RB
Gepubliceerd op donderdag 27 augustus 2026
RB 4116
Rechtspraak (NL/EU) ||
25 mrt 2026,
Rechtspraak (NL/EU) 25 mrt 2026,, RB 4116; ECLI:NL:GHAMS:2025:704 (Vattenfall tegen [geïntimeerde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/vattenfall-pleegt-oneerlijke-handelspraktijk-met-onjuiste-informatie-over-tariefwijzigingen

Vattenfall pleegt oneerlijke handelspraktijk met onjuiste informatie over tariefwijzigingen

Gerechtshof Amsterdam 25 maart 2025, RB 4116; ECLI:NL:GHAMS:2025:704 (Vattenfall tegen [geïntimeerde]). In deze zaak gaat Vattenfall in hoger beroep tegen een vonnis over een variabel energiecontract dat [geïntimeerde] in 2013 sloot met haar rechtsvoorganger. De Algemene Voorwaarden 2017 geven Vattenfall in art. 19 lid 3 en 4 de bevoegdheid om de leveringstarieven eenzijdig te wijzigen vanwege onder meer ontwikkelingen op de energiemarkt, prijs- en inkooprisico’s en wijzigingen in de kostenstructuur. Vattenfall wijzigde de tarieven doorgaans per 1 januari en 1 juli, maar kondigde op 22 maart 2022 vanwege de gestegen energieprijzen een extra verhoging per 1 april 2022 aan. Op haar website stond tegelijkertijd dat de tarieven bij een variabel contract twee keer per jaar wijzigen. De kantonrechter oordeelde dat deze mededeling een oneerlijke handelspraktijk vormde, verklaarde het eenzijdige wijzigingsbeding oneerlijk en vernietigde het. Vattenfall bestrijdt deze oordelen in hoger beroep. 

Het hof bekrachtigt het vonnis. De website vermeldde onjuist dat de variabele tarieven twee keer per jaar wijzigen, terwijl Vattenfall in 2022 ook per 1 april een tariefwijziging doorvoerde. Voor een misleidende handelspraktijk in de zin van art. 6:193c lid 1 BW is voldoende dat deze onjuiste informatie het besluit van [geïntimeerde] om de overeenkomst te sluiten, voort te zetten of niet te beëindigen kon beïnvloeden. Zij hoeft niet aan te tonen dat zij daadwerkelijk op de mededeling vertrouwde bij een concrete rechtshandeling. Ook het beroep van Vattenfall op verjaring van de vernietigingsvordering slaagt niet. Voor het ingaan van de driejarige termijn van art. 3:52 lid 1 onder d BW in samenhang met art. 6:235 lid 4 BW moest Vattenfall uitdrukkelijk een beroep doen op het wijzigingsbeding; alleen bekendheid met eerdere tariefwijzigingen was niet genoeg. Het hof acht het wijzigingsbeding bovendien oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13. De genoemde redenen voor prijswijzigingen zijn te algemeen om de consument inzicht te geven in de mogelijke financiële gevolgen. Vattenfall gaf geen becijferde voorbeelden of concrete waarschuwing voor de risico’s van prijsschommelingen en kondigde de verhoging per 1 april 2022 niet voldoende tijd vooraf aan. Door de contractuele opzegtermijn van dertig dagen kon [geïntimeerde] bovendien niet opzeggen zonder nog enige tijd aan het verhoogde tarief gebonden te zijn. Daardoor verstoort het beding het contractuele evenwicht aanzienlijk ten nadele van de consument en in strijd met de goede trouw. Het hof merkt ten overvloede op dat prijsverhogingen op basis van het vernietigde beding niet mogelijk waren en dat daarop betaalde bedragen in beginsel onverschuldigd zijn betaald. Het beroep van Vattenfall op de energiecrisis als onvoorziene omstandigheid slaagt evenmin.

5.5. Afdeling 3A van boek 6 BW inzake oneerlijke handelspraktijken moet richtlijnconform worden uitgelegd. 

De mededeling op de website houdt verband met de levering van stroom en gas door Vattenfall aan [geïntimeerde] . Daarin wordt de lezer, zoals [geïntimeerde] , geïnformeerd dat in geval van een variabele prijs de tarieven twee keer per jaar wijzigen. Dat is onjuiste informatie gebleken, aangezien vaststaat dat Vattenfall elk jaar de prijzen per 1 januari en 1 juli heeft gewijzigd maar in 2022 ook per 1 april. Artikel 6 van de Richtlijn 2005/29 heeft een preventief karakter. Aldus dient ook artikel 6:193c lid 1 BW, voor zover op dit geval van toepassing, te worden uitgelegd. Voldoende is dat Vattenfall onjuiste informatie heeft verstrekt, die van nadelige invloed kan zijn geweest op het besluit van [geïntimeerde] de overeenkomst te sluiten als de mededeling toen reeds op de website stond, of de overeenkomst voort te zetten en niet te beëindigen als de mededeling pas na de totstandkoming van de overeenkomst op de website is geplaatst (HvJEU 16 april 2015, ECLI:EU:C:2015:225 (Hatóság-UPC), punt 49). 

Deze uitleg brengt mee dat de stellingen van Vattenfall dat de mededeling op de website geen handelspraktijk betreft omdat het geen uiting is die rechtstreeks tot doel heeft om de besluitvorming door de consument te beïnvloeden, dat sprake moet zijn geweest bij [geïntimeerde] van gerechtvaardigd vertrouwen op grond van die mededeling bij een concrete rechtshandeling en dat causaal verband ontbreekt, niet opgaan.

5.23. Het hof concludeert uit het voorgaande dat Vattenfall [geïntimeerde] niet duidelijk en begrijpelijk heeft geïnformeerd over (de mogelijke negatieve financiële gevolgen van) het Wijzigingsbeding. Ook heeft Vattenfall [geïntimeerde] niet redelijke tijd vooraf ingelicht over de tariefwijziging per 1 april 2022 en het opzeggingsrecht van [geïntimeerde] overeenkomstig de Bijlage bij Richtlijn 93/13 onder 2 b, tweede alinea. Bovendien had [geïntimeerde] geen reële opzegmogelijkheid doordat zij niet van het contract af kon zonder enige tijd gebonden te zijn aan het hogere tarief. Aldus is sprake van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, in aanmerking genomen dat Vattenfall zonder het Wijzigingsbeding de tarieven niet eenzijdig zou kunnen wijzigen ingevolge regelend Nederlands recht. Deze aanzienlijke verstoring van het evenwicht is voorts in strijd met de goede trouw veroorzaakt, omdat Vattenfall redelijkerwijs niet ervan kon uitgaan dat [geïntimeerde] het Wijzigingsbeding zou hebben aanvaard indien daarover op eerlijke en billijke wijze afzonderlijk was onderhandeld. 

5.24. De door Vattenfall aangevoerde argumenten, opgesomd in rov. 5.14, zijn onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Dat het overeengekomen tarief variabel is en dat het tarief op een conjunctuurgevoelige markt wordt vastgesteld, moge zo zijn, maar dat kan geen afbreuk doen aan de bescherming die [geïntimeerde] kan ontlenen aan Richtlijn 93/13. De genoemde redenen voor tussentijdse wijziging van het Wijzigingsbeding en de wijze van aanpassing, voldoen, zoals uit voorgaande rechtsoverwegingen volgt, niet aan de eisen van Richtlijn 93/13. Dat de ACM controleert of Vattenfall redelijke tarieven hanteert en dat het Wijzigingsbeding in de hele sector wordt gebruikt, doet niet af aan de rechten die [geïntimeerde] aan Richtlijn 93/13 kan ontlenen. Vattenfall heeft geen andere relevante en voldoende onderbouwde stellingen aangevoerd, die in dit verband bespreking behoeven. Grieven 2 en 3 (voor het overige) falen.