24 feb 2026
Reclame Code Commissie laat Gaza‑fondsenwervingsbrief FPU in stand
RCC 24 februari 2026, RB 3982; 2025/00654 (Klager tegen Adverteerder). De bestreden reclame-uiting is een brief van Free Press Unlimited (FPU) in een vensterenvelop, gericht “Aan de bewoner(s) van”, met op de envelop de tekst: “Schokkend: meer dan 250 journalisten gedood door Israël”. In de brief wordt uiteengezet dat lokale journalisten in Gaza hun leven riskeren, dat in de afgelopen twee jaar meer dan 250 Palestijnse journalisten zijn gedood, dat Gaza “de meest dodelijke plaats ooit” voor journalisten is en dat journalisten volgens FPU zes keer meer risico lopen om gedood te worden dan burgers, waarna om een gift wordt gevraagd ter ondersteuning van deze journalisten. Klager CIDI stelt dat drie beweringen feitelijk onjuist of onvoldoende onderbouwd zijn: (1) de claim dat “meer dan 250 Palestijnse journalisten” zijn gedood “het hoogste aantal in een conflict”, omdat in onder meer Syrië en de Tweede Wereldoorlog volgens CIDI meer journalisten zijn omgekomen; (2) de impliciete suggestie dat journalist Saleh al‑Jafawari een van de door Israël gedode journalisten is, terwijl hij volgens CIDI door andere inwoners van Gaza zou zijn omgebracht; en (3) de stelling dat Gaza “de meest dodelijke plaats ooit” voor journalisten is en dat zij zes keer meer risico lopen dan burgers, zonder bronvermelding. Volgens CIDI is sprake van misleidende reclame in strijd met artikelen 8 en 10 NRC, temeer omdat de uitlatingen worden gedaan in een sterk gepolariseerde context en direct zijn gekoppeld aan een oproep tot donaties.
FPU voert aan dat de uiting ideële reclame betreft over een onderwerp van zwaarwegend publiek belang, de veiligheid van journalisten in Gaza, en dat de artikelen 8 en 10 NRC, die zien op commerciële misleiding, niet van toepassing zijn. De uiting kwalificeert als reclame voor denkbeelden: FPU verdedigt het standpunt dat ondersteuning van deze journalisten noodzakelijk is en vraagt in dat verband om een gift. FPU beroept zich op de vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM) en stelt dat er ruime feitelijke steun bestaat voor haar beweringen, onderbouwd met talrijke bronnen. De Commissie stelt voorop dat ideële reclame terughoudend moet worden getoetst en dat het hier gaat om reclame voor denkbeelden in de zin van artikel 1 NRC. Beoordeeld wordt of de wijze van aanprijzen naar huidige maatschappelijke opvattingen de grens van het toelaatbare overschrijdt. Voor bewering 1 acht de Commissie de frase “het hoogste aantal in een conflict” voldoende genuanceerd door de toevoeging “in de afgelopen twee jaar” en acht zij de claim gedragen door internationale bronnen (VN‑rapporteur, Cost of War Project, VN‑woordvoerder) die Gaza als “deadliest conflict ever for journalists” en “deadliest place for journalists in any conflict” typeren. Ten aanzien van bewering 2 oordeelt de Commissie dat in de brief nergens wordt gezegd dat Saleh al‑Jafawari door Israël is gedood. Hij wordt slechts genoemd als journalist die na de wapenstilstand in Gaza om het leven kwam, zodat hij niet als voorbeeld wordt gepresenteerd van de “door Israël” gedode journalisten op de envelop. Bij bewering 3 acht de Commissie, mede op basis van door FPU toegelichte (conservatieve) berekeningen over aantallen journalisten en burgerslachtoffers, de uitspraken over “meest dodelijke plaats ooit” en “zes keer meer risico” niet ontoelaatbaar, ook al ontbreekt bronvermelding in de brief zelf. Alles afwegend concludeert de Commissie dat geen sprake is van ontoelaatbare reclame, ook niet in de zin van artikel 5 NRC, en wijst zij de klacht af.
2.
Bewering 1.
In de brief staat:
“In de afgelopen twee jaar werden meer dan 250 Palestijnse journalisten gedood – het hoogste aantal in een conflict”.
Klager acht de woorden ‘het hoogste aantal in een conflict’ zonder verdere onderbouwing of uitleg onjuist. Volgens klager valt niet uit te sluiten dat adverteerder “het” in een bepaalde context wil plaatsen, maar is dat hier niet gebeurd. Ter onderbouwing van dit klachtonderdeel heeft klager gewezen op het (hogere) aantal journalisten dat (volgens in de klacht genoemde bronnen) bij het conflict in Syrië om het leven zou zijn gekomen en het (hogere) aantal Joodse journalisten dat tijdens de Tweede Wereldoorlog zou zijn gedood.
Het standpunt van klager dat de zinsnede “het hoogste aantal in een conflict” in dit geval niet van een uitleg of context is voorzien, deelt de Commissie niet. De woorden “het hoogste aantal in een conflict” zijn in de bestreden uiting namelijk in elk geval gerelateerd aan de in de betreffende volzin opgenomen woorden “In de afgelopen twee jaar”. Reeds hierdoor is er sprake van een zekere toelichting op deze woorden en van een nuancering van de betreffende uitspraak van adverteerder. In dit verband overweegt de Commissie dat adverteerder bij verweer heeft aangevoerd dat het conflict in Syrië 12 jaar duurde.
Verder heeft adverteerder, ter onderbouwing van de zinsnede “het hoogste aantal in een conflict”, onder verwijzing naar een bij het verweer overgelegde bron, onweersproken meegedeeld dat de “Special Rapporteur van de Verenigde Naties inzake de bescherming van het recht op uitingsvrijheid” in september 2025 in Genève zei:
“Gaza has become the deadliest conflict ever for journalists. More journalists have been killed in Gaza than both world wars, the Vietnam War, wars in Yugoslavia, and the war in Afghanistan combined, according to one research institute”.
Ook heeft adverteerder gewezen op onderzoek van het Cost of War Project van het Watson Institute for International and Public Affairs van Brown University, door middel van onderstaand citaat:
"The war in Gaza has, since October 7, 2023, killed more journalists than the U.S. Civil War, World Wars I and II, the Korean War, the Vietnam War (..), the wars in Yugoslavia in the 1990s and 2000s and the post-9/11 war in Afghanistan, combined. It is, quite simply, the worst ever conflict for reporters".
Ter zitting heeft adverteerder hieraan de volgende uitspraak (uit oktober 2025) toegevoegd van
Stephanie Dujarric, woordvoerder van de secretaris-generaal van de VN António Guterres, in een persbriefing bij de VN:
“Gaza has become the deadliest place for journalists in any conflict”.
Gelet op bovenbedoelde nuancering in de uiting zelf en bovengenoemde, in reactie op de klacht gegeven onderbouwing van de in dit geval bestreden zinsnede, acht de Commissie dit klachtonderdeel ongegrond. Dat in de bestreden uiting niet uitdrukkelijk is verwezen naar één of meer van de hierboven geciteerde uitlatingen, betekent nog niet dat de wijze van aanprijzen van een denkbeeld in dit geval van dien aard is dat daardoor, naar de huidige maatschappelijke opvattingen, de grens van het toelaatbare wordt overschreden.
3.
Bewering 2.
Klager maakt bezwaar tegen de verwijzing in de eerste alinea van de brief naar de journalist Saleh al-Jafawari. Volgens klager wordt deze journalist als “voorbeeld” genoemd, maar is hij niet om het leven gebracht door Israël, maar door andere inwoners van Gaza. Ter onderbouwing van dit laatste heeft klager ter zitting, onder verwijzing naar een citaat uit bijlage 4 bij het verweer (een artikel op www.aljazeera.com), aangevoerd dat deze journalist - anders dan bij nagenoeg alle andere gevallen van omgekomen journalisten vaststaat - niet door Israëlisch geweld is omgekomen, maar door een Palestijnse militie.
Voor de beantwoording van de vraag of dit klachtonderdeel gegrond is, dient eerst de vraag te worden beantwoord of de journalist Saleh al-Jafawari in de bestreden uiting al dan niet als “voorbeeld” wordt genoemd van journalisten die om het leven zijn gebracht door Israël.
De Commissie beantwoordt die vraag ontkennend. Zij overweegt daartoe het volgende.
In de brief is niet vermeld dat journalist Saleh al-Jafawari om het leven is gebracht door Israël. Onder de algemeen luidende aanhef:
“Journalisten in Gaza riskeren hun leven
Uw steun is nodig zodat zij de waarheid blijven vertellen”
is in de eerste alinea van de brief het volgende over de journalist Saleh al-Jafawari vermeld:
“Vijf dagen na de wapenstilstand kwam journalist Saleh al-Jafawari om het leven in Gaza-stad.
En weet u waarom? Omdat hij verslag deed van de onrust in Gaza. Saleh was bekend en geliefd en met zijn dood verloor Gaza wederom een belangrijke journalistieke stem”.
De omstandigheid dat op de voorzijde van de envelop staat:
“Schokkend:
meer dan 250 journalisten
gedood door Israël” biedt niet voldoende grondslag voor de stelling dat de journalist Saleh al-Jafawari in de brief als “voorbeeld” wordt gegeven van de “meer dan 250 journalisten” die volgens de uiting zijn “gedood door Israël”, en niet alleen als voorbeeld van journalisten die in Gaza om het leven kwamen.
Reeds gelet op het bovenstaande acht de Commissie dit klachtonderdeel ongegrond.
4.
Bewering 3.
Ter zitting heeft CIDI meegedeeld dat “Punt 3” (aanduiding in de pleitnota van CIDI) de bewering “Journalisten lopen namelijk zes keer meer risico om gedood te worden dan burgers” betreft.
Voor zover CIDI, ondanks deze stelling, geacht moet worden nog steeds ook bezwaar te maken tegen de hieraan voorafgaande, in de klacht bestreden volzin: "Gaza is voor journalisten nog steeds de meest dodelijke plaats ooit”, overweegt de Commissie over deze volzin het volgende.
Aannemelijk is dat de lezer van de brief deze woorden allereerst zal plaatsen in de context van de direct daaraan voorafgaande volzin, namelijk:
“In de afgelopen twee jaar werden meer dan 250 Palestijnse journalisten gedood – het hoogste aantal in een conflict”.
Wat dit betreft ziet de Commissie, gelet op de hierboven in onderdeel 2 van het oordeel aangehaalde uitspraken:
“Gaza has become the deadliest conflict ever for journalists”,
“It is, quite simply, the worst ever conflict for reporters" en
“Gaza has become the deadliest place for journalists in any conflict”, geen, althans niet voldoende aanleiding om deze volzin ontoelaatbaar te achten.
Ook voor zover de volzin "Gaza is voor journalisten nog steeds de meest dodelijke plaats ooit” wordt gelezen in samenhang met de daaropvolgende, eveneens bestreden volzin: “Journalisten lopen namelijk zes keer meer risico om gedood te worden dan burgers”, wordt de grens van het toelaatbare niet overschreden.
Weliswaar bevat de bestreden uiting geen feitelijke onderbouwing van de woorden “zes keer meer risico”, maar dat betekent nog niet dat de uiting ontoelaatbaar is. Verder heeft adverteerder in reactie op de klacht toegelicht op welke (conservatieve) berekening haar uitspraak “Journalisten lopen namelijk zes keer meer risico om gedood te worden dan burgers” is gebaseerd. Dat het werken als oorlogsjournalist per definitie gevaarlijker is dan het zijn van burger, zoals klager ter zitting heeft gesteld, en dat klager ter zitting vraagtekens heeft gezet bij het aantal Palestijnse journalisten (ongeveer 1100) in voornoemde berekening, biedt onvoldoende grondslag voor de conclusie dat de onderhavige aanprijzing van een denkbeeld, door de uitspraak “Journalisten lopen (…) zes keer meer risico om gedood te worden dan burgers”, de grens van het toelaatbare overschrijdt.