RB

Algemene regels  

RB 3998

Geen verbod op gebruik naam en beeltenis influencer, omdat rechtsgeldige ontbinding licentieovereenkomst in kort geding niet aannemelijk is

Rechtspraak (NL/EU) 7 apr 2026, RB 3998; ECLI:NL:RBAMS:2026:3348 ([eiser 1] en [eiser 2] tegen [gedaagde]), https://reclameboek.nl/artikelen/geen-verbod-op-gebruik-naam-en-beeltenis-influencer-omdat-rechtsgeldige-ontbinding-licentieovereenkomst-in-kort-geding-niet-aannemelijk-is

Rb. Amsterdam 7 april 2026, IEF 23462; IT 5198; ECLI:NL:RBAMS:2026:3348 ([eiser 1] en [eiser 2] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam wijst alle gevraagde voorzieningen af in een kort geding tussen influencer/powerlifter [eiser 1], handelend onder [handelsnaam 1], en [gedaagde] B.V. Partijen hadden een overeenkomst gesloten die liep van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2026, op grond waarvan [gedaagde] exclusief gerechtigd was de naam en “image rights” van [handelsnaam 1] te gebruiken voor de promotie en verkoop van voedingssupplementen, tegen betaling van onder meer een maandelijkse licentievergoeding van USD 35.000, een winstaandeel en verkoopprovisie. [eiser 1] stelde dat hij deze overeenkomst op 29 oktober 2025 rechtsgeldig had ontbonden wegens een material breach als bedoeld in art. 5.2 van de overeenkomst, onder verwijzing naar te late en uitblijvende betalingen, het uitblijven van winstaandelen en provisie, het niet verstrekken van financiële informatie en het zonder voorafgaande goedkeuring op de markt brengen van producten, onder meer in Mexico. Op basis daarvan vorderde hij onder meer verboden wegens merk-, auteurs- en portretrechtinbreuk, alsook verboden op misleidende handelspraktijken en misleidende reclame, met nevenvorderingen zoals opgave en terugroeping. De voorzieningenrechter stelt voorop dat Nederlands recht van toepassing is en dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is. Daarnaast oordeelt hij dat [eiser 2] geen contractspartij is en ook niet als merkhouder, auteursrechthebbende of portretgerechtigde is gesteld, zodat haar vorderingen al daarom stranden. Beslissend is vervolgens dat de gevraagde verboden alleen toewijsbaar zijn als voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden; dat acht de voorzieningenrechter niet het geval.

RB 3993

Prejudiciële vragen gesteld over een digitaal klachtenboek

EU 12 nov 2025, RB 3993; C-720/25 (IO, Associação Ius Omnibus tegen Contextlogic B.V.), https://reclameboek.nl/artikelen/prejudiciele-vragen-gesteld-over-een-digitaal-klachtenboek

Prejudiciële vragen gesteld aan Hof van Justitie EU 12 november 2025, RB 3998; IT 5182; C-720/25 (IO, Associação Ius Omnibus tegen Contextlogic B.V.) via MinBuza. Verweerster is ‘Contextlogic B.V.’, een vennootschap met statutaire zetel in Nederland, ingeschreven in het Portugese handelsregister. Verzoekende partij is een gekwalificeerde betalingsinstelling die stelt dat verweerster niet voldoet aan de verplichting om Portugese consumenten een digitaal klachtenboek ter beschikking te stellen. Het is de vraag of de diensten die verweerster verleent vallen onder ‘diensten van een informatiemaatschappij’. Daarnaast is het de vraag of de Portugese regels, indien zij gelden voor dienstverleners die geen statutaire zetel of vestiging in Portugal hebben, verenigbaar zijn met richtlijn 2000/31 (beginsel van controle aan de bron van diensten van de informatiemaatschappij).  

RB 3988

Prejudiciële vragen gesteld over inzagerecht van een mededingingsautoriteit

EU 7 nov 2025, RB 3988; C-711/25 (Ryanair DAC en Ryanair Holdings Plc tegen Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato (AGCM)), https://reclameboek.nl/artikelen/prejudiciele-vragen-gesteld-over-inzagerecht-van-een-mededingingsautoriteit

Prejudiciële vragen gesteld aan HvJEU 7 november 2025, RB 3988; IT 5161; IEFbe 4162; C/2026/295 (Ryanair DAC en Ryanair Holdings Plc tegen Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato (AGCM)) via MinBuza. De Italiaanse mededingingsautoriteit AGCM doet onderzoek naar Ryanair vanwege vermoeden van gedrag dat misbruik van een machtspositie kan opleveren (onder artikel 102 VWEU). De Ierse autoriteit heeft bijstand verleend aan het mededingingsonderzoek, en zij hebben een ‘search warrant’ verkregen voor onderzoek op de kantoren van Ryanair. Ryanair is tegen die beslissing in beroep gegaan, en heeft in februari 2024 bij de AGCM verzocht om inzage in het dossier. Ter discussie staat of artikel 27, lid 2 van verordening 1/2003, dat stelt dat partijen ‘recht hebben tot inzage van het dossier van de Commissie’ ook geldt voor verzoeken die door nationale mededingingsautoriteiten worden ingediend bij andere nationale autoriteiten, krachtens art. 22, lid 1.

RB 3987

HvJEU: ‘alcoholvrije gin’ verboden als benaming voor alcoholvrije drank

EU 13 nov 2025, RB 3987; ECLI:EU:C:2025:887 (Verband Sozialer Wettbewerb eV tegen PB Vi Goods GmbH), https://reclameboek.nl/artikelen/hvjeu-alcoholvrije-gin-verboden-als-benaming-voor-alcoholvrije-drank

Hof van Justitie 13 november 2025, IEF 23401; RB 3947; ECLI:EU:C:2025:887 (Verband Sozialer Wettbewerb eV tegen PB Vi Goods GmbH). Het Hof van Justitie oordeelt dat het op grond van artikel 10 lid 7 van Verordening (EU) 2019/787 verboden is om een alcoholvrije drank aan te duiden als “alcoholvrije gin”. De benaming “gin” is een wettelijke benaming die alleen mag worden gebruikt voor dranken die voldoen aan specifieke productievereisten, waaronder een minimumalcoholpercentage van 37,5% en bereiding met ethylalcohol en jeneverbessen. Het toevoegen van termen als “alcoholvrij” doet aan dit verbod niet af.

RB 3984

HvJEU: "Koop op rekening” is een verkoopbevorderende aanbieding, transparantie vereist

EU 15 mei 2025, RB 3984; ECLI:EU:C:2025:352 (Verbraucherzentrale Hamburg tegen bonprix Handelsgesellschaft mbH), https://reclameboek.nl/artikelen/hvjeu-koop-op-rekening-is-een-verkoopbevorderende-aanbieding-transparantie-vereist

HvJ EU 25 mei 2025, RB 3984; IT 5148; ECLI:EU:C:2025:352 (Verbraucherzentrale Hamburg tegen bonprix). In deze prejudiciële procedure staat de vraag centraal of een onlinereclame waarin een bijzondere betalingswijze (koop op rekening) wordt aangeboden, kwalificeert als een verkoopbevorderende aanbieding in de zin van artikel 6, onder c), van Richtlijn 2000/31/EG (e-commercerichtlijn). De Duitse consumentenorganisatie betoogt dat de reclame misleidend is, omdat niet direct wordt vermeld dat gebruik van deze betaalmethode afhankelijk is van een kredietwaardigheidscontrole.

RB 3974

Omgevingsvergunning carwash en Texaco-reclame: vergunning grotendeels houdbaar, maar motiveringsgebrek bij welstand

Rechtspraak (NL/EU) 8 dec 2025, RB 3974; ECLI:NL:RBNNE:2025:5888 ([eiser] tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân en ), https://reclameboek.nl/artikelen/omgevingsvergunning-carwash-en-texaco-reclame-vergunning-grotendeels-houdbaar-maar-motiveringsgebrek-bij-welstand

Rb. Noord-Nederland 8 december 2025, IEF 23308; RB 3974; ECLI:NL:RBNNE:2025:5888 ([eiser] tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân). De Rechtbank Noord-Nederland doet een tussenuitspraak (bestuurlijke lus) over een omgevingsvergunning voor een perceel met tankstation/carwash (Dilledyk 1, Easterwierrum). Omdat de aanvraag vóór 1 januari 2024 is ingediend, blijft de Wabo van toepassing. De vergunning ziet op (i) het veranderen/legaliseren van een carwash, (ii) het plaatsen van een prijzenbord/reclamezuil, (iii) het aanbrengen van TEXACO-reclame (letters/logo) op de overkapping van het pompeiland en een beperkte gebruikswijziging. De rechtbank verwerpt de procedurele klachten (o.a. onvolledige heroverweging, “verlopen” aanvraag, late publicatie, vooringenomenheid). Inhoudelijk acht zij de vergunning voor het prijzenbord en de carwash rechtmatig: het college mocht het peil voor de hoogtebepaling hanteren zoals gedaan en een beperkte planafwijking voor het prijzenbord vergunnen zonder strijd met een goede ruimtelijke ordening; de carwash voldoet aan de planregels (met name de goothoogte), en klachten over (geluids)overlast of het Bouwbesluit leveren hier geen weigeringsgrond op binnen het limitatief-imperatieve toetsingskader.

RB 3973

IQOS-omruilservice kwalificeert als tabaksreclame

Rechtspraak (NL/EU) 17 feb 2026, RB 3973; ECLI:NL:RBROT:2026:1408 (Philip Morris Investments B.V. tegen de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de staatssecretaris), https://reclameboek.nl/artikelen/iqos-omruilservice-kwalificeert-als-tabaksreclame

Rechtbank Rotterdam 17 februari 2026, IEF 23306; RB 3973; ECLI:NL:RBROT:2026:1408 (Philip Morris Investments B.V. tegen de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de staatssecretaris). De rechtbank Rotterdam beoordeelt een door de staatssecretaris van VWS opgelegde bestuurlijke boete van € 45.000 aan Philip Morris Investments B.V. wegens overtreding van het reclameverbod van art. 5 lid 1 Tabaks- en rookwarenwet (Trw). Centraal staat of het online omruilprogramma voor het elektronische verhittingsapparaat IQOS (ILUMA) “reclame” is in de zin van art. 1 Trw. De rechtbank oordeelt dat dit zo is, op beide gronden van de definitie: (i) het is een handeling in de economische sfeer met (mede) het doel de verkoop van tabaksproducten/aanverwante producten te bevorderen, mede omdat Philip Morris belang heeft dat ook bezitters van een goed werkend oud apparaat overstappen vanwege de non-compatibiliteit met nieuwe tabaksticks (TEREA) en het verdwijnen van HEETS; en (ii) het is een commerciële mededeling die het aanprijzen/bekendheid geven tot doel dan wel (on)rechtstreeks gevolg heeft. Daarbij weegt mee dat de website-informatie verder ging dan strikt noodzakelijk en op punten wervend was (“profiteren”, “voordelen”, “nieuwste innovatie”, en een geruststellende/emotionele formulering over “geen zorgen … in de toekomst”), zodat het niet kan worden afgedaan als louter (verplichte) productinformatie; ook beperkte toegankelijkheid voor (vermeend) bestaande 18+ gebruikers maakt het niet anders.

RB 3972

Taxi met reclame op taxistandplaats geen handelsreclame: sanctie en proceskostenvergoeding in Wahv‑procedure

Nederland 30 jan 2026, RB 3972; ECLI:NL:GHARL:2026:514 https://reclameboek.nl/artikelen/taxi-met-reclame-op-taxistandplaats-geen-handelsreclame-sanctie-en-proceskostenvergoeding-in-wahv-procedure

Hof Arnhem-Leeuwaren 30 januari 2026, RB 3972; ECLI:NL:GHARL:2026:514. Op 14 januari 2023 om 01:04 uur werd aan de betrokkene bij inleidende beschikking een bestuurlijke boete van €210,- opgelegd wegens overtreding van artikel 5:4 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Gouda. Hem werd verweten dat hij zonder ontheffing op de Burgemeester Jamessingel in Gouda een voertuig, een taxi, met handelsreclame had geparkeerd met als kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. Uit de verklaring van de verbalisanten bleek dat de taxi voor het NS-station geparkeerd stond met een verlicht transparant op het dak, waarop wisselende afbeeldingen en reclameboodschappen van het taxibedrijf verschenen. De betrokkene erkende het parkeren op de betreffende tijd, datum en plaats. De kantonrechter van de rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van betrokkene op 16 april 2025 ongegrond. Zijn gemachtigde, mr. L.P. Kabel, stelde in hoger beroep dat het voertuig op een taxistandplaats bij het station stond, dat het doel van het parkeren niet het maken van handelsreclame was maar het ophalen van klanten, en dat de verplichte transparanten op grond van artikel 41a RVV 1990 informatie over bestemming of gebruik van het voertuig mochten bevatten.

RB 3969

Afwijzing IE-vorderingen inzake vouwbare oprijplaten

Rechtspraak (NL/EU) 29 jan 2026, RB 3969; ECLI:NL:RBZWB:2025:9811 ([producent A] tegen [producent B]), https://reclameboek.nl/artikelen/afwijzing-ie-vorderingen-inzake-vouwbare-oprijplaten

Rb. Zeeland-West-Brabant 29 januari 2025, IEF 23281; ECLI:NL:RBZWB:2025:9811 ([producent A] tegen [producent B]). In het vonnis van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant vorderde producent A onder meer een verklaring voor recht dat producent B inbreuk maakte op haar auteursrechten op vouwbare oprijplaten met scharnierconstructie, zich schuldig maakte aan slaafse nabootsing en misleidende of vergelijkende reclame, alsmede diverse verboden, rectificatie, terughaal- en vernietigingsmaatregelen en schadevergoeding. De rechtbank toetst het beroep op auteursrecht aan art. 1 en 10 Aw, uitgelegd conform de rechtspraak van het HvJ EU (o.a. Cofemel en Brompton): vereist is dat het voortbrengsel een oorspronkelijk werk is dat het resultaat vormt van vrije en creatieve keuzes. De door producent A aangewezen elementen, het profielpatroon, de handgrepen, het scharnier en het (optionele) kantelbare klepprofiel, acht de rechtbank overwegend technisch of functioneel bepaald. Producent A heeft onvoldoende concreet onderbouwd welke creatieve keuzes daarin tot uitdrukking komen. Ook de combinatie van deze elementen levert geen eigen intellectuele schepping op. De oprijplaat mist daarom het vereiste oorspronkelijk karakter en komt niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking.

RB 3938

P-G: Geen intern regres voor kartelboete tussen moeder- en dochtervennootschap

Rechtspraak (NL/EU) 12 sep 2025, RB 3938; ECLI:NL:PHR:2025:999 (Bencis tegen Dossche), https://reclameboek.nl/artikelen/p-g-geen-intern-regres-voor-kartelboete-tussen-moeder-en-dochtervennootschap

Parket bij de HR 12 september 2025, RB 3938; ECLI:NL:PHR:2025:999 (Bencis tegen Dossche). In deze zaak zijn zowel een dochtermaatschappij als de voormalige moedermaatschappij van die dochter door de ACM beboet voor een inbreuk op het kartelverbod. Bijzonder in deze zaak is dat de boetes volgtijdelijk zijn opgelegd, eerst aan de dochter en pas later aan de voormalig moeder. Meestal wordt de moeder beboet gelijk met de dochter en is er sprake van hoofdelijkheid. Dat is hier niet het geval. Toen de moeder werd beboet, had zij de dochter al verkocht. Bencis, voormalig moedervennootschap van Meneba, vordert vergoeding van een door haar betaalde kartelboete. De ACM had Bencis op grond van parental liability medeaansprakelijk gehouden voor een kartelovertreding door haar toenmalige dochter Meneba. Inmiddels was Meneba eigendom van Dossche. Bencis baseert zich op de onrechtmatige daad, regres en ongerechtvaardigde verrijking. De rechtbank en het hof wezen de vorderingen af. In cassatie bestrijdt Bencis onder meer dat het hof haar geen interne verhaalsmogelijkheid heeft toegekend.