RB

Algemene regels  

RB 4024

Dexia volledig aansprakelijk wegens verboden advisering door tussenpersoon; geen aanspraak meer op afgewikkelde overeenkomst ex-echtgenote

Rechtspraak (NL/EU) 20 mei 2026, RB 4024; ECLI:NL:RBLIM:2026:5128 ([lessee 1] tegen Dexia), https://reclameboek.nl/artikelen/dexia-volledig-aansprakelijk-wegens-verboden-advisering-door-tussenpersoon-geen-aanspraak-meer-op-afgewikkelde-overeenkomst-ex-echtgenote

Rb. Limburg 20 mei 2026, RB 4024; ECLI:NL:RBLIM:2026:5128 ([lessee 1] en Dexia). In deze effectenleasezaak vordert de afnemer schadevergoeding van Dexia naar aanleiding van twee Capital Effect-overeenkomsten uit 1998, waarvan één op naam van zijn inmiddels ex-echtgenote stond en één op zijn eigen naam. De kantonrechter sluit aan bij de vaste Dexia-jurisprudentie en stelt voorop dat sprake is van huurkoop en dat Dexia haar bijzondere zorgplichten heeft geschonden, in elk geval haar waarschuwingsplicht, zodat zij onrechtmatig heeft gehandeld. De andere door de afnemer aangevoerde grondslagen — dwaling, misleidende reclame, misbruik van omstandigheden en vernietigbaarheid op grond van de Wck — leiden niet tot toewijzing. De kantonrechter motiveert dat niet afzonderlijk, maar verwijst naar de vaste rechtspraak over effectenlease en overweegt dat geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld die een afwijking daarvan rechtvaardigen. De zaak wordt daarom niet beslist op de grond dat Dexia door reclame-uitingen een onjuiste of misleidende voorstelling van zaken heeft gegeven, maar op de schending van haar zorgplicht en vooral op het contracteren ondanks verboden advisering door een tussenpersoon.

RB 4023

Geen ongeoorloofde vergelijkende reclame bij pleidooi voor brandveiligheidstoetsing op gevelsysteemniveau

Rechtspraak (NL/EU) 12 jun 2026, RB 4023; ECLI:NL:HR:2026:919 (Rockwool tegen Kingspan), https://reclameboek.nl/artikelen/geen-ongeoorloofde-vergelijkende-reclame-bij-pleidooi-voor-brandveiligheidstoetsing-op-gevelsysteemniveau

HR 12 juni 2026, IEF 23620; RB 4023; ECLI:NL:HR:2026:919 (Rockwool tegen Kingspan). In dit arrest beoordeelt de Hoge Raad het cassatieberoep van Rockwool tegen het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 24 september 2024 [IEF 22293], voor zover dat betrekking had op opmerkingen van een Kingspan-medewerker tijdens de NEN Studiedagen Brandveiligheid Gevels. Rockwool, producent van steenwolisolatie met Euro-brandklasse A1, stelde dat Kingspan, producent van kunststofisolatie met Euroklasse B of lager, zich met die opmerkingen schuldig had gemaakt aan ongeoorloofde vergelijkende reclame. De Kingspan-medewerker had betoogd dat de brandveiligheid van gevels niet uitsluitend moet worden beoordeeld aan de hand van de brandklasse van afzonderlijke materialen, maar op het niveau van het volledige gevelsysteem. Daarbij wees hij op BS8414-systeemtests waaruit bleek dat een gevelsysteem met materialen met Euroklasse C en B een test kon doorstaan, terwijl een gevelsysteem met materialen met Euroklasse A1 en A2, waaronder Rockwool Duoslab-isolatie, een test had gefaald. Volgens Rockwool werden daarmee producten uit verschillende productgroepen op niet-objectieve wijze vergeleken en testresultaten ten onrechte als gelijkwaardig gepresenteerd. De rechtbank volgde Rockwool op dit punt, maar het hof oordeelde dat de opmerkingen wel vergelijkende reclame in de zin van art. 6:194a BW vormden, omdat zij mede de afzet van Kingspan-producten bevorderden, maar niet ongeoorloofd waren.

RB 4022

Reclameovereenkomst kansspelpromotie: voorinvesteringen zonder terugbetalingsplicht, maar geen aanspraak op resterende termijnen

Rechtspraak (NL/EU) 27 mei 2026, RB 4022; ECLI:NL:RBAMS:2026:5703 (Sagevas tegen FC Afkicken), https://reclameboek.nl/artikelen/reclameovereenkomst-kansspelpromotie-voorinvesteringen-zonder-terugbetalingsplicht-maar-geen-aanspraak-op-resterende-termijnen

Rb. Amsterdam 27 mei 2026, IEF 23618; RB 4022; IT 5307; ECLI:NL:RBAMS:2026:5703 (Sagevas tegen FC Afkicken). De Rechtbank Amsterdam oordeelt in deze zaak over de afwikkeling van een exclusieve samenwerkingsovereenkomst tussen Sagevas, exploitant van kansspelaanbieder betFIRST, en sportmediaproducent FC Afkicken. Op grond van die overeenkomst zou FC Afkicken betFIRST exclusief promoten in haar sportmedia, maar de samenwerking is feitelijk niet uitgevoerd nadat gewijzigde wet- en regelgeving voor kansspelreclame de beoogde promotie bemoeilijkte. Sagevas had inmiddels € 420.000 aan FC Afkicken betaald en vorderde terugbetaling, primair omdat de overeenkomst volgens haar rechtsgeldig was ontbonden en de betalingen slechts voorschotten waren op nog te verrichten diensten. Daarnaast stelde Sagevas dat FC Afkicken de exclusiviteitsverplichting had geschonden en daarom een contractuele vergoeding van € 25.000 verschuldigd was. FC Afkicken voerde daartegen aan dat de betalingen geen voorschotten waren, maar voorinvesteringen in de groei van haar kanalen en onderneming, en vorderde in reconventie nog € 150.000 op basis van een niet-ondertekend addendum waarin de totale pre-payment zou zijn verhoogd naar € 570.000. De rechtbank acht zich bevoegd op grond van de forumkeuze voor de Rechtbank Amsterdam en past Nederlands recht toe op basis van de rechtskeuze in de overeenkomst; ook de subsidiaire grondslag van ongerechtvaardigde verrijking wordt wegens nauwe samenhang met de overeenkomst naar Nederlands recht beoordeeld.

RB 4021

Nietigheid van opdracht tot juridische dienstverlening wegens oneerlijk en niet-transparant kostenbeding

Rechtspraak (NL/EU) 11 mrt 2026, RB 4021; ECLI:NL:RBNHO:2026:2941 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://reclameboek.nl/artikelen/nietigheid-van-opdracht-tot-juridische-dienstverlening-wegens-oneerlijk-en-niet-transparant-kostenbeding

Rb. Noord-Holland 11 maart 2026, RB 4021; ECLI:NL:RBNHO:2026:2941 ([eiser] tegen [gedaagde]). De Rechtbank Noord-Holland wijst de declaratievordering van een professioneel juridisch dienstverlener tegen een consument volledig af. De dienstverlener had de consument bijgestaan in een arbeidsgeschil en bracht uiteindelijk in totaal € 24.396,78 in rekening, waarvan volgens hem € 20.485,81 onbetaald was gebleven. De kantonrechter toetst de overeenkomst ambtshalve aan Richtlijn 93/13/EEG en artikel 6:233 onder a BW, zoals vereist op grond van het Dexia-arrest. Het kostenbeding, een uurtarief van € 125 en facturering op basis van bestede tijd, wordt wel als kernbeding aangemerkt, maar is niet transparant. Het beding gaf de consument namelijk geen reële mogelijkheid om vooraf de totale kosten bij benadering te ramen: er was geen kostenindicatie, geen raming van het voorzienbare of minimale aantal uren, geen urenplafond en in de praktijk ook geen maandelijkse facturatie waardoor de kostenontwikkeling tijdig zichtbaar werd. Dat is in strijd met de transparantie-eisen die het HvJ EU heeft geformuleerd voor uurtariefbedingen bij juridische dienstverlening aan consumenten.

RB 4019

RCC: Dier & Recht mag kritisch campagne voeren over melkvee-industrie

Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 21 mei 2026, RB 4019; 2026/00188 ((Klacht tegen Dier & Recht)), https://reclameboek.nl/artikelen/rcc-dier-recht-mag-kritisch-campagne-voeren-over-melkvee-industrie

RCC 21 mei 2026, RB 4019; 2026/00188 (Klacht tegen Dier & Recht). De Reclame Code Commissie heeft een klacht afgewezen tegen diverse uitingen van Dier & Recht over de melkvee- en kalverhouderij. Volgens de Commissie vallen de uitingen binnen de ruime vrijheid van meningsuiting die geldt voor ideële organisaties die deelnemen aan het maatschappelijke debat. Het gaat om uitingen op de website van Dier & Recht en een afbeelding van een melkpak met de tekst “Zuivel veroorzaakt ernstig dierenleed”. Volgens klager werd daarin een onjuist en eenzijdig beeld geschetst van de zuivelsector. Zo zou onvoldoende context zijn gegeven over het verstrekken van biest aan kalveren, de wettelijke regels voor huisvesting en transport van kalveren en de wettelijke normen voor voeding en dierenwelzijn. Ook werd aangevoerd dat individuele situaties ten onrechte werden gepresenteerd als standaardpraktijken binnen de gehele sector. Dier & Recht voerde aan dat de campagne bedoeld is om aandacht te vragen voor volgens haar bestaande problemen binnen de melkvee-industrie. Daarbij benadrukte zij dat de uitingen zijn gebaseerd op feitelijke informatie en dat zij op grond van de vrijheid van meningsuiting een kritische bijdrage mag leveren aan het publieke debat over dierenwelzijn. De Commissie stelt voorop dat het hier niet gaat om commerciële reclame van een handelaar, maar om de aanprijzing van denkbeelden door een ideële organisatie. De door klager ingeroepen bepalingen over oneerlijke en misleidende reclame (artikelen 7, 8.2 en 8.3 NRC) acht de Commissie daarom niet van toepassing; in plaats daarvan geldt artikel 5 NRC. Volgens de Commissie staat het Dier & Recht vrij om haar opvattingen over de melkvee-industrie kenbaar te maken, ook wanneer daarover verschillend kan worden gedacht. Een eenzijdige, confronterende of indringende presentatie is daarbij toegestaan. De toetsing beperkt zich daarom tot de vraag of de grenzen van de vrijheid van meningsuiting zijn overschreden.

RB 4020

Hoge Raad laat Dynamic Security van HP in stand: geen misbruik van machtspositie

Rechtspraak (NL/EU) 5 jun 2026, RB 4020; ECLI:NL:HR:2026:847 ((Digital Revolution tegen HP)), https://reclameboek.nl/artikelen/hoge-raad-laat-dynamic-security-van-hp-in-stand-geen-misbruik-van-machtspositie

HR 5 juni 2026, IEF 23605; ECLI:NL:HR:2026:847 (Digital Revolution tegen HP). De Hoge Raad heeft in het langlopende geschil tussen Digital Revolution (123inkt) en HP over HP's zogenoemde Dynamic Security-technologie het principale cassatieberoep van Digital Revolution verworpen. Het (deels) voorwaardelijke incidentele cassatieberoep van HP slaagde gedeeltelijk. Het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 19 november 2024 is vernietigd en de zaak is verwezen naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling. De zaak draaide onder meer om de vraag of HP met Dynamic Security misbruik maakt van een machtspositie op de markt voor printercartridges. Ook stond ter discussie of partijen zich schuldig maakten aan misleidende handelspraktijken en ongeoorloofde vergelijkende reclame. Volgens Digital Revolution belemmert HP via Dynamic Security de concurrentie op de secundaire markt (aftermarket) voor cartridges. Firmware-updates wijzigen regelmatig de beveiligingscode, waardoor bepaalde cartridges van derden, waaronder de huismerkcartridges van Digital Revolution, door de printer worden geweigerd. Volgens Digital Revolution levert dat misbruik van een machtspositie op in strijd met artikel 102 VWEU en artikel 24 Mededingingswet. HP stelde daartegenover dat Dynamic Security namaakcartridges tegengaat, printers beschermt tegen schade en de kwaliteit en veiligheid van het printsysteem bewaakt. De Hoge Raad benadrukt, onder verwijzing naar artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1/2003, dat een partij die een schending van artikel 102 VWEU en artikel 24 Mededingingswet stelt, de relevante economische feiten en omstandigheden moet aanvoeren en bij betwisting moet onderbouwen. Alleen dan ontstaat een voldoende onderbouwd economisch debat tussen partijen. Daarbij moet de relevante markt worden afgebakend aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden. In deze zaak lag het op de weg van Digital Revolution om die feiten en omstandigheden over de gestelde (after)markt voor cartridges aan te voeren. De Hoge Raad volgt het hof in zijn oordeel dat Digital Revolution daarvoor onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd. Digital Revolution voerde aan dat de cartridges voor ieder model HP-printer een afzonderlijke productmarkt vormen. Volgens de Hoge Raad mocht het hof echter oordelen dat deze marktafbakening onvoldoende feitelijk was uitgewerkt. Daarbij speelt ook een rol in hoeverre de concurrentiedruk op de primaire markt voor printers doorwerkt naar de aftermarket voor cartridges.

RB 4011

CvB: “één op de vier kreupele melkkoeien” onvoldoende onderbouwd

Rechtspraak (NL/EU) 22 apr 2026, RB 4011; 2025/00515 (([klager] tegen Wakker dier)), https://reclameboek.nl/artikelen/cvb-een-op-de-vier-kreupele-melkkoeien-onvoldoende-onderbouwd

CvB 22 april 2026, RB 4011; 2025/00515 ([klager] tegen Wakker dier). In deze zaak tussen een klager en Wakker Dier staat de vraag centraal of een radiocommercial, waarin wordt gesteld dat “één op de vier melkkoeien in Nederland kreupel is en strompelt naar de melkmachine”, misleidend is. De uiting maakt onderdeel uit van de zogenoemde sloopmelkcampagne en beoogt aandacht te vragen voor dierenwelzijn in de melkveehouderij. De klacht richt zich met name op de feitelijke juistheid van het genoemde percentage. Volgens klager is de stelling niet verifieerbaar en strookt deze niet met de praktijk. Wakker Dier voert aan dat de uiting is gebaseerd op een meta-analyse van 53 onderzoeken naar kreupelheid bij melkkoeien in Noordwest-Europa, waaruit een gemiddelde prevalentie van circa 28% volgt. In de commercial is dit percentage naar beneden afgerond naar “één op de vier” (25%) om voorzichtigheid te betrachten. De Reclame Code Commissie plaatst de uiting uitdrukkelijk in de context van een ideële, opiniërende campagne en erkent dat Wakker Dier ruime vrijheid van meningsuiting heeft in het maatschappelijk debat. Die vrijheid neemt echter niet weg dat concrete feitelijke claims de toets aan de Nederlandse Reclame Code moeten doorstaan. De Commissie oordeelt dat uit de meta-analyse niet voldoende duidelijk volgt dat het door Wakker Dier genoemde percentage specifiek voor Nederland geldt. Het onderzoek ziet op 11 landen in Noordwest-Europa en de prevalentie is – met name bij de “conservatieve” definitie van kreupelheid – sterk variabel. De specifieke Nederlandse situatie valt op basis van de publicatie niet goed te beoordelen. Dat Wakker Dier een “veiligheidsmarge” hanteert door van 28% naar 25% (één op vier) te gaan, verandert hier niets aan. De Commissie acht de uiting daarom in strijd met artikel 5 NRC, omdat zij het vertrouwen in reclame schaadt. In beroep bevestigt het College van Beroep dit oordeel. Het College stelt voorop dat Wakker Dier als maatschappelijke organisatie een ruime vrijheid heeft om een mening te verkondigen in het kader van een publiek debat. Die vrijheid wordt echter begrensd wanneer in reclame concrete, cijfermatige feiten worden gepresenteerd: dan moet de juistheid van die feiten tegenover een gemotiveerde betwisting aannemelijk worden gemaakt.

RB 4010

CBb: blokvorming in tabaksschap is reclame, sponsoring niet bewezen

Rechtspraak (NL/EU) 7 apr 2026, RB 4010; ECLI:NL:CBB2026:137 ((Tabaksfabrikant tegen Staatsecretaris)), https://reclameboek.nl/artikelen/cbb-blokvorming-in-tabaksschap-is-reclame-sponsoring-niet-bewezen

CBb 7 april 2026, RB 4010; ECLI:NL:CBB2026:137 (Tabaksfabrikant tegen Staatsecretaris). In deze zaak tussen een tabaksfabrikant (Philip Morris) en de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport staat de vraag centraal of de verkoop en presentatie van tabaksproducten op festivals ’t Strand (2018) en Amsterdam Open Air (2019) in strijd is met het reclame- en sponsoringverbod uit de Tabaks- en rookwarenwet (met name het in artikel 5 Tabaks- en rookwarenwet neergelegde verbod op reclame en sponsoring), en of de opgelegde boetes in stand kunnen blijven. De tabaksfabrikant exploiteerde op beide festivals een tabakskiosk, waarbij zij overeenkomsten had gesloten met de organisatoren en met een derde partij voor de exploitatie van de verkoopunits en het personeel. Uit inspecties van de NVWA volgt dat de producten in de kiosken op een specifieke wijze werden gepresenteerd: er was sprake van meerdere identieke verpakkingen per merkvariant (zogeheten “facings”), waardoor visuele blokken ontstonden, en bepaalde schappen (zoals bij Heets-tabaksticks) dienden niet als voorraad maar enkel als zichtpresentatie. Daarnaast werd op ’t Strand alleen vanuit de bovenste rij verkocht, terwijl de overige schappen zichtbaar bleven voor het publiek. De staatssecretaris legde boetes op wegens overtreding van zowel het reclame- als het sponsoringverbod. Volgens hem ging de presentatie verder dan een toegestane neutrale uitstalling en betaalde de fabrikant bovendien vergoedingen aan festivalorganisatoren die niet in verhouding stonden tot de opbrengsten, zodat sprake was van sponsoring. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven bevestigt dat sprake is van overtreding van het reclameverbod.

RB 4009

Rb Den Haag: de term “glasvezel-kabel(netwerk)’ in de zaak tussen KPN en Ziggo is niet misleidend

Rechtspraak (NL/EU) 15 apr 2026, RB 4009; ECLI:NL:RBDHA:2026:8997 ((KPN tegen Ziggo)), https://reclameboek.nl/artikelen/rb-den-haag-de-term-glasvezel-kabel-netwerk-in-de-zaak-tussen-kpn-en-ziggo-is-niet-misleidend

Rb. Den Haag 15 april 2026, RB 4009; IT5270; ECLI:NL:RBDHA:2026:8997 (KPN tegen Ziggo). In deze procedure bij de Rechtbank Den Haag staat de vraag centraal of de wijze waarop Ziggo haar netwerk aanduidt als “glasvezel‑kabel(netwerk)” en haar diensten promoot, misleidend is in de zin van de regels inzake oneerlijke handelspraktijken en vergelijkende reclame. KPN stelt dat Ziggo ten onrechte de indruk wekt dat sprake is van een volledig glasvezelnetwerk en dat consumenten daardoor worden misleid bij de keuze voor een internetabonnement. Daarnaast verwijt KPN Ziggo dat zij haar netwerk en diensten op onjuiste wijze vergelijkt met die van KPN. De rechtbank wijst de vorderingen van KPN af. Zij stelt voorop dat de beoordeling van misleiding plaatsvindt vanuit het perspectief van de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument. Tegen die achtergrond oordeelt de rechtbank dat de aanduiding “glasvezel‑kabel(netwerk)” op zichzelf niet misleidend is. Van belang is dat Ziggo in haar communicatie duidelijk maakt dat het gaat om een hybride netwerk, waarbij glasvezel wordt gecombineerd met een kabelverbinding tot aan de woning. De enkele omstandigheid dat KPN een volledig glasvezelnetwerk aanbiedt, betekent niet dat Ziggo deze terminologie niet mag gebruiken. Ook de door KPN bestreden 97%-claim van Ziggo, inhoudende dat 97% van het internetsignaal via glasvezel en 3% via coax loopt, houdt stand.

RB 4007

Uitspraak ingezonden door Sophie Wiegant en Thera Adam‑van Straaten, Eversheds Sutherland.

Vordering tot verbod en rectificatie van uitingen over IVD MammaPrint afgewezen

Rechtspraak (NL/EU) 24 apr 2026, RB 4007; C/13/785453 ((Agendia tegen Exact Sciences c.s.)), https://reclameboek.nl/artikelen/vordering-tot-verbod-en-rectificatie-van-uitingen-over-ivd-mammaprint-afgewezen

Rb. Amsterdam 24 april 2026, IEF 23530; RB 4007; C/13/785453 (Agendia tegen Exact Sciences c.s.). Exact Sciences, een dochtervennootschap van Genomic Health (tezamen: Exact Sciences c.s.), biedt een in vitro diagnostische test (IVD) aan onder de naam Oncotype DX. Agendia biedt een IVD aan onder de naam MammaPrint. Beide testen ondersteunen de besluitvorming over het al dan niet ondergaan van chemotherapie bij borstkanker. Exact Sciences c.s. vorderde bij dagvaarding van 20 november 2025 in kort geding een verbod op en rectificatie van uitingen van Agendia over MammaPrint wegens vermeend misleidende (vergelijkende) reclame in de zin van Verordening (EU) 2017/746 en de artikelen 6:194 en 6:194a BW. Bij vonnis van 17 december 2025 werden deze vorderingen afgewezen. Onder meer omdat het kort geding zich niet leent voor het beslechten van een wetenschappelijke discussie en spoedeisend belang ontbrak. In een opvolgend kort geding stelde Agendia dat Exact Sciences c.s. in die eerdere procedure zelf onrechtmatige uitlatingen over MammaPrint had gedaan, onder meer door te suggereren dat MammaPrint een risico voor de volksgezondheid zou vormen en dat Oncotype DX aantoonbaar beter presteert dan MammaPrint zonder afdoende wetenschappelijk bewijs.