RB
RB 4027
22 juni 2026
Artikel

De juridische aspecten van foodfluencing en contentcreatie

 
RB 4029
22 juni 2026
Artikel

Morgen is het zover: WK & Recht in Amsterdam.

 
RB 4028
22 juni 2026
Uitspraak

CBb: uitingen over rookvrije alternatieven vallen onder reclameverbod Tabaks- en rookwarenwet

 
RB 4027

Artikel geschreven door Puck Koster, Clairfort

De juridische aspecten van foodfluencing en contentcreatie

Puck Koster, 1 juni 2026

De juridische aspecten van foodfluencing en contentcreatie

Foodfluencers (influencers wiens content gericht is op voedsel) zijn populair. Dagelijks verschijnen er op platforms als Instagram en TikTok nieuwe recepten, zorgvuldig opgemaakte borden en korte kookvideo’s die duizenden of zelfs miljoenen kijkers bereiken. In deze blog nemen we je mee met de mogelijke juridische issues die gepaard gaan met het maken van dergelijke content.

Er zijn verschillende aspecten waarmee rekening gehouden dient te worden, die juridisch gezien elk hun eigen aandachtspunten kennen. Denk bijvoorbeeld aan de mogelijke bescherming van een recept, de (auteurs)rechten op video’s en foto’s, en de vraag wie welke rechten heeft wanneer er wordt samengewerkt met anderen. Ook zullen we kort ingaan op de regels rondom reclame en transparantie, zoals het duidelijk vermelden van samenwerkingen en betaalde promoties.

RB 4029

Morgen is het zover: WK & Recht in Amsterdam.

Na de winst van Oranje afgelopen zaterdag zijn er meer ogen gericht op het WK dan ooit tevoren. De spanning loopt op, de oranje merchandise ligt al in de schappen en merken staan klaar om mee te juichen.

Bij WK & Recht kijken we naar de juridische kant van al die Oranjekoorts. Van privacy in stadions en gezichtsherkenning tot wedstrijddata, sponsoring, licenties en WK-campagnes: het toernooi leeft ook buiten het veld.

Onder leiding van Sabin Tigu bespreken we dit met Eliëtte Vaal, Lars Boer, Tim Wilms, Dolf Segaar, Bram Bogaerts en Hans Schakel.

Dinsdag 23 juni 2026 | Buro de Pijp, Amsterdam
Meer informatie en aanmelden: https://www.delex.nl/shop/opleidingen/wk-recht-dinsdag-23-juni-2026

RB 4028

CBb: uitingen over rookvrije alternatieven vallen onder reclameverbod Tabaks- en rookwarenwet

toezichthouder 9 jun 2026, RB 4028; ECLI:NL:CBB:2026:255 ((Tabaksfabrikant tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staat)), https://reclameboek.nl/artikelen/cbb-uitingen-over-rookvrije-alternatieven-vallen-onder-reclameverbod-tabaks-en-rookwarenwet

CBb 9 juni 2026, RB 4028; ECLI:NL:CBB:2026:255 (Tabaksfabrikant tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staat). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft geoordeeld dat een advertentie, een webpagina, twitterberichten en een online bijeenkomst van een tabaksfabrikant over zogenoemde rookvrije alternatieven reclame vormen in de zin van de Tabaks- en rookwarenwet (Trw). De minister mocht hiervoor bestuurlijke boetes opleggen. In deze zaak staat de vraag centraal of de uitingen, die volgens de fabrikant bedoeld waren om informatie te verstrekken en deel te nemen aan het maatschappelijke debat over rookvrije alternatieven, moeten worden aangemerkt als reclame voor tabaksproducten of aanverwante producten. De minister stelde zich op het standpunt dat de uitingen de bekendheid met en de afzet van rookvrije alternatieven bevorderen en daarmee in strijd zijn met het reclameverbod van artikel 5 Trw. De rechtbank volgde dit standpunt grotendeels en liet de opgelegde boetes in stand. Het College sluit zich daarbij aan. Het stelt voorop dat de Trw een ruim reclamebegrip kent. Daaronder valt iedere mededeling of handeling in de economische sfeer die tot doel heeft of rechtstreeks dan wel zijdelings tot gevolg heeft dat de verkoop van tabaksproducten of aanverwante producten wordt bevorderd. Volgens het College maken de verschillende uitingen onderdeel uit van een bredere commerciële strategie van de fabrikant om rookvrije alternatieven onder de aandacht te brengen en het gebruik daarvan te stimuleren. Dat daarbij ook aandacht wordt besteed aan gezondheidswinst of schadebeperking, maakt de uitingen niet neutraal of uitsluitend informatief.

RB 4026

Ingezonden door Lex Keukens, TeekensKarstens advocaten notarissen

Eén hervulde Benegas-statiegeldfles voldoende voor merkinbreukverbod

Rechtspraak (NL/EU) 4 jun 2026, RB 4026; ECLI:NL:RBNHO:2026:6393 (Benegas tegen [gedaagde]), https://reclameboek.nl/artikelen/een-hervulde-benegas-statiegeldfles-voldoende-voor-merkinbreukverbod

Rb. Noord-Holland 4 juni 2026, IEF 23624; RB 4026; ECLI:NL:RBNHO:2026:6393 (Benegas tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter verbiedt [gedaagde] om zonder toestemming statiegeldflessen van Benegas te vullen en draagt haar op haar website aan te passen, omdat één vastgestelde hervulling voldoende is voor een verbod wegens merkinbreuk. De website mocht daarnaast niet langer de indruk wekken dat [gedaagde] als depothouder namens Benegas gerechtigd was om Benegas-statiegeldflessen te vullen. Benegas exploiteert propaangas in statiegeldflessen die eigendom blijven van Benegas en alleen door het Benegas-vulcentrum in België mogen worden hervuld. [gedaagde] is al jarenlang contractspartij en afnemer van Benegas, onder meer op basis van een overeenkomst voor tankverhuur en gasverkoop, maar zij was niet bevoegd om statiegeldflessen van Benegas te vullen. In 2023 was [gedaagde] al aangesproken op merkinbreuk en had zij een onthoudingsverklaring ondertekend. Bij een steekproef in september 2025 is opnieuw vastgesteld dat een medewerker van [gedaagde] tegen betaling een Benegas-fles heeft gevuld. Benegas vordert onder meer een verbod, aanpassing of rectificatie van de website, opgave van gegevens, een boete en vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

RB 4025

Uitspraak ingezonden door Paul Trapman, Ploum

'Geïnspireerd door' bekende parfummerken en gebruik van producttags levert merkinbreuk op

Rechtspraak (NL/EU) 11 jun 2026, RB 4025; C/09/703674 ((Coty tegen Petite Mort)), https://reclameboek.nl/artikelen/geinspireerd-door-bekende-parfummerken-en-gebruik-van-producttags-levert-merkinbreuk-op

Rb. Den Haag 11 juni 2026, IEF 23622; RB 4025; C/09/703674 (Coty tegen Petite Mort). In deze zaak tussen Coty en Perfumedia, handelend onder de naam Petite Mort, staat de vraag centraal of Petite Mort met de verkoop van zogenoemde imitatieparfums inbreuk maakt op de merkrechten van Coty en of haar vergelijkende reclame geoorloofd is. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag oordeelt voorshands dat Petite Mort op meerdere gronden inbreuk maakt op de Coty‑merken (art. 9 lid 2 onder a, b en c UMVo, in samenhang met de corresponderende bepalingen in het BVIE) en bovendien ongeoorloofde vergelijkende reclame maakt in de zin van artikel 6:194a BW. Coty maakt deel uit van de Coty Group, die wereldwijd schoonheidsproducten en parfums verhandelt van onder meer de merken Burberry, Chloé, Gucci en Hugo Boss. Binnen de groep is Coty verantwoordelijk voor de handhaving van de intellectuele eigendomsrechten. Zij beschikt over exclusieve licenties voor een groot aantal parfummerken, waaronder BURBERRY, BURBERRY BODY, BURBERRY BRIT, MY BURBERRY, BURBERRY GODDESS, CHLOE, GUCCI, GUCCI RUSH, GUCCI FLORA, GUCCI GUILTY, HUGO BOSS, BOSS BOTTLED en BOSS THE SCENT. Petite Mort verkoopt via haar website en sociale media parfums die volgens haar eigen zeggen zijn "geïnspireerd door" bekende designerparfums. Op de website worden onder meer uitingen gebruikt als "Het premium alternatief voor designerparfums, zonder het luxe prijskaartje", "Ruik naar je favoriet" en "Spray gerust. Zonder schuldgevoel". Bij individuele producten wordt verwezen naar de bekende merken, bijvoorbeeld met aanduidingen als "Sensual Rose – geïnspireerd door Chloe EDP". Daarnaast gebruikt Petite Mort merknamen als Hugo Boss, Chloé, Burberry en Gucci als producttags in de achtergrond van haar website, waardoor consumenten die naar deze merken zoeken uitkomen bij de producten van Petite Mort. Ook verspreidde Petite Mort een nieuwsbrief waarin werd gesteld dat de parfum in een designerfles gemiddeld slechts € 1,50 kost en dat consumenten vooral betalen voor marketingcampagnes, dure flesjes en grote Hollywoodsterren. De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk dat Petite Mort de merken gebruikt in de zin van artikel 9 lid 3 UMVo. De merknamen worden immers zowel zichtbaar gebruikt in advertenties als onzichtbaar verwerkt in producttags die de vindbaarheid van de producten beïnvloeden. Volgens de voorzieningenrechter is niet van belang dat deze tags niet zichtbaar zijn voor de internetgebruiker, omdat zij wel degelijk het economisch gedrag van consumenten beïnvloeden. De gehele opzet van de onderneming van Petite Mort is er volgens de rechtbank op gericht om consumenten die op zoek zijn naar een merkparfum van Coty uit te laten komen bij de parfums van Petite Mort. Vervolgens oordeelt de voorzieningenrechter dat sprake is van merkinbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 onder a UMVo. Petite Mort gebruikt tekens die gelijk zijn aan de merken voor dezelfde waren waarvoor de merken zijn ingeschreven, namelijk parfums. Zo wordt bijvoorbeeld het teken "Chloe EDP" gebruikt bij een parfum van Petite Mort, waarbij de toevoeging "EDP" volgens de voorzieningenrechter uitsluitend beschrijvend is en het teken daarom gelijk is aan het merk CHLOE.Daarnaast is naar voorlopig oordeel sprake van merkinbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 onder b UMVo wegens verwarringsgevaar. De rechtbank acht daarbij van belang dat Petite Mort haar parfums presenteert als geuren die zijn geïnspireerd op bekende merken, terwijl tegelijkertijd wordt benadrukt dat zij hetzelfde ruiken, maar goedkoper zijn omdat de consument niet betaalt voor "dure logo's".

RB 4024

Dexia volledig aansprakelijk wegens verboden advisering door tussenpersoon; geen aanspraak meer op afgewikkelde overeenkomst ex-echtgenote

Rechtspraak (NL/EU) 20 mei 2026, RB 4024; ECLI:NL:RBLIM:2026:5128 ([lessee 1] tegen Dexia), https://reclameboek.nl/artikelen/dexia-volledig-aansprakelijk-wegens-verboden-advisering-door-tussenpersoon-geen-aanspraak-meer-op-afgewikkelde-overeenkomst-ex-echtgenote

Rb. Limburg 20 mei 2026, RB 4024; ECLI:NL:RBLIM:2026:5128 ([lessee 1] en Dexia). In deze effectenleasezaak vordert de afnemer schadevergoeding van Dexia naar aanleiding van twee Capital Effect-overeenkomsten uit 1998, waarvan één op naam van zijn inmiddels ex-echtgenote stond en één op zijn eigen naam. De kantonrechter sluit aan bij de vaste Dexia-jurisprudentie en stelt voorop dat sprake is van huurkoop en dat Dexia haar bijzondere zorgplichten heeft geschonden, in elk geval haar waarschuwingsplicht, zodat zij onrechtmatig heeft gehandeld. De andere door de afnemer aangevoerde grondslagen — dwaling, misleidende reclame, misbruik van omstandigheden en vernietigbaarheid op grond van de Wck — leiden niet tot toewijzing. De kantonrechter motiveert dat niet afzonderlijk, maar verwijst naar de vaste rechtspraak over effectenlease en overweegt dat geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld die een afwijking daarvan rechtvaardigen. De zaak wordt daarom niet beslist op de grond dat Dexia door reclame-uitingen een onjuiste of misleidende voorstelling van zaken heeft gegeven, maar op de schending van haar zorgplicht en vooral op het contracteren ondanks verboden advisering door een tussenpersoon.

RB 4023

Geen ongeoorloofde vergelijkende reclame bij pleidooi voor brandveiligheidstoetsing op gevelsysteemniveau

Rechtspraak (NL/EU) 12 jun 2026, RB 4023; ECLI:NL:HR:2026:919 (Rockwool tegen Kingspan), https://reclameboek.nl/artikelen/geen-ongeoorloofde-vergelijkende-reclame-bij-pleidooi-voor-brandveiligheidstoetsing-op-gevelsysteemniveau

HR 12 juni 2026, IEF 23620; RB 4023; ECLI:NL:HR:2026:919 (Rockwool tegen Kingspan). In dit arrest beoordeelt de Hoge Raad het cassatieberoep van Rockwool tegen het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 24 september 2024 [IEF 22293], voor zover dat betrekking had op opmerkingen van een Kingspan-medewerker tijdens de NEN Studiedagen Brandveiligheid Gevels. Rockwool, producent van steenwolisolatie met Euro-brandklasse A1, stelde dat Kingspan, producent van kunststofisolatie met Euroklasse B of lager, zich met die opmerkingen schuldig had gemaakt aan ongeoorloofde vergelijkende reclame. De Kingspan-medewerker had betoogd dat de brandveiligheid van gevels niet uitsluitend moet worden beoordeeld aan de hand van de brandklasse van afzonderlijke materialen, maar op het niveau van het volledige gevelsysteem. Daarbij wees hij op BS8414-systeemtests waaruit bleek dat een gevelsysteem met materialen met Euroklasse C en B een test kon doorstaan, terwijl een gevelsysteem met materialen met Euroklasse A1 en A2, waaronder Rockwool Duoslab-isolatie, een test had gefaald. Volgens Rockwool werden daarmee producten uit verschillende productgroepen op niet-objectieve wijze vergeleken en testresultaten ten onrechte als gelijkwaardig gepresenteerd. De rechtbank volgde Rockwool op dit punt, maar het hof oordeelde dat de opmerkingen wel vergelijkende reclame in de zin van art. 6:194a BW vormden, omdat zij mede de afzet van Kingspan-producten bevorderden, maar niet ongeoorloofd waren.

RB 4022

Reclameovereenkomst kansspelpromotie: voorinvesteringen zonder terugbetalingsplicht, maar geen aanspraak op resterende termijnen

Rechtspraak (NL/EU) 27 mei 2026, RB 4022; ECLI:NL:RBAMS:2026:5703 (Sagevas tegen FC Afkicken), https://reclameboek.nl/artikelen/reclameovereenkomst-kansspelpromotie-voorinvesteringen-zonder-terugbetalingsplicht-maar-geen-aanspraak-op-resterende-termijnen

Rb. Amsterdam 27 mei 2026, IEF 23618; RB 4022; IT 5307; ECLI:NL:RBAMS:2026:5703 (Sagevas tegen FC Afkicken). De Rechtbank Amsterdam oordeelt in deze zaak over de afwikkeling van een exclusieve samenwerkingsovereenkomst tussen Sagevas, exploitant van kansspelaanbieder betFIRST, en sportmediaproducent FC Afkicken. Op grond van die overeenkomst zou FC Afkicken betFIRST exclusief promoten in haar sportmedia, maar de samenwerking is feitelijk niet uitgevoerd nadat gewijzigde wet- en regelgeving voor kansspelreclame de beoogde promotie bemoeilijkte. Sagevas had inmiddels € 420.000 aan FC Afkicken betaald en vorderde terugbetaling, primair omdat de overeenkomst volgens haar rechtsgeldig was ontbonden en de betalingen slechts voorschotten waren op nog te verrichten diensten. Daarnaast stelde Sagevas dat FC Afkicken de exclusiviteitsverplichting had geschonden en daarom een contractuele vergoeding van € 25.000 verschuldigd was. FC Afkicken voerde daartegen aan dat de betalingen geen voorschotten waren, maar voorinvesteringen in de groei van haar kanalen en onderneming, en vorderde in reconventie nog € 150.000 op basis van een niet-ondertekend addendum waarin de totale pre-payment zou zijn verhoogd naar € 570.000. De rechtbank acht zich bevoegd op grond van de forumkeuze voor de Rechtbank Amsterdam en past Nederlands recht toe op basis van de rechtskeuze in de overeenkomst; ook de subsidiaire grondslag van ongerechtvaardigde verrijking wordt wegens nauwe samenhang met de overeenkomst naar Nederlands recht beoordeeld.

RB 4021

Nietigheid van opdracht tot juridische dienstverlening wegens oneerlijk en niet-transparant kostenbeding

Rechtspraak (NL/EU) 11 mrt 2026, RB 4021; ECLI:NL:RBNHO:2026:2941 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://reclameboek.nl/artikelen/nietigheid-van-opdracht-tot-juridische-dienstverlening-wegens-oneerlijk-en-niet-transparant-kostenbeding

Rb. Noord-Holland 11 maart 2026, RB 4021; ECLI:NL:RBNHO:2026:2941 ([eiser] tegen [gedaagde]). De Rechtbank Noord-Holland wijst de declaratievordering van een professioneel juridisch dienstverlener tegen een consument volledig af. De dienstverlener had de consument bijgestaan in een arbeidsgeschil en bracht uiteindelijk in totaal € 24.396,78 in rekening, waarvan volgens hem € 20.485,81 onbetaald was gebleven. De kantonrechter toetst de overeenkomst ambtshalve aan Richtlijn 93/13/EEG en artikel 6:233 onder a BW, zoals vereist op grond van het Dexia-arrest. Het kostenbeding, een uurtarief van € 125 en facturering op basis van bestede tijd, wordt wel als kernbeding aangemerkt, maar is niet transparant. Het beding gaf de consument namelijk geen reële mogelijkheid om vooraf de totale kosten bij benadering te ramen: er was geen kostenindicatie, geen raming van het voorzienbare of minimale aantal uren, geen urenplafond en in de praktijk ook geen maandelijkse facturatie waardoor de kostenontwikkeling tijdig zichtbaar werd. Dat is in strijd met de transparantie-eisen die het HvJ EU heeft geformuleerd voor uurtariefbedingen bij juridische dienstverlening aan consumenten.

RB 4019

RCC: Dier & Recht mag kritisch campagne voeren over melkvee-industrie

Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 21 mei 2026, RB 4019; 2026/00188 ((Klacht tegen Dier & Recht)), https://reclameboek.nl/artikelen/rcc-dier-recht-mag-kritisch-campagne-voeren-over-melkvee-industrie

RCC 21 mei 2026, RB 4019; 2026/00188 (Klacht tegen Dier & Recht). De Reclame Code Commissie heeft een klacht afgewezen tegen diverse uitingen van Dier & Recht over de melkvee- en kalverhouderij. Volgens de Commissie vallen de uitingen binnen de ruime vrijheid van meningsuiting die geldt voor ideële organisaties die deelnemen aan het maatschappelijke debat. Het gaat om uitingen op de website van Dier & Recht en een afbeelding van een melkpak met de tekst “Zuivel veroorzaakt ernstig dierenleed”. Volgens klager werd daarin een onjuist en eenzijdig beeld geschetst van de zuivelsector. Zo zou onvoldoende context zijn gegeven over het verstrekken van biest aan kalveren, de wettelijke regels voor huisvesting en transport van kalveren en de wettelijke normen voor voeding en dierenwelzijn. Ook werd aangevoerd dat individuele situaties ten onrechte werden gepresenteerd als standaardpraktijken binnen de gehele sector. Dier & Recht voerde aan dat de campagne bedoeld is om aandacht te vragen voor volgens haar bestaande problemen binnen de melkvee-industrie. Daarbij benadrukte zij dat de uitingen zijn gebaseerd op feitelijke informatie en dat zij op grond van de vrijheid van meningsuiting een kritische bijdrage mag leveren aan het publieke debat over dierenwelzijn. De Commissie stelt voorop dat het hier niet gaat om commerciële reclame van een handelaar, maar om de aanprijzing van denkbeelden door een ideële organisatie. De door klager ingeroepen bepalingen over oneerlijke en misleidende reclame (artikelen 7, 8.2 en 8.3 NRC) acht de Commissie daarom niet van toepassing; in plaats daarvan geldt artikel 5 NRC. Volgens de Commissie staat het Dier & Recht vrij om haar opvattingen over de melkvee-industrie kenbaar te maken, ook wanneer daarover verschillend kan worden gedacht. Een eenzijdige, confronterende of indringende presentatie is daarbij toegestaan. De toetsing beperkt zich daarom tot de vraag of de grenzen van de vrijheid van meningsuiting zijn overschreden.