A-G HvJ EU: algemene meldplicht voor import van voedingssupplementen strijdig met Unierecht
HvJ EU 18 december 2025, RB 4044; LS&R 2409; ECLI:EU:C:2025:1004 (PRAGON s.r.o. tegen Státní zemědělská a potravinářská inspekce, Inspektorát v Praze). In deze zaak tussen PRAGON s.r.o. en de Tsjechische landbouw- en voedselinspectie staat de vraag centraal of een nationale regeling die importeurs van voedingssupplementen verplicht de bevoegde autoriteiten ten minste 24 uur vóór aankomst van de producten vanuit een andere lidstaat daarvan op de hoogte te stellen, verenigbaar is met Unierecht. De advocaat-generaal bespreekt met name de verhouding tussen het vrije verkeer van goederen en de volledig geharmoniseerde regels voor officiële controles op levensmiddelen in Verordening (EU) 2017/625. Volgens de conclusie verzet die verordening zich tegen een algemene en voortdurende meldplicht voor een gehele categorie levensmiddelen, zoals voedingssupplementen. PRAGON importeert voedingssupplementen uit andere lidstaten en verkoopt deze online en via fysieke winkels. Op grond van Tsjechische regelgeving moet iedere ontvangst van bepaalde levensmiddelen uit een andere lidstaat of uit een derde land uiterlijk 24 uur vóór aankomst worden gemeld aan de nationale voedselautoriteit. Daarbij moeten onder meer gegevens worden verstrekt over het soort product, de hoeveelheid, de herkomst, de ontvanger en het verwachte tijdstip van aankomst. PRAGON stelde dat deze verplichting ertoe leidt dat producten niet direct kunnen worden geleverd en daardoor een niet-tarifaire handelsbelemmering vormt. Bovendien geldt een dergelijke meldplicht niet voor vergelijkbare producten die zich reeds op Tsjechisch grondgebied bevinden, waardoor ingevoerde producten volgens PRAGON ongunstiger worden behandeld. De verwijzende Tsjechische rechter vraagt zich af of deze systematische meldplicht verenigbaar is met artikel 9 lid 7 van Verordening (EU) 2017/625. Daarbij wijst hij erop dat de regeling niet alleen extra administratieve lasten en kosten veroorzaakt, maar ook producenten en distributeurs kan ontmoedigen om voedingssupplementen op de Tsjechische markt aan te bieden. Daarnaast twijfelt de verwijzende rechter of een algemene meldplicht voor alle voedingssupplementen wel evenredig is, nu de risico's binnen deze productcategorie sterk uiteenlopen. De advocaat-generaal stelt allereerst vast dat de zaak moet worden beoordeeld aan de hand van Verordening (EU) 2017/625 en niet rechtstreeks aan de artikelen 34 en 36 VWEU. Volgens vaste rechtspraak worden nationale maatregelen immers uitsluitend getoetst aan de toepasselijke harmonisatieregels wanneer een terrein volledig door Unierecht is geharmoniseerd. De verordening vormt volgens de advocaat-generaal een volledig geharmoniseerd kader voor de organisatie van officiële controles op levensmiddelen. De nationale meldplicht moet daarom worden beoordeeld aan artikel 9 lid 7 van die verordening. Vervolgens bespreekt de advocaat-generaal de betekenis van artikel 9 lid 7. Uit de tekst, de systematiek en de doelstellingen van de verordening leidt hij af dat voorafgaande melding van goederen uit een andere lidstaat slechts bij uitzondering mag worden verlangd.
HvJ EU: consument moet worden gewezen op mogelijke douanekosten, niet op exacte bedragen
HvJ EU 13 mei 2026, RB 4043; ECLI:EU:C:2026:399 (D.V. tegen Kigas MB). In deze zaak tussen D.V. en Kigas staat de vraag centraal welke precontractuele informatieverplichtingen op grond van artikel 5 lid 1 onder a en c van Richtlijn 2011/83/EU rusten op een vervoerder die aan een consument een internationale goederenvervoersdienst verleent. Het Hof van Justitie beoordeelt in hoeverre een vervoerder de consument vooraf moet informeren over douaneformaliteiten en mogelijke douanerechten wanneer goederen vanuit een derde land naar de Europese Unie worden vervoerd. Daarbij staat de verhouding tussen de consumenteninformatieplichten uit de Consumentenrechtrichtlijn en de verplichtingen van afzender en vervoerder onder het CMR-Verdrag centraal; het Hof past beide regelingen naast elkaar toe, waarbij de CMR vooral de interne allocatie van verantwoordelijkheden tussen afzender en vervoerder regelt, terwijl de richtlijn ziet op de bescherming van de consument. D.V. sloot telefonisch met vervoerder Kigas een overeenkomst voor het vervoer van onder meer motorfietsen, een quad, wasmachines en wasdrogers van Noorwegen naar Litouwen tegen een prijs van € 450. Bij de overdracht van de goederen verklaarde D.V. dat geen douaneaangifte nodig was omdat de goederen voor persoonlijk gebruik bestemd waren. Tijdens een grenscontrole in Zweden stelden de douaneautoriteiten echter vast dat de goederen bij binnenkomst in de Europese Unie moesten worden aangegeven. Kigas betaalde daarop de verschuldigde douanerechten van ongeveer € 3.890 en bracht deze vervolgens, naast de overeengekomen vervoersprijs, bij D.V. in rekening. Omdat D.V. weigerde deze kosten te betalen, hield Kigas één motorfiets achter totdat betaling zou plaatsvinden. De Litouwse rechter stelde prejudiciële vragen over de omvang van de informatieplicht van de vervoerder onder Richtlijn 2011/83. Het Hof stelt voorop dat de vervoersovereenkomst zowel onder het toepassingsgebied van de Consumentenrechtrichtlijn als van het CMR-Verdrag valt. De richtlijn beoogt een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen door consumenten vóór het sluiten van een overeenkomst voldoende informatie te geven om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. De omvang van die informatieplicht moet worden beoordeeld aan de hand van de aard van de aangeboden dienst. Ten aanzien van artikel 5 lid 1 onder a van Richtlijn 2011/83 oordeelt het Hof dat de mogelijkheid dat voor de invoer van goederen douaneformaliteiten moeten worden vervuld een belangrijk kenmerk vormt van een internationale vervoersdienst.
RCC: Facebook-advertenties met prikpen zijn verboden publieksreclame
RCC 10 maart 2026, RB 4042; 2026/00002 (klacht tegen Wellis Health). In deze zaak tussen klager en Wellis Health staat de vraag centraal of Wellis Health met Facebook-advertenties voor een behandeling tegen overgewicht verboden publieksreclame maakt voor receptgeneesmiddelen. De Reclame Code Commissie oordeelt dat vier van de vijf reclame-uitingen in strijd zijn met artikel 85 van de Geneesmiddelenwet, de Code Publieksreclame voor Geneesmiddelen (CPG) en de Nederlandse Reclame Code. De overige klachten wijst de Commissie af. De bestreden advertenties bevatten onder meer de teksten "Gewichtsverlies op maat", "Wetenschappelijk onderbouwd gewichtsverlies" en "Gratis ondersteuning door artsen en voedingsdeskundigen". In vier advertenties is daarnaast een prikpen prominent afgebeeld. Volgens klager gaat het om publieksreclame voor receptgeneesmiddelen en wekken de advertenties ten onrechte de indruk dat sprake is van medisch toezicht. Wellis Health voert aan dat zij geen geneesmiddelen promoot, maar een breder medisch behandeltraject waarin medicatie slechts één onderdeel vormt. De Commissie oordeelt dat de vier advertenties met een prikpen wel degelijk reclame maken voor een receptgeneesmiddel. Hoewel de advertenties ook verwijzen naar begeleiding door artsen en voedingsdeskundigen, staat de prikpen telkens centraal in beeld en trekt deze de aandacht van de consument. In drie advertenties is bovendien te zien hoe de prikpen wordt gebruikt om medicatie toe te dienen.
RCC: misleidende reclame wekt ten onrechte indruk dat Becel vezelrijk is
RCC 23 april 2026, RB 4041; 2025/00645 (klacht tegen Becel Nederland). In deze zaak tussen klager en Becel Nederland staat de vraag centraal of een TikTok-video over Becel met Haver & Vezels misleidend is. Volgens klager wekt de reclame ten onrechte de indruk dat het product een wezenlijke bijdrage levert aan de vezelinname en een romige haversmaak heeft. De voorzitter van de Reclame Code Commissie oordeelt dat de reclame voor wat betreft de vezelclaim in strijd is met artikel 8 van de Claimsverordening en artikel 2 van de Nederlandse Reclame Code. De klacht over de smaakomschrijving wordt afgewezen. In de TikTok-video wordt Becel met Haver & Vezels gepresenteerd als een eenvoudige manier om meer vezels binnen te krijgen. Daarbij wordt onder meer gesproken over de 'fibermaxing trend', een 'boost van vezels' en de claim: "Zo voeg ik per boterham 10% extra vezels toe". Volgens Becel ziet die claim uitsluitend op de extra hoeveelheid vezels die wordt toegevoegd aan een snee volkorenbrood met een portie van het product. Klager vindt dat de reclame de bijdrage van het product aan de vezelinname overdreven voorstelt en betwist ook de omschrijving "heerlijke romige haversmaak". De voorzitter kijkt naar de totale indruk van de reclame.
Illegaal online kansspelaanbod onrechtmatig jegens TOTO
Rb. Den Haag 17 juni 2026, IT 5324; RB 4034; ECLI:NL:RBDHA:2026:16277 (TOTO tegen DECC c.s.). De rechtbank Den Haag oordeelt in een geschil tussen TOTO en meerdere gedaagden over het online aanbieden van kansspelen via Lala.bet. TOTO stelt dat zonder vergunning van de Kansspelautoriteit online kansspelen zijn aangeboden aan Nederlandse spelers, terwijl zij zelf als vergunninghoudende aanbieder actief is op de gereguleerde Nederlandse kansspelmarkt. De rechtbank acht de vorderingen tegen [gedaagde sub 4], SkyGrow en [gedaagde sub 6] op dit punt toewijsbaar. Zij worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die TOTO als gevolg van het illegale kansspelaanbod heeft geleden, nader op te maken bij staat. Ook worden zij veroordeeld tot het staken en gestaakt houden van het aanbieden of faciliteren van online kansspelen zonder Nederlandse vergunning, op straffe van een dwangsom. De schade wordt in deze procedure nog niet begroot, omdat de omvang daarvan en de precieze financiële gevolgen in een afzonderlijke schadestaatprocedure moeten worden vastgesteld.
RCC: aanduiding 'vegan' zonder uitleg over gebruik van speurhonden onvoldoende duidelijk
RCC 19 december 2025, RB 4040; 2025/00376 (Mister Kitchen’s truffle mayo). In deze zaak tussen klager, Mister Kitchen en Albert Heijn draait het om de vraag of de aanduidingen 'vegan', 'veganistisch' en 'vgn' misleidend zijn. De truffelmayonaise bevat echte truffel en bij het zoeken naar die truffels worden honden ingezet. De voorzitter van de Reclame Code Commissie beoordeelt of de gemiddelde consument, en in het bijzonder de gemiddelde veganistische consument, door de gebruikte aanduidingen een onjuiste indruk krijgt van de manier waarop het product tot stand komt. De voorzitter benadrukt dat zijn oordeel alleen ziet op de vier uitingen waartegen de klacht is gericht: de Instagrampost, de verpakking, de productpagina en het schaplabel. Hij gaat daarom niet in op het verzoek van klager om ook andere producten met truffel en een veganclaim te beoordelen. Volgens klager wekken de aanduidingen 'vegan', 'veganistisch' en 'vgn' ten onrechte de indruk dat bij de productie van het product op geen enkele manier dieren zijn gebruikt. Omdat honden worden ingezet om de truffels op te sporen, is daarvan volgens klager geen sprake. Mister Kitchen erkent dat honden worden gebruikt bij het zoeken naar truffels. Volgens haar bestaat internationaal echter geen overeenstemming over de vraag of truffels daardoor niet meer als vegan kunnen worden aangemerkt. Zij wijst onder meer op het ICEA-keurmerk, dat het gebruikte truffelproduct als vegan certificeert. Albert Heijn sluit zich daarbij aan. Ook andere internationaal erkende keurmerken stellen volgens haar niet als eis dat tijdens het productieproces geen dieren mogen worden ingezet voor arbeid. Daarnaast verwijst Albert Heijn naar het Voedingscentrum, dat volgens haar een beperktere uitleg van het begrip 'vegan' hanteert. De voorzitter stelt vast dat niet ter discussie staat dat de mayonaise echte truffel bevat en dat honden worden ingezet om die truffels te vinden. De kern van het geschil is daarom niet hoe het productieproces verloopt, maar welke betekenis de gemiddelde consument aan de aanduidingen 'vegan', 'veganistisch' en 'vgn' geeft. Meer specifiek gaat het om de vraag of de gemiddelde veganistische consument daaruit mag afleiden dat bij de productie van de ingrediënten helemaal geen dieren zijn betrokken, ook niet voor arbeid.
Verpakking van gevaarlijke stoffen mag niet lijken op voedselverpakking, ook niet bij een klein gezondheidsrisico
AG Szpunar 18 juni 2026, LS&R 2407; RB 4039; ECLI:EU:C:2026:508 (Orkla Care AB tegen Kemikalieinspektionen). In deze prejudiciële procedure tussen Orkla Care AB en de Zweedse Kemikalieinspektionen staat de uitleg centraal van artikel 35 lid 2 van de CLP-verordening. Aanleiding vormt een geschil over de verpakking van vloeibare wasmiddelen van Orkla Care, die volgens de Zweedse toezichthouder te veel lijkt op verpakkingen van voedingsmiddelen. De verwijzende rechter vraagt het Hof van Justitie onder meer welke beoordelingscriteria gelden bij de beoordeling of een verpakking consumenten kan misleiden, welk referentiekader daarbij moet worden gehanteerd en of rekening moet worden gehouden met de ernst van het gezondheidsrisico van de stof. Advocaat-generaal Szpunar concludeert dat de CLP-verordening een ruime bescherming van de volksgezondheid beoogt en dat verpakkingen van gevaarlijke stoffen geen gelijkenis mogen vertonen met voedselverpakkingen waardoor consumenten deze met elkaar kunnen verwarren. Orkla Care brengt vloeibare wasmiddelen op de markt in langwerpige kartonnen verpakkingen met een vierkante bodem, een gevouwen bovenzijde en een schroefdop. Nadat consumenten hadden gemeld dat deze verpakkingen deden denken aan drank- en zuivelverpakkingen, onderzocht de Zweedse toezichthouder of de verpakking voldeed aan artikel 35 lid 2 CLP. Daarbij werd niet alleen gewezen op de vorm van de verpakking, maar ook op de kleurstelling en een label waarop stond vermeld dat het product "vegan" is. Volgens de toezichthouder konden consumenten de verpakking daardoor aanzien voor een levensmiddel. Orkla Care werd daarom verboden de producten nog langer in deze verpakking op de markt te brengen. De nationale rechter stelde vervolgens meerdere prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. De advocaat-generaal stelt voorop dat de beoordeling of een verpakking lijkt op die van een levensmiddel steeds per geval moet plaatsvinden, maar wel aan de hand van uniforme Unierechtelijke criteria. Daarbij moeten alle waarneembare kenmerken van de verpakking worden betrokken, waaronder de vorm, afmetingen, inhoud, gebruikte materialen, ontwerp, etikettering, kleur en zelfs geur. De beoordeling mag zich dus niet beperken tot één afzonderlijk element van de verpakking, maar moet uitgaan van de totaalindruk die deze wekt.
HvJ EU: misleidende voedselinformatie kan ook onder Richtlijn oneerlijke handelspraktijken vallen
HvJ EU 30 april 2026, RB 4038; LS&R 2406; ECLI:EU:C:2026:357 (Lidl tegen AGCM). In deze zaak tussen Lidl Italia en de Italiaanse mededingings- en consumentenautoriteit (AGCM) staat de vraag centraal of een handelaar voor een misleidende voedselinformatiepraktijk zowel kan worden aangesproken op grond van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken (Richtlijn 2005/29/EG) als op grond van Verordening (EU) nr. 1169/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten. Het Hof oordeelt dat beide regelingen naast elkaar kunnen worden toegepast, omdat zij elkaar aanvullen en niet met elkaar in conflict zijn. Aanleiding voor het geschil vormt een bestuurlijke boete van € 1 miljoen die de AGCM aan Lidl Italia heeft opgelegd wegens de verkoop van verschillende pastaproducten. Op de verpakking werd de Italiaanse herkomst van de pasta benadrukt en vermeld dat de tarwe in Italië was gemalen, terwijl de gebruikte durumtarwe afkomstig was uit een mengsel van tarwe uit de EU en van buiten de EU. Volgens de AGCM kon de verpakking bij consumenten de indruk wekken dat ook de grondstof volledig van Italiaanse oorsprong was. Omdat de buitenlandse herkomst van de gebruikte tarwe niet op een vergelijkbare wijze onder de aandacht werd gebracht, achtte de AGCM de verstrekte informatie onvolledig en misleidend ten aanzien van een wezenlijk kenmerk van het product, namelijk de herkomst van de grondstof. Bij de vaststelling van de boete woog de AGCM mee dat miljoenen verpakkingen waren verkocht en dat de praktijk meerdere jaren had voortgeduurd. Lidl betoogt dat uitsluitend Verordening (EU) nr. 1169/2011 van toepassing is op voedselinformatie en dat daarom geen sanctie mocht worden opgelegd op grond van de nationale regels waarmee de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken is omgezet. De verwijzende rechter vraagt het Hof daarom of artikel 3, lid 4, van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken eraan in de weg staat dat dezelfde gedraging onder beide regelingen wordt gesanctioneerd. Het Hof stelt voorop dat de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken een algemene regeling bevat voor oneerlijke handelspraktijken die rechtstreeks verband houden met de verkoop en promotie van producten aan consumenten. Misleidende handelspraktijken omvatten onder meer situaties waarin de gemiddelde consument door de presentatie van informatie wordt misleid over essentiële kenmerken van een product, zoals de samenstelling of geografische herkomst, en daardoor een aankoopbeslissing neemt die hij anders niet zou hebben genomen.
HvJ EU: variabele verwerkingskosten hoeven niet in verkoopprijs te worden opgenomen
HvJEU 26 maart 2026, RB 4037; ECLI:EU:C:2026:256 (Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände tegen JV). In deze zaak tussen het Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände (BV) en exploitant van een webwinkel JZ staat de vraag centraal of forfaitaire verwerkingskosten die alleen verschuldigd zijn wanneer de totale waarde van een bestelling onder een minimumbedrag blijft, moeten worden opgenomen in de verkoopprijs van een product in de zin van de Prijsaanduidingsrichtlijn (Richtlijn 98/6/EG). Het Hof oordeelt dat dit niet het geval is, mits deze kosten duidelijk afzonderlijk worden vermeld en de drempel niet zodanig is vastgesteld dat betaling van de kosten in de praktijk onvermijdelijk is. Het Hof legt artikel 2, onder a), van Richtlijn 98/6/EG uit in het licht van zijn eerdere rechtspraak over onvermijdbare en voorzienbare prijsbestanddelen. Daarbij sluit het aan bij de lijn dat alle prijsbestanddelen die noodzakelijkerwijs en voorzienbaar ten laste van de consument komen, in de verkoopprijs moeten zijn opgenomen. JZ bood via zijn webwinkel stofzuigerzakken aan voor € 14,90. Op de productpagina werd vermeld dat de prijs exclusief bijkomende kosten was. Via een afzonderlijke pagina werd toegelicht dat bij bestellingen met een waarde onder € 29 forfaitaire verwerkingskosten van € 3,95 of € 9 in rekening konden worden gebracht, afhankelijk van de totale bestelwaarde. Pas nadat een product aan het winkelmandje was toegevoegd, werden deze kosten zichtbaar indien zij verschuldigd waren. De Duitse consumentenorganisatie BV stelde dat deze werkwijze misleidend was en voerde aan dat de verwerkingskosten onderdeel uitmaken van de verkoopprijs die op grond van Richtlijn 98/6 aan consumenten moet worden getoond. Nadat de rechter in eerste aanleg de vordering had toegewezen en het hof in hoger beroep deze had afgewezen, legde het Bundesgerichtshof een prejudiciële vraag voor aan het Hof van Justitie. Het Hof stelt voorop dat de verkoopprijs in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 98/6 de uiteindelijke prijs is die alle onvermijdbare en voorzienbare prijsbestanddelen omvat die verplicht voor rekening van de consument komen. Dat volgt uit de rechtspraak waarin is geoordeeld dat consumenten direct moeten kunnen beschikken over duidelijke en volledige prijsinformatie om producten eenvoudig te kunnen vergelijken en een weloverwogen aankoopbeslissing te nemen. Volgens het Hof voldoen de in deze zaak aan de orde zijnde verwerkingskosten niet aan dat criterium.
HvJ EU zet streep door Hongaarse prijs- en voorraadverplichtingen voor grote supermarkten
HvJ EU 18 juni 2026, RB 4036; ECLI:EU:C:2026:495 (Penny Market Kft. tegen Komárom-Esztergom Vármegyei Kormányhivatal). In deze zaak tussen Penny Market Kft. [verzoekster] en de Komárom-Esztergom Vármegyei Kormányhivatal [verweerder] staat de vraag centraal of een Hongaarse noodmaatregel die grote supermarkten verplicht om bepaalde levensmiddelen met korting aan te bieden en daarvan minimale voorraden aan te houden, verenigbaar is met het Unierecht. Het Hof van Justitie oordeelt dat zowel de Gemeenschappelijke Marktordening voor landbouwproducten als de Dienstenrichtlijn zich tegen een dergelijke regeling verzetten. Aanleiding voor het geschil vormt een Hongaarse regeling die in 2023 werd ingevoerd naar aanleiding van de hoge voedselinflatie als gevolg van de oorlog in Oekraïne. Op grond van deze regeling moesten levensmiddelen-detailhandelaren met een jaaromzet van meer dan ongeveer € 2,5 miljoen gedurende een bepaalde periode voor iedere aangewezen productcategorie ten minste één product aanbieden tegen een prijs die minimaal 15% lager lag dan de laagste prijs van de voorafgaande dertig dagen. Daarnaast moesten zij gedurende de actieperiode steeds beschikken over een minimale hoeveelheid van deze producten, gebaseerd op de gemiddelde dagelijkse verkoop in 2022. Bij overtreding konden bestuurlijke boetes worden opgelegd. Tijdens een controle stelde de Hongaarse autoriteit vast dat in een winkel van Penny Market geen appels en geen mineraalwater of frisdranken in de winkelruimte beschikbaar waren. Hoewel deze producten wel op voorraad waren, waren zij op het moment van de controle niet te koop aangeboden. De autoriteit legde daarop een boete van vier miljoen Hongaarse forint op wegens overtreding van de voorraadverplichting. Penny Market vocht deze sanctie aan en stelde onder meer dat de verkoop over de gehele dag had moeten worden beoordeeld en dat voor frisdranken voldoende vervangende producten beschikbaar waren. De verwijzende rechter vroeg het Hof van Justitie vervolgens of de Hongaarse regeling verenigbaar is met het Unierecht. Het Hof bespreekt eerst de verhouding tot de Gemeenschappelijke Marktordening voor landbouwproducten. Daarbij sluit het expliciet aan bij de eerdere rechtspraak in de zaak SPAR Magyarország over vergelijkbare Hongaarse prijsmaatregelen.









