
Bij WK & Recht kijken we naar de juridische kant van al die Oranjekoorts. Van privacy in stadions en gezichtsherkenning tot wedstrijddata, sponsoring, licenties en WK-campagnes: het toernooi leeft ook buiten het veld.
Onder leiding van Sabin Tigu bespreken we dit met Eliëtte Vaal, Lars Boer, Tim Wilms, Dolf Segaar, Bram Bogaerts en Hans Schakel.
Dinsdag 23 juni 2026 | Buro de Pijp, Amsterdam
Meer informatie en aanmelden: https://www.delex.nl/shop/opleidingen/wk-recht-dinsdag-23-juni-2026
CBb: uitingen over rookvrije alternatieven vallen onder reclameverbod Tabaks- en rookwarenwet
CBb 9 juni 2026, RB 4028; ECLI:NL:CBB:2026:255 (Tabaksfabrikant tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staat). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft geoordeeld dat een advertentie, een webpagina, twitterberichten en een online bijeenkomst van een tabaksfabrikant over zogenoemde rookvrije alternatieven reclame vormen in de zin van de Tabaks- en rookwarenwet (Trw). De minister mocht hiervoor bestuurlijke boetes opleggen. In deze zaak staat de vraag centraal of de uitingen, die volgens de fabrikant bedoeld waren om informatie te verstrekken en deel te nemen aan het maatschappelijke debat over rookvrije alternatieven, moeten worden aangemerkt als reclame voor tabaksproducten of aanverwante producten. De minister stelde zich op het standpunt dat de uitingen de bekendheid met en de afzet van rookvrije alternatieven bevorderen en daarmee in strijd zijn met het reclameverbod van artikel 5 Trw. De rechtbank volgde dit standpunt grotendeels en liet de opgelegde boetes in stand. Het College sluit zich daarbij aan. Het stelt voorop dat de Trw een ruim reclamebegrip kent. Daaronder valt iedere mededeling of handeling in de economische sfeer die tot doel heeft of rechtstreeks dan wel zijdelings tot gevolg heeft dat de verkoop van tabaksproducten of aanverwante producten wordt bevorderd. Volgens het College maken de verschillende uitingen onderdeel uit van een bredere commerciële strategie van de fabrikant om rookvrije alternatieven onder de aandacht te brengen en het gebruik daarvan te stimuleren. Dat daarbij ook aandacht wordt besteed aan gezondheidswinst of schadebeperking, maakt de uitingen niet neutraal of uitsluitend informatief.
Ingezonden door Lex Keukens, TeekensKarstens advocaten notarissen.
Eén hervulde Benegas-statiegeldfles voldoende voor merkinbreukverbod
Rb. Noord-Holland 4 juni 2026, IEF 23624; RB 4026; ECLI:NL:RBNHO:2026:6393 (Benegas tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter verbiedt [gedaagde] om zonder toestemming statiegeldflessen van Benegas te vullen en draagt haar op haar website aan te passen, omdat één vastgestelde hervulling voldoende is voor een verbod wegens merkinbreuk. De website mocht daarnaast niet langer de indruk wekken dat [gedaagde] als depothouder namens Benegas gerechtigd was om Benegas-statiegeldflessen te vullen. Benegas exploiteert propaangas in statiegeldflessen die eigendom blijven van Benegas en alleen door het Benegas-vulcentrum in België mogen worden hervuld. [gedaagde] is al jarenlang contractspartij en afnemer van Benegas, onder meer op basis van een overeenkomst voor tankverhuur en gasverkoop, maar zij was niet bevoegd om statiegeldflessen van Benegas te vullen. In 2023 was [gedaagde] al aangesproken op merkinbreuk en had zij een onthoudingsverklaring ondertekend. Bij een steekproef in september 2025 is opnieuw vastgesteld dat een medewerker van [gedaagde] tegen betaling een Benegas-fles heeft gevuld. Benegas vordert onder meer een verbod, aanpassing of rectificatie van de website, opgave van gegevens, een boete en vergoeding van buitengerechtelijke kosten.
Uitspraak ingezonden door Paul Trapman, Ploum.
'Geïnspireerd door' bekende parfummerken en gebruik van producttags levert merkinbreuk op
Rb. Den Haag 11 juni 2026, IEF 23622; RB 4025; C/09/703674 (Coty tegen Petite Mort). In deze zaak tussen Coty en Perfumedia, handelend onder de naam Petite Mort, staat de vraag centraal of Petite Mort met de verkoop van zogenoemde imitatieparfums inbreuk maakt op de merkrechten van Coty en of haar vergelijkende reclame geoorloofd is. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag oordeelt voorshands dat Petite Mort op meerdere gronden inbreuk maakt op de Coty‑merken (art. 9 lid 2 onder a, b en c UMVo, in samenhang met de corresponderende bepalingen in het BVIE) en bovendien ongeoorloofde vergelijkende reclame maakt in de zin van artikel 6:194a BW. Coty maakt deel uit van de Coty Group, die wereldwijd schoonheidsproducten en parfums verhandelt van onder meer de merken Burberry, Chloé, Gucci en Hugo Boss. Binnen de groep is Coty verantwoordelijk voor de handhaving van de intellectuele eigendomsrechten. Zij beschikt over exclusieve licenties voor een groot aantal parfummerken, waaronder BURBERRY, BURBERRY BODY, BURBERRY BRIT, MY BURBERRY, BURBERRY GODDESS, CHLOE, GUCCI, GUCCI RUSH, GUCCI FLORA, GUCCI GUILTY, HUGO BOSS, BOSS BOTTLED en BOSS THE SCENT. Petite Mort verkoopt via haar website en sociale media parfums die volgens haar eigen zeggen zijn "geïnspireerd door" bekende designerparfums. Op de website worden onder meer uitingen gebruikt als "Het premium alternatief voor designerparfums, zonder het luxe prijskaartje", "Ruik naar je favoriet" en "Spray gerust. Zonder schuldgevoel". Bij individuele producten wordt verwezen naar de bekende merken, bijvoorbeeld met aanduidingen als "Sensual Rose – geïnspireerd door Chloe EDP". Daarnaast gebruikt Petite Mort merknamen als Hugo Boss, Chloé, Burberry en Gucci als producttags in de achtergrond van haar website, waardoor consumenten die naar deze merken zoeken uitkomen bij de producten van Petite Mort. Ook verspreidde Petite Mort een nieuwsbrief waarin werd gesteld dat de parfum in een designerfles gemiddeld slechts € 1,50 kost en dat consumenten vooral betalen voor marketingcampagnes, dure flesjes en grote Hollywoodsterren. De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk dat Petite Mort de merken gebruikt in de zin van artikel 9 lid 3 UMVo. De merknamen worden immers zowel zichtbaar gebruikt in advertenties als onzichtbaar verwerkt in producttags die de vindbaarheid van de producten beïnvloeden. Volgens de voorzieningenrechter is niet van belang dat deze tags niet zichtbaar zijn voor de internetgebruiker, omdat zij wel degelijk het economisch gedrag van consumenten beïnvloeden. De gehele opzet van de onderneming van Petite Mort is er volgens de rechtbank op gericht om consumenten die op zoek zijn naar een merkparfum van Coty uit te laten komen bij de parfums van Petite Mort. Vervolgens oordeelt de voorzieningenrechter dat sprake is van merkinbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 onder a UMVo. Petite Mort gebruikt tekens die gelijk zijn aan de merken voor dezelfde waren waarvoor de merken zijn ingeschreven, namelijk parfums. Zo wordt bijvoorbeeld het teken "Chloe EDP" gebruikt bij een parfum van Petite Mort, waarbij de toevoeging "EDP" volgens de voorzieningenrechter uitsluitend beschrijvend is en het teken daarom gelijk is aan het merk CHLOE.Daarnaast is naar voorlopig oordeel sprake van merkinbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 onder b UMVo wegens verwarringsgevaar. De rechtbank acht daarbij van belang dat Petite Mort haar parfums presenteert als geuren die zijn geïnspireerd op bekende merken, terwijl tegelijkertijd wordt benadrukt dat zij hetzelfde ruiken, maar goedkoper zijn omdat de consument niet betaalt voor "dure logo's".
Dexia volledig aansprakelijk wegens verboden advisering door tussenpersoon; geen aanspraak meer op afgewikkelde overeenkomst ex-echtgenote
Rb. Limburg 20 mei 2026, RB 4024; ECLI:NL:RBLIM:2026:5128 ([lessee 1] en Dexia). In deze effectenleasezaak vordert de afnemer schadevergoeding van Dexia naar aanleiding van twee Capital Effect-overeenkomsten uit 1998, waarvan één op naam van zijn inmiddels ex-echtgenote stond en één op zijn eigen naam. De kantonrechter sluit aan bij de vaste Dexia-jurisprudentie en stelt voorop dat sprake is van huurkoop en dat Dexia haar bijzondere zorgplichten heeft geschonden, in elk geval haar waarschuwingsplicht, zodat zij onrechtmatig heeft gehandeld. De andere door de afnemer aangevoerde grondslagen — dwaling, misleidende reclame, misbruik van omstandigheden en vernietigbaarheid op grond van de Wck — leiden niet tot toewijzing. De kantonrechter motiveert dat niet afzonderlijk, maar verwijst naar de vaste rechtspraak over effectenlease en overweegt dat geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld die een afwijking daarvan rechtvaardigen. De zaak wordt daarom niet beslist op de grond dat Dexia door reclame-uitingen een onjuiste of misleidende voorstelling van zaken heeft gegeven, maar op de schending van haar zorgplicht en vooral op het contracteren ondanks verboden advisering door een tussenpersoon.








