RB

Algemene regels  

RB 4128

Dealer geen contractspartij; geen aansprakelijkheid voor gestelde misleidende handelspraktijk rond zwembad

Rechtspraak (NL/EU) 26 aug 2026, RB 4128; ECLI:NL:RBOVE:2026:5387 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/dealer-geen-contractspartij-geen-aansprakelijkheid-voor-gestelde-misleidende-handelspraktijk-rond-zwembad

Rb. Overijssel 26 augustus 2026, RB 4128; ECLI:NL:RBOVE:2026:5387 ([eiser] tegen [gedaagde]). Een consument had voor de aankoop en plaatsing van een zwembad twee afzonderlijke overeenkomsten gesloten met een zwembadbouwer: een koopovereenkomst en een overeenkomst van aanneming. Hij stelde dat hij ervan mocht uitgaan dat deze zwembadbouwer namens de Nederlandse dealer/importeur van het zwembadmerk handelde, onder meer omdat hij na zijn keuze voor “totaalbouw” door de dealer naar deze partij was verwezen en op de offertes het logo van het zwembadmerk stond. De rechtbank volgt hem daarin niet. Volgens het Kribbebijter-criterium hangt de vraag of iemand in eigen naam of namens een ander handelt af van wat partijen jegens elkaar hebben verklaard en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten afleiden. Uit de door de consument aangevoerde omstandigheden volgt niet dat hij mocht aannemen dat de zwembadbouwer als vertegenwoordiger van de dealer optrad. De offertes waren afkomstig van de zwembadbouwer, de koop- en aanneemsommen werden aan hem betaald en de consument richtte zijn klachten aanvankelijk ook tot hem. Daardoor komt de rechtbank niet meer toe aan de vraag of sprake was van schijn van volmachtverlening in de zin van artikel 3:61 lid 2 BW. Omdat de dealer geen partij was bij de overeenkomsten, wordt ook de gevorderde verklaring voor recht dat zij de precontractuele informatieplicht van artikel 6:230m BW heeft geschonden afgewezen.

RB 4125

Rechtbank Amsterdam bevoegd in Google Shopping-schadezaak; Google NL kan als ankergedaagde dienen

Rechtspraak (NL/EU) 26 aug 2026, RB 4125; ECLI:NL:RBAMS:2026:8656 (Dooyoo c.s. tegen Google c.s.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rechtbank-amsterdam-bevoegd-in-google-shopping-schadezaak-google-nl-kan-als-ankergedaagde-dienen

Rb. Amsterdam 26 augustus 2026, RB 4125; IT 5497; ECLI:NL:RBAMS:2026:8656 (Dooyoo c.s. tegen Google c.s.). Dooyoo c.s. vordert in de hoofdzaak schadevergoeding van verschillende Nederlandse, Amerikaanse en andere buitenlandse Google-vennootschappen wegens het door de Europese Commissie vastgestelde misbruik van machtspositie door Google bij de bevoordeling van haar eigen prijsvergelijkingsdienst Google Shopping. In dit bevoegdheidsincident staat centraal of de rechtbank Amsterdam ook internationaal bevoegd is ten aanzien van de buitenlandse gedaagden. Voor Google NL en Google NL Holdings volgt de internationale bevoegdheid uit artikel 4 Brussel I-bis, omdat zij in Amsterdam zijn gevestigd. Voor de overige in de Europese Unie gevestigde gedaagden beoordeelt de rechtbank de bevoegdheid aan de hand van artikel 8, punt 1, Brussel I-bis en voor de in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten gevestigde gedaagden aan de hand van artikel 7 lid 1 Rv. Daarbij sluit zij aan bij het arrest van het HvJ van 16 april 2026 in de zaken Stroomkabels en Kartonverpakkingen. In het kader van de bevoegdheidsvraag hoeft nog niet definitief te worden vastgesteld dat de ankergedaagde met de andere Google-vennootschappen één economische eenheid vormt. Een prima facie-beoordeling volstaat: voldoende is dat niet is uitgesloten dat zij tot dezelfde onderneming behoren en dat aannemelijk is dat aan de Sumal-criteria is voldaan. Daarvoor moet onder meer een concreet verband bestaan tussen de economische activiteit van de dochtervennootschap en het voorwerp van de mededingingsinbreuk.

RB 4123

Tijdelijke kortingsactie voor borstvergroting in strijd met CCBA

Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 3 sep 2026, RB 4123; https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/tijdelijke-kortingsactie-voor-borstvergroting-in-strijd-met-ccba

RCC 10 augustus 2026, RB 4123; 2026/00344 ((klager tegen COCO Clinic #1). In deze zaak staat een Instagram-post voor borstvergrotingen centraal. In de fotocarrousel wordt prominent geadverteerd met “€ 1000,- korting” in juli en augustus. Daarnaast zijn positieve reviews opgenomen en wordt een gratis persoonlijk adviesgesprek aangeboden. De Reclame Code Commissie oordeelt dat de uiting door de sterke nadruk op de tijdelijke korting en positieve ervaringen van anderen niet primair is gericht op goede informatievoorziening en kwaliteit. Daarmee bevordert de reclame het rationeel gebruik van een medische cosmetische behandeling niet en is zij in strijd met artikel 2 CCBA. De klacht over het gebruik van drie tot vijf jaar oude reviews wordt afgewezen, omdat duidelijk wordt vermeld wanneer deze zijn geplaatst. Ook suggereert de uiting volgens de Commissie niet dat een borstvergroting zonder risico is. Wel ontbreekt het verplichte BIG-registratienummer van de behandelend arts of een verwijzing naar een website waar dit nummer kan worden gevonden. Daarmee is ook artikel 5 CCBA geschonden. De Commissie acht de reclame in strijd met artikelen 2 en 5 CCBA en beveelt de adverteerder, voor zover nog nodig, aan niet meer op deze wijze reclame te maken.

RB 4124

NPB Media schiet tijdelijk tekort door slecht zichtbaar reclamebord; huurovereenkomst blijft in stand

Rechtspraak (NL/EU) 5 jun 2026, RB 4124; ECLI:NL:RBAMS:2026:8617 (NPB Media tegen gedaagden), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/npb-media-schiet-tijdelijk-tekort-door-slecht-zichtbaar-reclamebord-huurovereenkomst-blijft-in-stand

Rb. Amsterdam 5 juni 2026, RB 4124; ECLI:NL:RBAMS:2026:8617 (NPB Media tegen gedaagden). NPB Media vordert betaling van openstaande bedragen uit een overeenkomst voor de huur van een reclamebord voor de duur van vijf jaar. Gedaagden betwisten dat een bindende overeenkomst tot stand is gekomen en stellen dat na ondertekening nog toestemming van de andere vennoten nodig was. De kantonrechter volgt dit verweer niet. De zoon van twee van de vennoten was ten tijde van de ondertekening zelf vennoot van de V.O.F. en kon de V.O.F. aan de overeenkomst binden. Uit het ondertekende document blijkt niet dat de gebondenheid afhankelijk was van nadere toestemming van de overige vennoten. Ook mocht NPB Media het reclamebord plaatsen nadat gedaagden niet op het toegestuurde ontwerp hadden gereageerd. Volgens de toepasselijke algemene voorwaarden mocht NPB Media bij het uitblijven van een reactie een reclamebord met standaardgegevens plaatsen. Het verweer dat gedaagden de algemene voorwaarden feitelijk niet hadden gelezen of met NPB Media hadden doorgenomen, slaagt niet. In de door partijen ondertekende overeenkomst staat dat van de algemene voorwaarden kennis is genomen en dat deze onvoorwaardelijk zijn aanvaard. Omdat dit document een onderhandse akte is, levert het tussen partijen dwingend bewijs op van de terhandstelling van de algemene voorwaarden.

RB 4122

Consument maakt volledige retourzending Zara-bestelling voldoende aannemelijk

Rechtspraak (NL/EU) 19 aug 2026, RB 4122; ECLI:NL:RBNHO:2026:9883 (Alektum tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/consument-maakt-volledige-retourzending-zara-bestelling-voldoende-aannemelijk

Rb. Noord-Holland 19 augustus 2026, RB 4122; ECLI:NL:RBNHO:2026:9883 (Alektum tegen [gedaagdee]). In deze zaak staat de vraag centraal of [gedaagde] voldoende heeft aangetoond dat zij haar volledige Zara-bestelling heeft geretourneerd. Alektum vordert betaling van de koopprijs, maar [gedaagde] stelt dat zij alle artikelen heeft teruggestuurd. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] haar volledige retourzending voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Uit het verzendbewijs en de correspondentie met Klarna en Zara blijkt dat zij tijdig heeft geklaagd over de verwerking van haar retour. Dat Zara later nog artikelen heeft teruggevonden, ondersteunt haar standpunt. Omdat Alektum pas ruim vijf jaar later procedeert en de retour onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, komt het bewijsrisico voor haar rekening. De kantonrechter gaat ervan uit dat de volledige bestelling is geretourneerd en wijst de vordering af. 

RB 4121

Uitspraak ingezonden door Paul Trapman, Ploum.

Europerfumery verboden Coty-merken te gebruiken bij aanbod imitatieparfums

Rechtspraak (NL/EU) 21 aug 2026, RB 4121; ECLI:NL:RBDHA:2026:24110 (Coty c.s. tegen Europerfumery c.s.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/europerfumery-verboden-coty-merken-te-gebruiken-bij-aanbod-imitatieparfums

Rb. Den Haag 21 augustus 2026, IEF 23776; RB 4121; ECLI:NL:RBDHA:2026:24110 (Coty c.s. tegen Europerfumery c.s.). In deze zaak tussen Coty c.s. en Europerfumery c.s. staat het gebruik van verschillende Unie- en Beneluxmerken van Coty bij het online aanbieden van imitatieparfums centraal. Volgens Coty biedt Europerfumery op haar websites imitatieparfums aan met gebruik van haar merken. De merknamen worden daarnaast gebruikt in zoekfilters, waarmee consumenten kunnen zoeken naar parfums waarvoor Europerfumery een imitatievariant aanbiedt, en in de metadata van de websites. Europerfumery verschijnt niet in de procedure. De voorzieningenrechter verleent verstek. Hoewel niet kon worden vastgesteld dat de dagvaardingen in persoon waren betekend, is volgens de rechtbank voldoende aannemelijk dat Europerfumery daarvan tijdig kennis heeft kunnen nemen. Daarbij is onder meer van belang dat de dagvaardingen zijn verzonden naar de op de websites van Europerfumery vermelde e-mailadressen. De rechtbank beoordeelt vervolgens ambtshalve haar internationale bevoegdheid. Voor de vorderingen van Coty B.V. tegen de in Londen gevestigde Europerfumery kan de rechtbank ten aanzien van de ingeroepen Uniemerken een verbod voor de gehele Europese Unie opleggen. Voor de overige Uniemerkvorderingen is de bevoegdheid beperkt tot inbreuken in Nederland. Voor de ingeroepen Beneluxmerken strekt de bevoegdheid zich uit tot de gehele Benelux.

RB 4113

Gefaseerde verkoop elektronisch verhittingsapparaat geldt als verboden reclame

Nederland 6 mrt 2026, RB 4113; ECLI:NL:RBROT:2026:2805 ([eiseres] tegen [verweerder]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gefaseerde-verkoop-elektronisch-verhittingsapparaat-geldt-als-verboden-reclame

Rb. Rotterdam 6 maart 2026, RB 4113; ECLI:NL:RBROT:2026:2805 ([eiseres] tegen [verweerder]). In deze zaak komt [eiseres] op tegen een bestuurlijke boete van € 45.000 wegens overtreding van het reclameverbod uit art. 5 lid 1 Tabaks- en rookwarenwet (Trw). [eiseres] bood een elektronisch verhittingsapparaat via een speciale actie aan voor € 3, waarmee consumenten het apparaat veertien dagen konden uitproberen. Daarna konden zij het apparaat binnen zeven dagen kosteloos retourneren of houden. In dat laatste geval werd 31 dagen na de eerste betaling automatisch het resterende bedrag van € 26 afgeschreven. [eiseres] stelt dat sprake is van een reguliere vorm van gefaseerde koop, namelijk huurkoop, en niet van reclame. De consument betaalt bij behoud van het apparaat immers uiteindelijk hetzelfde bedrag als bij een reguliere aankoop. 

RB 4105

Rechtbank wijst terugbetaling toe na vernietiging wegens gestelde oneerlijke handelspraktijk

Rechtspraak (NL/EU) 14 jul 2026, RB 4105; ECLI:NL:RBOVE:2026:4566 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rechtbank-wijst-terugbetaling-toe-na-vernietiging-wegens-gestelde-oneerlijke-handelspraktijk

Rb. Overijssel 14 juli 2026, RB 4105; ECLI:NL:RBOVE:2026:4566 ([eiser] tegen [gedaagde]). Een consument vordert terugbetaling van € 2.193,61 uit hoofde van een overeenkomst die hij buitengerechtelijk heeft vernietigd op grond van artikel 6:193j lid 3 BW, omdat volgens hem sprake was van een misleidende en agressieve handelspraktijk. Daarnaast vordert hij incasso- en proceskosten. De gedaagde verschijnt niet, zodat verstek wordt verleend. De kantonrechter toetst vervolgens of de vorderingen hem onrechtmatig of ongegrond voorkomen en oordeelt dat dit niet het geval is. De terugbetalingsvordering wordt daarom toegewezen. De kantonrechter geeft daarbij geen uitvoerige inhoudelijke beoordeling van de gestelde misleidende en agressieve handelspraktijk; de toewijzing vindt plaats binnen het beperkte kader van de verstektoets.

RB 4103

P-G: cassatieklachten over resterende koopprijs en beroep op wanprestatie falen

Rechtspraak (NL/EU) 24 nov 1966, RB 4103; ECLI:NL:PHR:1967:AB7141 ([eiser] tegen [verweerder]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/p-g-cassatieklachten-over-resterende-koopprijs-en-beroep-op-wanprestatie-falen

Parket bij de Hoge Raad 6 januari 1967, RB 4103; ECLI:NL:PHR:1967:AB7141 ([eiser] tegen [verweerder]). De zaak betreft een geschil over de koop van een wagen. De koper stelde onder meer dat de verkoper had gegarandeerd dat hij voor een 5-tonsvergunning zou zorgen en dat was afgesproken dat ƒ 3.500 van de koopprijs zou worden ingehouden zolang die vergunning niet was verleend. Daarnaast had de koper zich beroepen op bedrog, dwaling en wanprestatie. Het hof had geoordeeld dat de door de koper ingenomen stelling over een aanvullende overeenkomst en zijn daarmee samenhangende houding onverenigbaar waren met zijn beroep op bedrog, dwaling en wanprestatie en dat hij het daarop gebaseerde „reclamerecht” daarom had verwerkt. Tegen dit oordeel en andere onderdelen van het arrest kwam de koper in cassatie op.

RB 4100

Afdeling bestuursrechtspraak: boete van € 400.000 voor gerichte kansspelreclame aan jongvolwassenen blijft in stand

Rechtspraak (NL/EU) 8 jul 2026, RB 4100; ECLI:NL:RVS:2026:3947 ([appellante] tegen Ksa), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/afdeling-bestuursrechtspraak-boete-van-400-000-voor-gerichte-kansspelreclame-aan-jongvolwassenen-blijft-in-stand

 RvS 8 juli 2026, RB 4100; ECLI:NL:RVS:2026:3947 ([appellante] tegen Ksa). Een vergunninghouder voor kansspelen op afstand krijgt van de Kansspelautoriteit een bestuurlijke boete van € 400.000, omdat zij in de periode van 12 oktober 2021 tot en met 15 maart 2022 gerichte e-mails aan jongvolwassenen heeft gestuurd met informatie over haar kansspelaanbod. Volgens de Ksa is daarmee artikel 2 lid 4, aanhef en onder a, Bwrvk overtreden, dat verbiedt wervings- en reclameactiviteiten voor kansspelen te richten op minderjarigen en jongvolwassenen. De rechtbank Den Haag laat de boete in stand. Zij oordeelt dat vaststaat dat de e-mails rechtstreeks aan jongvolwassenen zijn verzonden en dat daarmee gegeven is dat de reclame op deze groep was gericht. De specifieke inhoud van de e-mails hoeft daarom niet afzonderlijk te worden onderzocht om de gerichtheid vast te stellen. Ook acht de rechtbank de norm voldoende nauwkeurig, duidelijk en ondubbelzinnig en verwerpt zij het beroep op het lex-certa-beginsel.