Influencer en Lifeplus schenden regels voor herkenbare influencerreclame
RCC 30 juni 2026, RB 4063; 2026/00271 (Klager tegen [influencer] en Lifeplus). Een influencer plaatst op Instagram een video waarin haar kinderen haar benen insmeren met een lotion van Lifeplus. In de begeleidende tekst prijst zij het product aan, noemt zij een actie van “6+1 gratis” met gratis verzending en vraagt zij volgers om haar voor informatie een privébericht te sturen. In de video en de tekst wordt niet vermeld dat sprake is van reclame of dat de influencer een commerciële relatie met Lifeplus heeft. De influencer voert aan dat de video vooral een persoonlijk en huiselijk moment toont en dat zij voor de plaatsing geen betaling, sponsoring of opdracht van Lifeplus heeft ontvangen. Ter zitting verklaart zij echter dat zij als zelfstandig wederverkoper reclame maakt voor Lifeplus en per verkocht product een commissie ontvangt. Volgens de Commissie heeft de uiting daardoor een aanprijzend karakter en bestaat tussen de influencer en Lifeplus een relevante relatie als bedoeld in artikel 2 RSM, die de geloofwaardigheid van de uiting kan beïnvloeden.
Basic-Fit-reclame misleidend door ontbreken inschrijfkosten
RCC 6 juni 2026, RB 4062; 2026/00261 (Klager tegen Basic-Fit). Basic-Fit adverteert op haar website met de mededeling “Sport nu 2 weken gratis”, gevolgd door de toelichting dat de aanbieding geldt bij een nieuw jaarabonnement met een duur van “2 + 52 weken”. Een consument klaagt dat de gratis weken in werkelijkheid aan het einde van het abonnement worden toegevoegd en dat hij bij inschrijving inschrijfgeld en later abonnementskosten moest betalen. De voorzitter oordeelt dat de mededeling over de twee gratis weken op zichzelf niet misleidend is. Uit de direct zichtbare toelichting begrijpt de gemiddelde consument dat hij in totaal 54 weken kan sporten en slechts voor 52 weken abonnementskosten betaalt. De uiting vermeldt niet dat specifiek de eerste twee weken gratis zijn. Bovendien blijkt uit de stellingen van partijen dat pas na twee weken abonnementskosten in rekening worden gebracht. Dat de gratis weken bij de klager aan het einde van de looptijd zijn toegevoegd, maakt het aanbod daarom niet onjuist.
Geen hostingvrijstelling bij inhoudelijke beoordeling van YouTube-partnerkanaal met gokreclame
HvJ EU 16 juli 2026, RB 4060; IT 5365; ECLI:EU:C:2026:592 (AGCOM tegen Google Ireland). De Italiaanse toezichthouder AGCOM legt Google een bestuurlijke boete van € 750.000 op wegens video’s op vijf YouTube-kanalen waarin gokwebsites werden gepromoot. Ook beveelt AGCOM Google om 630 video’s en soortgelijke content te verwijderen. De betrokken contentmaker nam deel aan het YouTube Partner Programme, waarbij Google en de maker reclame-inkomsten delen. Het Hof maakt bij de beoordeling van de Richtlijn elektronische handel onderscheid tussen het online maken van reclame voor gokactiviteiten en het hosten van video’s waarin dergelijke reclame voorkomt. De activiteit die bestaat in het online maken van gokreclame is intrinsiek met gokactiviteiten verbonden en valt buiten het toepassingsgebied van de richtlijn. Het online hosten van video’s met gokreclame valt daarentegen wel binnen dat toepassingsgebied, omdat hosting als zodanig niet intrinsiek met gokken is verbonden en in beginsel niet verschilt naargelang de aard van de opgeslagen content.
Pop-up onvoldoende voor B2B-uitzondering op reclameverbod voor e-sigaretten en e-liquids
CBb 26 mei 2026, RB 4059; ECLI:NL:CBB:2026:220 (de minister tegen UEG). UEG Holland, een groothandel in elektronische rookproducten, toont op de homepage van haar website afbeeldingen met merknamen van e-liquids en elektronische sigaretten. Bezoekers krijgen eerst een pop-up te zien waarin zij moeten bevestigen dat zij werkzaam zijn in de handel in tabaksproducten of aanverwante producten en ten minste achttien jaar oud zijn. Na het aanklikken van deze verklaring kan iedereen de homepage en de afbeeldingen bekijken; pas wanneer een bezoeker een account wil aanmaken om producten te bestellen, wordt gecontroleerd of deze daadwerkelijk handelaar is. De minister merkt de afbeeldingen aan als reclame en legt UEG wegens overtreding van artikel 5 lid 1 Tabaks- en rookwarenwet een boete van € 13.500 op. De rechtbank oordeelt dat de uitingen wel reclame zijn, maar onder de B2B-uitzondering van artikel 5 lid 6, onder a, onder 1°, Trw vallen. In hoger beroep erkent UEG dat de afbeeldingen commerciële mededelingen zijn die onder het reclameverbod vallen, waardoor de grondslag aan haar incidentele hoger beroep ontvalt.
Intrum moet verstrekking ESIC-formulier nader onderbouwen
Hof Amsterdam 26 mei 2026, RB 4058; ECLI:NL:GHAMS:2026:1461 (Intrum tegen [geïntimeerde]). Een kredietgever sluit online met een consument een kredietovereenkomst voor € 50.000, met een looptijd van 120 maanden en een debetrente van 8,7% per jaar. Nadat de consument zijn betalingsverplichtingen niet nakomt, wordt de vordering aan Intrum gecedeerd. Intrum vordert vervolgens € 43.820,95, vermeerderd met rente en kosten. De kantonrechter wijst die vordering af omdat niet is aangetoond dat aan de precontractuele verplichtingen is voldaan en dat de kredietwaardigheid van de consument vóór het sluiten van de overeenkomst is beoordeeld. In hoger beroep legt Intrum onder meer bankafschriften, salarisgegevens, Kadasterinformatie, een inkomensberekening en een gepersonaliseerde kredietwaardigheidstoets over. Het hof acht daarmee voldoende aangetoond dat de oorspronkelijke kredietgever voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst een kredietwaardigheidstoets als bedoeld in artikel 4:34 lid 1 Wft heeft uitgevoerd. Uit de algemene voorwaarden blijkt volgens het hof bovendien voldoende dat de consument is geïnformeerd over zijn recht om de op afstand gesloten kredietovereenkomst binnen veertien dagen te ontbinden.
Betalingsverplichtingen Greenwheels verminderd wegens schending informatieplichten
Rb. Noord-Holland 3 juni 2026, RB 4057; ECLI:NL:RBNHO:2026:7057 (greenwheels tegen [gedaagde]). In dit verstekgeding vordert Greenwheels betaling van bedragen die voortvloeien uit een abonnementsovereenkomst en een of meer reserveringsovereenkomsten. De kantonrechter toetst ambtshalve of Greenwheels heeft voldaan aan de informatieplichten voor overeenkomsten op afstand. De reservering komt tot stand door op de knop “Reserveer deze auto” te klikken. Omdat de consument bij niet- of niet-tijdige annulering aan de reservering is gebonden en daarvoor moet betalen, is deze knop een bestelknop als bedoeld in artikel 6:230v lid 3 BW. De tekst op de knop maakt echter niet ondubbelzinnig duidelijk dat het aanklikken daarvan een betalingsverplichting meebrengt. Bij die beoordeling is alleen de tekst op de knop of vergelijkbare functie relevant; de overige inrichting van het bestelproces kan dit gebrek niet herstellen. Voor de reserveringsovereenkomst is wel aan de overige precontractuele informatieplichten voldaan. Greenwheels toont echter niet aan dat zij de consument na het sluiten van de overeenkomst een concrete bestelbevestiging op een duurzame gegevensdrager heeft verstrekt, zodat ook artikel 6:230v lid 7, onder a, BW is geschonden.
Dynamisch streamingaanbod kwalificeert als digitale dienst
HvJ EU 9 juli 2026, RB 4061; IT 5366; ECLI:EU:C:2026:556 (Sky Österreich tegen Verein für Konsumenteninformation). Sky Österreich biedt streamingabonnementen aan waarmee consumenten via een hyperlink of applicatie televisieprogramma’s live, op aanvraag en in bepaalde gevallen na download offline kunnen bekijken. Bij het online afsluiten van een abonnement moeten consumenten ermee instemmen dat Sky al tijdens de herroepingstermijn met de uitvoering begint en erkennen dat zij daardoor hun herroepingsrecht verliezen. De Oostenrijkse consumentenorganisatie VKI bestrijdt dit beding. Volgens VKI is het streamingabonnement geen levering van digitale inhoud, maar een digitale dienst. De uitzondering op het herroepingsrecht voor niet op een materiële drager geleverde digitale inhoud uit artikel 16, eerste alinea, onder m), van Richtlijn 2011/83 zou daarom niet van toepassing zijn.
Kredietovereenkomst ambtshalve vernietigd wegens niet-aangetoonde kredietwaardigheidstoets
Rb. Rotterdam 26 juni 2026, IEF 4056; ECLI:NL:RBROT:2026:7650 (Rabo Direct tegen [gedaagde]). Rabo Direct Financiering sluit met een consument een kredietovereenkomst voor € 50.000. Nadat meerdere termijnbedragen onbetaald blijven, beëindigt Rabo Direct de overeenkomst en vordert zij in deze procedure € 25.000 van het openstaande kredietbedrag. De kantonrechter toetst ambtshalve of Rabo Direct haar precontractuele informatieverplichtingen uit artikel 7:60 BW is nagekomen en vóór het sluiten van de overeenkomst de kredietwaardigheid van de consument heeft beoordeeld overeenkomstig artikel 4:34 Wft. De consument is voldoende geïnformeerd, maar Rabo Direct maakt niet aannemelijk dat zij een kredietwaardigheidstoets heeft uitgevoerd. Zij stelt wel dat een BKR-toets en een leencapaciteitsberekening zijn verricht, maar kan daarvan geen stukken overleggen. De verstrekte bankafschriften en salarisgegevens zijn daarvoor onvoldoende.
IQOS-proefmaand kwalificeert niet als reclame onder de Tabaks- en rookwarenwet
CBb 9 juni 2026, RB 4055; ECLI:NL:CBB:2026:254 ([naam 1] tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport). Op de website van de tabaksfabrikant wordt een IQOS-apparaat gedurende dertig dagen voor € 9 op proef aangeboden. Na deze proefmaand kan de consument het apparaat retourneren of voor € 49 aanschaffen. De voor het gebruik benodigde tabaksticks zijn niet inbegrepen en moeten afzonderlijk worden gekocht. De minister stelt dat de proefmaand indirect de verkoop van de tabaksticks bevordert, omdat het apparaat uitsluitend daarmee kan worden gebruikt, en legt in twee afzonderlijke zaken een boete van € 450.000 op wegens overtreding van het reclameverbod van artikel 5 lid 1 Tabaks- en rookwarenwet. De rechtbank acht het reclameverbod eveneens overtreden, maar grijpt wel in de hoogte van de boetes in.
ACM-boete Volkswagen herroepen wegens schending ne-bis-in-idembeginsel
CBb 2 juni 2026, RB 4045; ECLI:NL:CBB:2026:227 (Volkswagen tegen ACM). De ACM legt Volkswagen op grond van de Wet handhaving consumentenbescherming een bestuurlijke boete van € 450.000 op wegens drie gestelde oneerlijke handelspraktijken rond dieselauto’s met de verboden EA 189-manipulatiesoftware. Volgens de ACM handelt Volkswagen in strijd met de vereisten van professionele toewijding door de verboden software te installeren, te gebruiken en te verzwijgen. Daarnaast zou zij consumenten hebben misleid met milieuclaims, zoals “schoner rijden” en “meest milieuvriendelijke en ecologisch verantwoorde dieselversie”, en ten onrechte de indruk hebben gewekt dat de auto’s aan de voorwaarden voor de Europese typegoedkeuring voldeden. De rechtbank Rotterdam laat de boete in stand. Volkswagen stelt in hoger beroep dat zij voor hetzelfde feitencomplex al onherroepelijk is bestraft door het Duitse openbaar ministerie, dat haar een boete van € 1 miljard oplegde: € 5 miljoen als sanctie en € 995 miljoen ter ontneming van het verkregen economische voordeel.









