RB
Gepubliceerd op vrijdag 30 oktober 2026
RB 4169
Rechtspraak (NL/EU) ||
10 mrt 2026,
Rechtspraak (NL/EU) 10 mrt 2026,, RB 4169; ECLI:NL:GHARL:2026:1465 (de vereniging tegen ALO), https://reclameboek.nl/artikelen/consumentenbescherming-staat-opzegging-huurovereenkomsten-camping-niet-in-de-weg-huurverhoging-zonder-grondslag-ongeldig

Consumentenbescherming staat opzegging huurovereenkomsten camping niet in de weg; huurverhoging zonder grondslag ongeldig

Hof Arnhem-Leeuwarden 10 maart 2026, RB 4169; ECLI:NL:GHARL:2026:1465 (de vereniging tegen ALO). Belangenvereniging De Scheepsbel en verschillende huurders van jaarplaatsen op camping De Scheepsbel in Doornspijk zijn in hoger beroep gekomen tegen een vonnis waarin de opzegging van hun huurovereenkomsten door ALO Beheer B.V. rechtsgeldig werd geacht. De huurders hadden mondelinge huurovereenkomsten voor onbepaalde tijd en beschikten over eigen caravans of chalets op de gehuurde standplaatsen. ALO had de overeenkomsten opgezegd nadat de huurders hadden geweigerd nieuwe schriftelijke huurovereenkomsten met de Recron-voorwaarden te ondertekenen. Volgens de huurders was de opzegging in strijd met de Europese regels over oneerlijke bedingen, oneerlijke handelspraktijken en consumentenrechten. Ook zou ALO onvoldoende rekening hebben gehouden met hun investeringen en belangen. Daarnaast maakten de huurders bezwaar tegen een huurverhoging van 9,9% en de doorberekende kosten voor nutsvoorzieningen, waarvan de berekening volgens hen onvoldoende inzichtelijk was.

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de huurovereenkomsten rechtsgeldig zijn opgezegd op grond van artikel 7:228 lid 2 BW. De wettelijke opzeggingsregeling valt niet onder de Richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EEG). Ook biedt de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken (2005/29/EG) volgens het hof geen grondslag om de wettelijke beëindiging van de huurovereenkomsten aan te tasten. De Richtlijn consumentenrechten (2011/83/EU) is evenmin van toepassing op de betreffende huurovereenkomsten voor onbebouwde grond. De opzegging is daarnaast niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en ALO is geen schadevergoeding verschuldigd. Het hof oordeelt echter dat ALO niet bevoegd was de huurprijs eenzijdig met 9,9% te verhogen, omdat daarvoor een wettelijke of contractuele grondslag ontbreekt. Ook een eventueel verondersteld wijzigingsbeding zou wegens het ontbreken van transparantie oneerlijk zijn. De huurders hoeven de verhogingen over 2022 en 2023 daarom niet te betalen. Verder moet ALO inzicht verstrekken in het daadwerkelijke verbruik van elektriciteit, water en gas en de daarvoor doorberekende kosten. Het hof veroordeelt de huurders op wie de ontruimingsveroordeling nog betrekking heeft om hun standplaatsen binnen zes maanden te verlaten, tenzij zij vóór het verstrijken van die termijn een nieuwe huurovereenkomst sluiten.

Richtlijn oneerlijke handelspraktijken

3.30

Artikel 5 lid 2 van de Richtlijn omschrijft wanneer een handelspraktijk oneerlijk is. Dat is in artikel 6:193a e.v. BW geïmplementeerd. Een handelspraktijk is oneerlijk indien een handelaar handelt: a. in strijd met de vereisten van professionele toewijding en b. het vermogen van de gemiddelde consument om een geïnformeerd besluit te nemen merkbaar is beperkt of kan worden beperkt, waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen. De Richtlijn oneerlijke handelspraktijken is niet rechtstreeks van toepassing in de Nederlandse rechtsorde. Een richtlijnconforme uitleg van het Nederlandse recht brengt echter mee dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 6:193b tot en met 6:193d in verbinding met artikel 6:193j BW gehouden is een beding te vernietigen indien hij vaststelt dat een handelspraktijk oneerlijk is in de zin van deze Richtlijn. Krachtens de definitiebepaling van artikel 6:193a lid 1 onder b en d BW is een handelspraktijk iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten. Voor zover grief 2 zo zou moeten worden begrepen dat de huurders op dit onderdeel alleen een beroep hebben willen doen op de regeling voor de oneerlijke handelspraktijk (in enge zin) van artikel 6:193b BW, dient het hof ambtshalve ook te onderzoeken of sprake is van een misleidende handelspraktijk (artikel 6:193c BW), een misleidende handelspraktijk door omissie (artikel 6:193d BW) of een agressieve handelspraktijk (artikel 6:193h BW). Artikel 3 lid 2 van de Richtlijn bepaalt echter dat deze het verbintenissenrecht en in het bijzonder de regels betreffende de geldigheid, de opstelling en de rechtsgevolgen van contracten onverlet laat. Dat betekent naar het oordeel van het hof dat de opzeggingsregeling, die door huurders wordt aangevochten, niet valt onder de reikwijdte van deze Richtlijn omdat deze betrekking heeft op het - bij wet geregelde - verbintenisrechtelijke einde van deze huurovereenkomsten.

3.31

Nu deze Richtlijn totale harmonisatie behelst7 en de lidstaten de consument niet een hoger niveau van consumentenbescherming mogen toekennen dan in de Richtlijn is bepaald, is een aparte toets aan de bepalingen over oneerlijke handelspraktijken (Afdeling 3A van titel 3 Boek 6 BW) niet meer aan de orde.

Richtlijn informatieplichten

3.32

Het standpunt van de huurders dat niet duidelijk is gemaakt hoe en onder welke voorwaarden opzegging mogelijk is, wordt evenmin gevolgd. Artikel 3 lid 3 aanhef en onder e van de Richtlijn informatieplichten bepaalt namelijk dat deze niet van toepassing is op overeenkomsten voor het doen ontstaan, het verkrijgen of het overdragen van onroerend goed of rechten op onroerend goed. In artikel 6:230h lid 2 aanhef en onder f BW is deze regel in de Nederlandse wet geïmplementeerd. Bij de huurovereenkomst van een jaarplaats op een camping verkrijgt de huurder op grond van een overeenkomst het gebruiksrecht van een onroerende zaak, zodat de bepalingen voor overeenkomsten tussen handelaren en consumenten (Afdeling 2b van titel 5 Boek 6 BW), gelezen in het licht van en uitgelegd conform deze Richtlijn, niet van toepassing zijn in deze situatie.

conclusie consumentenrecht

3.33

ALO heeft op grond van het voorgaande met de opzegging of met het niet-aanbieden van de gevraagde schadevergoeding niet in strijd met de artikelen 6:230h e.v., 6:233 en 6:193a e.v. BW, zoals uitgelegd in het licht van deze Richtlijnen, gehandeld, zodat de daarop gerichte vorderingen van de huurders zullen worden afgewezen.