Rb. Amsterdam: klantenbestand kwalificeert als bedrijfsgeheim
Rb. Amsterdam 11 juni 2026, IEF 23627; IT 5312; ECLI:NL:RBAMS:2026:5976 (TMU tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen TMU en [gedaagde] staat de vraag centraal of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door een klantenbestand van TMU te gebruiken voor eigen marketingactiviteiten. De voorzieningenrechter oordeelt dat het klantenbestand van TMU een bedrijfsgeheim vormt en dat [gedaagde] door het zonder toestemming gebruiken van dat bestand onrechtmatig heeft gehandeld op grond van onder meer artikel 6:162 BW en de Wet bescherming bedrijfsgeheimen (Wbb). [gedaagde] wordt bevolen ieder verder gebruik van het klantenbestand te staken en opgave te doen van de met het bestand verrichte marketingactiviteiten en de daarmee behaalde omzet en winst. TMU is actief op het gebied van handelseducatie en financiële markten en verkoopt cursussen over handelen op de financiële markt. [gedaagde] exploiteert een concurrerende onderneming. Partijen hadden sinds 2022 zowel een zakelijke als persoonlijke relatie. In april 2026 verstuurde [gedaagde] vanaf zijn eigen e-mailadres een commerciële e-mail aan een groot aantal adressen die onderdeel bleken te zijn van het klantenbestand van TMU. In die e-mail presenteerde hij zich als de "mentor van uw mentor" en maakte hij reclame voor zijn eigen diensten. Daarnaast plaatste hij een vergelijkbaar bericht op Telegram. Van de 66 adressen waarvan TMU meldingen ontving, kwamen er 64 voor in haar klantenbestand. Elf ontvangers verklaarden bovendien dat zij het betreffende e-mailadres uitsluitend gebruikten voor hun account bij TMU. Volgens TMU had een voormalig opdrachtnemer eind 2025 een grote hoeveelheid vertrouwelijke bedrijfsinformatie ontvreemd, waaronder het klantenbestand. TMU stelde dat [gedaagde] daarmee onrechtmatig handelde en tevens in strijd met de Wet bescherming bedrijfsgeheimen (Wbb) en de regels over vergelijkende reclame. [gedaagde] voerde aan dat hij het adressenbestand anoniem had ontvangen via een link, er niet voor had betaald en niet wist van wie het afkomstig was. Nadat hij de e-mails had verzonden, zou hij het bestand weer hebben verwijderd. De voorzieningenrechter overweegt dat [gedaagde] onder deze omstandigheden had moeten begrijpen dat een dergelijk klantenbestand economische waarde vertegenwoordigt. Als actief handelaar op een concurrerende markt ontving hij zonder tegenprestatie een omvangrijk adressenbestand. Door dat bestand zonder enige controle voor eigen commerciële doeleinden te gebruiken, heeft hij willens en wetens het risico aanvaard dat hij inbreuk maakte op rechten van derden. Dat handelen is voorshands onrechtmatig. Daarbij weegt mee dat [gedaagde] de e-mail zelf heeft opgesteld en daarin expliciet verwees naar [naam 1] van TMU, die hij persoonlijk kende. Verder acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat TMU geen toestemming heeft gegeven voor verspreiding van haar klantenbestand, dat het bestand aanzienlijke economische waarde vertegenwoordigt en bovendien het voornaamste bedrijfsdebiet van TMU vormt. Daarom wordt het gevorderde verbod op verdere verkrijging, openbaarmaking en gebruik van het klantenbestand toegewezen, waaraan een dwangsom wordt verbonden van € 20.000 per dag met een maximum van € 500.000
Hoge Raad verwerpt principale en incidentele cassatieberoepen in geschil tussen HP en Digital Revolution c.s. met toepassing van artikel 81 RO
HR 10 juli 2026, IEF 23685; RB 4049; ECLI:NL:HR:2026:1249 (HP tegen DR). In deze zaak tussen HP en Digital Revolution en de overige onder de gezamenlijke aanduiding DR genoemde vennootschappen gaat het volgens de inhoudsindicatie om misleidende handelspraktijken en merkenrecht in verband met de verkoop van inktcartridges zonder originele buitenverpakking. HP stelde principaal cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 april 2025 en DR stelde incidenteel cassatieberoep in. Partijen concludeerden over en weer tot verwerping. Advocaat-generaal G.R.B. van Peursem concludeerde eveneens tot verwerping van beide cassatieberoepen met toepassing van artikel 81 lid 1 RO. De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld en oordeelt dat deze niet tot vernietiging van het arrest van het hof kunnen leiden. Omdat beantwoording van de klachten niet nodig is voor de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, motiveert de Hoge Raad dit oordeel niet nader. Het arrest bevat daarom geen inhoudelijk gemotiveerd oordeel of nieuwe rechtsregel over de merkenrechtelijke en consumentenrechtelijke geschilpunten. Door de verwerping van beide cassatieberoepen blijft het arrest van het hof in stand.
Ziggo-overeenkomst rechtsgeldig vernietigd wegens schending informatieplichten en misleidende omissie
Rb. Midden-Nederland 17 juni 2026, RB 4050; IT 5356; ECLI:NL:RBMNE:2026:3796 ([eiser] tegen [gedaagde]). Een bewoner sprak met zijn buurman af dat deze een Ziggo-abonnement voor internet en televisie voor hem zou afsluiten, waarvoor hij maandelijks € 92,50 betaalde. De kantonrechter merkt de buurman aan als handelaar, omdat het zakelijke abonnement was afgesloten op naam van zijn eenmanszaak, waarvan de activiteiten mede bestonden uit IT-dienstverlening, en hij naast de abonnementskosten kosten voor het inboeken en btw doorberekende. Dat de afspraak tussen buren was gemaakt, doet daaraan niet af. Omdat de overeenkomst buiten de verkoopruimte tot stand was gekomen, moest de handelaar vooraf duidelijke en begrijpelijke informatie verstrekken over onder meer de prijs en de wijze van betaling en de overeenkomst vervolgens op papier of, met toestemming, op een andere duurzame gegevensdrager bevestigen. Hij kon niet bewijzen dat hij aan deze verplichtingen had voldaan. Ook had hij onvoldoende duidelijk gemaakt dat het abonnement een looptijd van 36 maanden had, hoe het maandbedrag was samengesteld en dat hij een commercieel oogmerk had. Het weglaten of onduidelijk verstrekken van deze essentiële informatie vormt volgens de kantonrechter een misleidende omissie en daarmee een oneerlijke handelspraktijk.
deLex zoekt redactioneel stagiair
Ben jij rechtenstudent en nieuwsgierig naar de wereld van intellectueel eigendom? Van bekende merken, muziek, mode en social media tot AI, reclamecampagnes, design en grote sportevenementen: binnen het intellectuele eigendomsrecht, ICT-recht en privacyrecht komen voortdurend actuele en herkenbare onderwerpen voorbij. Bij deLex krijg je de kans om je hierin te verdiepen en mee te werken aan juridische nieuwsvoorziening voor professionals in deze specialistische rechtsgebieden.
Vanaf half augustus 2026 zoeken wij een redactioneel stagiair voor drie dagen per week. De exacte startdatum is in overleg. Als juridische uitgeverij bieden wij je de mogelijkheid om drie maanden lang mee te werken binnen een dynamische en gespecialiseerde praktijk.
Tijdens je stage houd je je onder meer bezig met het beheren van online databases, het meewerken aan vakbladen en het bijwonen van congressen en opleidingen. Je ontwikkelt je in het verzamelen en analyseren van juridische bronnen, scherpt je redactionele vaardigheden aan en krijgt volop gelegenheid om je netwerk binnen het juridische werkveld uit te breiden.
Ben je in de afrondende fase van je bachelor of volg je een master Rechtsgeleerdheid, en heb je bijzondere interesse in IE-, ICT- en privacyrecht? Stuur dan je cv en motivatiebrief naar rdolman@delex.nl.
Liaise Advocaten verwelkomt partner Charissa Koster
Persbericht Liaise Advocaten 9 juli 2026
Charissa is nu een week bij ons en het samenwerken is nu al een feest. Haar praktijk én
persoonlijkheid matchen perfect met de onze.
Charissa Koster is een ervaren en bevlogen media-, IE- en tech-advocaat. Al jaren staat ze aan
de zijde van bekende mediapartijen: van BN'ers, kranten en uitgevers tot auteurs, film- en
televisieproducenten en gaming- en tech-bedrijven. In en buiten de rechtszaal. Ze is adviseur en
boardroom partner, maar net zo goed een actief procesadvocaat die soepel schakelt tussen
mediarecht, intellectueel eigendom, IT en ondernemersvraagstukken. Strategisch, scherp en
altijd op zoek naar het beste resultaat samen met de cliënt, of dat nu een start-up of een
multinational is.
Dit sluit perfect aan met waar we als Liaise Advocaten voor staan: vanuit een realistische en
persoonlijke stijl bouwen aan lange termijnrelaties met onze cliënten.
En we hebben ontzettend veel zin dit met Charissa samen nog verder te gaan uitbouwen!
Gebruik handelsnaam “Dynamiet Nederland” in Google Ads onrechtmatig
Rb. Rotterdam 11 juni 2026, IEF 23668; RB 4046; ECLI:NL:RBROT:2026:6806 (Dynamiet tegen [gedaagden]). In dit kort geding bij verstek oordeelt de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam over zoekmachineadvertenties waarin de naam Dynamiet Nederland wordt gebruikt. Dynamiet Nederland B.V. en [gedaagden] zijn concurrenten op het gebied van dienstverlening aan consumenten die een BKR-registratie willen laten verwijderen. Dynamiet vordert onder meer een verbod op het gebruik van haar handelsnaam en varianten daarop in advertentie-uitingen, en verwijdering van de reclame-uiting "Beter dan Dynamiet Nederland".
A-G HvJ EU: algemene meldplicht voor import van voedingssupplementen strijdig met Unierecht
HvJ EU 18 december 2025, RB 4044; LS&R 2409; ECLI:EU:C:2025:1004 (PRAGON s.r.o. tegen Státní zemědělská a potravinářská inspekce, Inspektorát v Praze). In deze zaak tussen PRAGON s.r.o. en de Tsjechische landbouw- en voedselinspectie staat de vraag centraal of een nationale regeling die importeurs van voedingssupplementen verplicht de bevoegde autoriteiten ten minste 24 uur vóór aankomst van de producten vanuit een andere lidstaat daarvan op de hoogte te stellen, verenigbaar is met Unierecht. De advocaat-generaal bespreekt met name de verhouding tussen het vrije verkeer van goederen en de volledig geharmoniseerde regels voor officiële controles op levensmiddelen in Verordening (EU) 2017/625. Volgens de conclusie verzet die verordening zich tegen een algemene en voortdurende meldplicht voor een gehele categorie levensmiddelen, zoals voedingssupplementen. PRAGON importeert voedingssupplementen uit andere lidstaten en verkoopt deze online en via fysieke winkels. Op grond van Tsjechische regelgeving moet iedere ontvangst van bepaalde levensmiddelen uit een andere lidstaat of uit een derde land uiterlijk 24 uur vóór aankomst worden gemeld aan de nationale voedselautoriteit. Daarbij moeten onder meer gegevens worden verstrekt over het soort product, de hoeveelheid, de herkomst, de ontvanger en het verwachte tijdstip van aankomst. PRAGON stelde dat deze verplichting ertoe leidt dat producten niet direct kunnen worden geleverd en daardoor een niet-tarifaire handelsbelemmering vormt. Bovendien geldt een dergelijke meldplicht niet voor vergelijkbare producten die zich reeds op Tsjechisch grondgebied bevinden, waardoor ingevoerde producten volgens PRAGON ongunstiger worden behandeld. De verwijzende Tsjechische rechter vraagt zich af of deze systematische meldplicht verenigbaar is met artikel 9 lid 7 van Verordening (EU) 2017/625. Daarbij wijst hij erop dat de regeling niet alleen extra administratieve lasten en kosten veroorzaakt, maar ook producenten en distributeurs kan ontmoedigen om voedingssupplementen op de Tsjechische markt aan te bieden. Daarnaast twijfelt de verwijzende rechter of een algemene meldplicht voor alle voedingssupplementen wel evenredig is, nu de risico's binnen deze productcategorie sterk uiteenlopen. De advocaat-generaal stelt allereerst vast dat de zaak moet worden beoordeeld aan de hand van Verordening (EU) 2017/625 en niet rechtstreeks aan de artikelen 34 en 36 VWEU. Volgens vaste rechtspraak worden nationale maatregelen immers uitsluitend getoetst aan de toepasselijke harmonisatieregels wanneer een terrein volledig door Unierecht is geharmoniseerd. De verordening vormt volgens de advocaat-generaal een volledig geharmoniseerd kader voor de organisatie van officiële controles op levensmiddelen. De nationale meldplicht moet daarom worden beoordeeld aan artikel 9 lid 7 van die verordening. Vervolgens bespreekt de advocaat-generaal de betekenis van artikel 9 lid 7. Uit de tekst, de systematiek en de doelstellingen van de verordening leidt hij af dat voorafgaande melding van goederen uit een andere lidstaat slechts bij uitzondering mag worden verlangd.
HvJ EU: consument moet worden gewezen op mogelijke douanekosten, niet op exacte bedragen
HvJ EU 13 mei 2026, RB 4043; ECLI:EU:C:2026:399 (D.V. tegen Kigas MB). In deze zaak tussen D.V. en Kigas staat de vraag centraal welke precontractuele informatieverplichtingen op grond van artikel 5 lid 1 onder a en c van Richtlijn 2011/83/EU rusten op een vervoerder die aan een consument een internationale goederenvervoersdienst verleent. Het Hof van Justitie beoordeelt in hoeverre een vervoerder de consument vooraf moet informeren over douaneformaliteiten en mogelijke douanerechten wanneer goederen vanuit een derde land naar de Europese Unie worden vervoerd. Daarbij staat de verhouding tussen de consumenteninformatieplichten uit de Consumentenrechtrichtlijn en de verplichtingen van afzender en vervoerder onder het CMR-Verdrag centraal; het Hof past beide regelingen naast elkaar toe, waarbij de CMR vooral de interne allocatie van verantwoordelijkheden tussen afzender en vervoerder regelt, terwijl de richtlijn ziet op de bescherming van de consument. D.V. sloot telefonisch met vervoerder Kigas een overeenkomst voor het vervoer van onder meer motorfietsen, een quad, wasmachines en wasdrogers van Noorwegen naar Litouwen tegen een prijs van € 450. Bij de overdracht van de goederen verklaarde D.V. dat geen douaneaangifte nodig was omdat de goederen voor persoonlijk gebruik bestemd waren. Tijdens een grenscontrole in Zweden stelden de douaneautoriteiten echter vast dat de goederen bij binnenkomst in de Europese Unie moesten worden aangegeven. Kigas betaalde daarop de verschuldigde douanerechten van ongeveer € 3.890 en bracht deze vervolgens, naast de overeengekomen vervoersprijs, bij D.V. in rekening. Omdat D.V. weigerde deze kosten te betalen, hield Kigas één motorfiets achter totdat betaling zou plaatsvinden. De Litouwse rechter stelde prejudiciële vragen over de omvang van de informatieplicht van de vervoerder onder Richtlijn 2011/83. Het Hof stelt voorop dat de vervoersovereenkomst zowel onder het toepassingsgebied van de Consumentenrechtrichtlijn als van het CMR-Verdrag valt. De richtlijn beoogt een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen door consumenten vóór het sluiten van een overeenkomst voldoende informatie te geven om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. De omvang van die informatieplicht moet worden beoordeeld aan de hand van de aard van de aangeboden dienst. Ten aanzien van artikel 5 lid 1 onder a van Richtlijn 2011/83 oordeelt het Hof dat de mogelijkheid dat voor de invoer van goederen douaneformaliteiten moeten worden vervuld een belangrijk kenmerk vormt van een internationale vervoersdienst.
RCC: Facebook-advertenties met prikpen zijn verboden publieksreclame
RCC 10 maart 2026, RB 4042; 2026/00002 (klacht tegen Wellis Health). In deze zaak tussen klager en Wellis Health staat de vraag centraal of Wellis Health met Facebook-advertenties voor een behandeling tegen overgewicht verboden publieksreclame maakt voor receptgeneesmiddelen. De Reclame Code Commissie oordeelt dat vier van de vijf reclame-uitingen in strijd zijn met artikel 85 van de Geneesmiddelenwet, de Code Publieksreclame voor Geneesmiddelen (CPG) en de Nederlandse Reclame Code. De overige klachten wijst de Commissie af. De bestreden advertenties bevatten onder meer de teksten "Gewichtsverlies op maat", "Wetenschappelijk onderbouwd gewichtsverlies" en "Gratis ondersteuning door artsen en voedingsdeskundigen". In vier advertenties is daarnaast een prikpen prominent afgebeeld. Volgens klager gaat het om publieksreclame voor receptgeneesmiddelen en wekken de advertenties ten onrechte de indruk dat sprake is van medisch toezicht. Wellis Health voert aan dat zij geen geneesmiddelen promoot, maar een breder medisch behandeltraject waarin medicatie slechts één onderdeel vormt. De Commissie oordeelt dat de vier advertenties met een prikpen wel degelijk reclame maken voor een receptgeneesmiddel. Hoewel de advertenties ook verwijzen naar begeleiding door artsen en voedingsdeskundigen, staat de prikpen telkens centraal in beeld en trekt deze de aandacht van de consument. In drie advertenties is bovendien te zien hoe de prikpen wordt gebruikt om medicatie toe te dienen.
RCC: misleidende reclame wekt ten onrechte indruk dat Becel vezelrijk is
RCC 23 april 2026, RB 4041; 2025/00645 (klacht tegen Becel Nederland). In deze zaak tussen klager en Becel Nederland staat de vraag centraal of een TikTok-video over Becel met Haver & Vezels misleidend is. Volgens klager wekt de reclame ten onrechte de indruk dat het product een wezenlijke bijdrage levert aan de vezelinname en een romige haversmaak heeft. De voorzitter van de Reclame Code Commissie oordeelt dat de reclame voor wat betreft de vezelclaim in strijd is met artikel 8 van de Claimsverordening en artikel 2 van de Nederlandse Reclame Code. De klacht over de smaakomschrijving wordt afgewezen. In de TikTok-video wordt Becel met Haver & Vezels gepresenteerd als een eenvoudige manier om meer vezels binnen te krijgen. Daarbij wordt onder meer gesproken over de 'fibermaxing trend', een 'boost van vezels' en de claim: "Zo voeg ik per boterham 10% extra vezels toe". Volgens Becel ziet die claim uitsluitend op de extra hoeveelheid vezels die wordt toegevoegd aan een snee volkorenbrood met een portie van het product. Klager vindt dat de reclame de bijdrage van het product aan de vezelinname overdreven voorstelt en betwist ook de omschrijving "heerlijke romige haversmaak". De voorzitter kijkt naar de totale indruk van de reclame.









