30 jun 2026,
Kopieer citeerwijze ||
Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände tegen JV
HvJ EU: variabele verwerkingskosten hoeven niet in verkoopprijs te worden opgenomen
HvJEU 26 maart 2026, RB 4037; ECLI:EU:C:2026:256 (Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände tegen JV). In deze zaak tussen het Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände (BV) en exploitant van een webwinkel JZ staat de vraag centraal of forfaitaire verwerkingskosten die alleen verschuldigd zijn wanneer de totale waarde van een bestelling onder een minimumbedrag blijft, moeten worden opgenomen in de verkoopprijs van een product in de zin van de Prijsaanduidingsrichtlijn (Richtlijn 98/6/EG). Het Hof oordeelt dat dit niet het geval is, mits deze kosten duidelijk afzonderlijk worden vermeld en de drempel niet zodanig is vastgesteld dat betaling van de kosten in de praktijk onvermijdelijk is. Het Hof legt artikel 2, onder a), van Richtlijn 98/6/EG uit in het licht van zijn eerdere rechtspraak over onvermijdbare en voorzienbare prijsbestanddelen. Daarbij sluit het aan bij de lijn dat alle prijsbestanddelen die noodzakelijkerwijs en voorzienbaar ten laste van de consument komen, in de verkoopprijs moeten zijn opgenomen. JZ bood via zijn webwinkel stofzuigerzakken aan voor € 14,90. Op de productpagina werd vermeld dat de prijs exclusief bijkomende kosten was. Via een afzonderlijke pagina werd toegelicht dat bij bestellingen met een waarde onder € 29 forfaitaire verwerkingskosten van € 3,95 of € 9 in rekening konden worden gebracht, afhankelijk van de totale bestelwaarde. Pas nadat een product aan het winkelmandje was toegevoegd, werden deze kosten zichtbaar indien zij verschuldigd waren. De Duitse consumentenorganisatie BV stelde dat deze werkwijze misleidend was en voerde aan dat de verwerkingskosten onderdeel uitmaken van de verkoopprijs die op grond van Richtlijn 98/6 aan consumenten moet worden getoond. Nadat de rechter in eerste aanleg de vordering had toegewezen en het hof in hoger beroep deze had afgewezen, legde het Bundesgerichtshof een prejudiciële vraag voor aan het Hof van Justitie. Het Hof stelt voorop dat de verkoopprijs in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 98/6 de uiteindelijke prijs is die alle onvermijdbare en voorzienbare prijsbestanddelen omvat die verplicht voor rekening van de consument komen. Dat volgt uit de rechtspraak waarin is geoordeeld dat consumenten direct moeten kunnen beschikken over duidelijke en volledige prijsinformatie om producten eenvoudig te kunnen vergelijken en een weloverwogen aankoopbeslissing te nemen. Volgens het Hof voldoen de in deze zaak aan de orde zijnde verwerkingskosten niet aan dat criterium.
Hoewel zij deel uitmaken van de geldelijke tegenprestatie voor de aankoop, zijn zij niet in alle gevallen verplicht verschuldigd. De consument kan de betaling ervan namelijk vermijden door een bestelling te plaatsen waarvan de totale waarde boven het door de verkoper vastgestelde minimumbedrag uitkomt. Dat geldt ook wanneer daarvoor meerdere of verschillende producten worden besteld. Wel merkt het Hof op dat de nationale rechter moet nagaan of dit in de praktijk daadwerkelijk mogelijk is en of de gekozen drempel de kosten niet feitelijk onvermijdelijk maakt. Het opnemen van dergelijke variabele verwerkingskosten in de verkoopprijs zou volgens het Hof bovendien afbreuk doen aan het karakter van de verkoopprijs als definitieve prijs. Omdat de hoogte van de kosten afhangt van de totale inhoud van de bestelling en dus per consument kan verschillen, zou opname daarvan in de verkoopprijs volgens het Hof het risico meebrengen dat consumenten producten onjuist met elkaar vergelijken. Volgens het Hof zou dat afbreuk doen aan de doelstelling van Richtlijn 98/6 om transparante prijsinformatie te waarborgen en prijsvergelijking te vergemakkelijken. Het Hof acht het daarom verenigbaar met de richtlijn dat dergelijke verwerkingskosten afzonderlijk naast de verkoopprijs worden vermeld. Een duidelijke vermelding van de eventuele toeslag stelt consumenten in staat de verkoopprijs en de bijkomende kosten zelf bij elkaar op te tellen en zo het uiteindelijk te betalen bedrag vast te stellen. Het Hof verwijst in dit verband naar de normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument en overweegt dat deze consument de verkoopprijs en de afzonderlijk vermelde verwerkingskosten bij elkaar kan optellen om het uiteindelijk te betalen bedrag vast te stellen. Het Hof concludeert dat forfaitaire verwerkingskosten die afhankelijk zijn van de totale waarde van de bestelling en alleen verschuldigd zijn wanneer een minimumbedrag niet wordt gehaald, niet onder het begrip "verkoopprijs" vallen. Voorwaarde is wel dat deze kosten duidelijk worden vermeld en dat de minimum bestelwaarde niet zodanig is vastgesteld dat betaling van de verwerkingskosten in de praktijk onvermijdelijk wordt.
30. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht: Artikel 2, onder a), van richtlijn 98/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende de bescherming van de consument inzake de prijsaanduiding van aan de consument aangeboden producten moet aldus worden uitgelegd dat forfaitaire verwerkingskosten die, ten eerste, variëren naargelang het totale bedrag van de bestelling die de koper heeft geplaatst voor het betrokken product alsook, in voorkomend geval, voor andere producten en, ten tweede, uitsluitend verschuldigd zijn wanneer de totale waarde van die bestelling lager is dan een door de verkoper vastgesteld minimumbedrag, niet vallen onder het begrip „verkoopprijs”, voor zover deze kosten duidelijk worden vermeld en dit bedrag niet zodanig is vastgesteld dat de betaling van deze kosten in de praktijk onvermijdelijk is.