15 sep 2026,
Driejarige reclameovereenkomst bindend, maar vervroegde opeisbaarheid toekomstige termijnen onvoldoende onderbouwd
Rb. Overijssel 15 september 2026, RB 4171; ECLI:NL:RBOVE:2026:5508 (Cinefox tegen [gedaagde]). Cinefox Bioscoop- en Theater Reclame B.V. heeft een ondernemer aangesproken tot betaling van openstaande bedragen uit een overeenkomst voor het vervaardigen en plaatsen van reclame-uitingen in twee zalen van bioscoop Kinepolis in Enschede. Volgens Cinefox was de overeenkomst op 15 augustus 2024 gesloten voor een periode van drie jaar. De ondernemer stelt daarentegen dat hij slechts een overeenkomst voor één jaar is aangegaan en deze na negen maanden heeft opgezegd. Hij voert aan dat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst en door Cinefox is misleid over de looptijd en de mogelijkheid tot opzegging. Cinefox betwist dit en beroept zich op de ondertekende overeenkomst en haar algemene voorwaarden. Op grond daarvan vordert zij, naast de openstaande betaling voor het eerste jaar, ook de resterende termijnen voor de volledige contractduur. In totaal vordert Cinefox € 4.973,50, vermeerderd met rente en kosten.
De kantonrechter oordeelt dat de ondertekende overeenkomst als onderhandse akte dwingende bewijskracht heeft en dat de ondernemer onvoldoende heeft onderbouwd dat een looptijd van één jaar was overeengekomen of dat hij door Cinefox is misleid. Ook is niet komen vast te staan dat de overeenkomst rechtsgeldig is opgezegd. De overeenkomst geldt daarom voor drie jaar. De kantonrechter wijst de gevorderde toekomstige termijnen echter grotendeels af, omdat uit de overgelegde stukken onvoldoende blijkt dat deze bedragen al opeisbaar zijn geworden. Daarbij overweegt de kantonrechter ten overvloede dat het beding op grond waarvan Cinefox bij een betalingsachterstand onmiddellijk alle toekomstige termijnen kan opeisen, terwijl haar eigen verplichtingen nog voortduren, waarschijnlijk onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:233 onder a BW. De kantonrechter wijst € 847,32 aan hoofdsom en € 127,10 aan buitengerechtelijke incassokosten toe. De ondernemer wordt veroordeeld tot betaling van in totaal € 974,42, vermeerderd met de overeengekomen rente van 1,5% per maand over € 847,32 vanaf 14 april 2026. De proceskosten worden gecompenseerd.
3.7
De kantonrechter heeft de producties die gevoegd zijn bij de dagvaarding bestudeerd, maar heeft hierbij niet de factuur dan wel facturen aangetroffen waarmee de termijnbedragen voor het tweede jaar en derde zijn gefactureerd bij [gedaagde] . Wel wordt door Cinefox in de producties 5b en 5e erop gewezen dat die mogelijkheid zich volgens Cinefox voordoet, maar van een daadwerkelijk factuur van de gehele tweede en derdejaars termijn is de kantonrechter niet gebleken. Uit productie 5e, gedateerd 4 november 2025, is enkel af te leiden dat de tweede termijn van de tweejaarstermijn openstaat, zijnde een bedrag van € 172,17, meer niet. Dit betekent dat voor de vordering van de volledige tweejaarstermijn geen grondslag is aangetroffen in de stukken. Dit geldt ook voor het derde jaar van de overeenkomst.
3.8
Volledigheidshalve overweegt de kantonrechter nog het volgende. Uit de dagvaarding begrijpt de kantonrechter dat Cinefox de overeenkomst niet heeft ontbonden en dat deze dus (kennelijk) blijft voortduren tot de overeengekomen tijdsduur1. Dat betekent dat ook Cinefox zich aan haar verplichtingen met betrekking tot de reclame-uitingen dient te houden. Of Cinefox dat ook doet, is niet duidelijk. De dagvaarding en overige stukken melden hiervoor niets. Bovendien gaat het dan om verplichtingen die voortduren tot september 2027. Indien en voorzover Cinefox de jaartermijnen al in rekening heeft gebracht, zoals al gezegd blijkt dat niet uit de overgelegde producties, dan zou Cinefox op basis van haar algemene voorwaarden al aanspraak kunnen maken op alle termijnen tot het einde van de overeenkomst en daarop bovendien nog aanspraak hebben op een contractuele rente van 1,5% per maand, terwijl haar daartegenover staande verplichtingen nog niet opeisbaar zijn, immers die strekken zich uit over een periode tot september 2027. De kantonrechter is van oordeel dat een dergelijk beding de toets van artikel 6:233 sub a BW waarschijnlijk niet zou kunnen doorstaan. In dit artikel is bepaald dat een beding in de algemene voorwaarden vernietigbaar is indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijdse kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij.
3.9
Indien Cinefox vanwege de niet nakoming van de betalingsverplichting van [gedaagde] de overeenkomst voortijdig zou hebben beëindigd en in verband hiermee schadevergoeding zou hebben gevorderd, zou het oordeel anders kunnen luiden (mits de vordering goed is onderbouwd), maar dat is niet wat in de procedure ter beoordeling voorligt.
3.10
Het voorgaande betekent dat van de vordering een bedrag van € 675,15 + € 172,17 = € 847,32 € aan hoofdsom toewijsbaar is. De gevorderde contractuele rente ad € 395,56 acht de kantonrechter niet toewijsbaar. Cinefox heeft volgens het gestelde in de dagvaarding de rente berekend vanaf 8 mei 2024. Hiervoor ontbreekt elke grondslag aangezien de overeenkomst dateert van 15 augustus 2024. De contractuele rente van 1,5% per maand is wel toewijsbaar vanaf de dag van dagvaarding. Ook dient [gedaagde] incassokosten te vergoeden en wel tot een bedrag van 15% van het verschuldigde bedrag (artikel 9b van de algemene voorwaarden), zijnde een bedrag van € 127,10.