RB
Gepubliceerd op dinsdag 9 juni 2026
RB 4021
Rechtspraak (NL/EU) ||
11 mrt 2026
Rechtspraak (NL/EU) 11 mrt 2026, RB 4021; ECLI:NL:RBNHO:2026:2941 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://reclameboek.nl/artikelen/nietigheid-van-opdracht-tot-juridische-dienstverlening-wegens-oneerlijk-en-niet-transparant-kostenbeding

Nietigheid van opdracht tot juridische dienstverlening wegens oneerlijk en niet-transparant kostenbeding

Rb. Noord-Holland 11 maart 2026, RB 4021; ECLI:NL:RBNHO:2026:2941 ([eiser] tegen [gedaagde]). De Rechtbank Noord-Holland wijst de declaratievordering van een professioneel juridisch dienstverlener tegen een consument volledig af. De dienstverlener had de consument bijgestaan in een arbeidsgeschil en bracht uiteindelijk in totaal € 24.396,78 in rekening, waarvan volgens hem € 20.485,81 onbetaald was gebleven. De kantonrechter toetst de overeenkomst ambtshalve aan Richtlijn 93/13/EEG en artikel 6:233 onder a BW, zoals vereist op grond van het Dexia-arrest. Het kostenbeding, een uurtarief van € 125 en facturering op basis van bestede tijd, wordt wel als kernbeding aangemerkt, maar is niet transparant. Het beding gaf de consument namelijk geen reële mogelijkheid om vooraf de totale kosten bij benadering te ramen: er was geen kostenindicatie, geen raming van het voorzienbare of minimale aantal uren, geen urenplafond en in de praktijk ook geen maandelijkse facturatie waardoor de kostenontwikkeling tijdig zichtbaar werd. Dat is in strijd met de transparantie-eisen die het HvJ EU heeft geformuleerd voor uurtariefbedingen bij juridische dienstverlening aan consumenten.

De kantonrechter acht het kostenbeding vervolgens oneerlijk, omdat het evenwicht tussen partijen aanzienlijk ten nadele van de consument verstoorde. Daarbij weegt mee dat de consument zich in een afhankelijke positie bevond in een arbeidsrechtelijk geschil, dat zij vooraf onvoldoende was geïnformeerd over de financiële gevolgen, dat haar was voorgehouden dat de kosten mogelijk door de werkgever zouden worden gedragen en dat zij op basis van de verstrekte informatie geen rekening hoefde te houden met een declaratie van meer dan € 20.000. Het kostenbeding wordt daarom vernietigd. Omdat de overeenkomst zonder dit prijsbeding niet kan voortbestaan en het beding niet mag worden vervangen door een rechterlijke raming of een redelijk loon ex artikel 7:405 BW, heeft de dienstverlener geen aanspraak op betaling. De vordering in conventie wordt afgewezen; in reconventie moet de dienstverlener het reeds betaalde bedrag van € 3.426,70 als onverschuldigd betaald terugbetalen, met wettelijke rente vanaf 11 maart 2026. Ook wordt hij veroordeeld in de proceskosten: € 1.298 in conventie en € 253 in reconventie.

Het kostenbeding is oneerlijk

4.6.

Dat het kostenbeding niet transparant is, betekent nog niet dat het beding ook oneerlijk is. Dat moet de rechter beoordelen aan de hand van alle omstandigheden, waarbij nagegaan moet worden of het vereiste van goede trouw is nageleefd en of sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht in het nadeel van de consument.

4.7.

De kantonrechter stelt daarbij voorop dat de consument zich, door zijn kennisachterstand, bij de totstandkoming van een overeenkomst als de onderhavige in beginsel in een zwakkere positie bevindt dan de professioneel juridisch dienstverlener. Juist in een geval van rechtsbijstand in een arbeidsgeschil zoals in deze zaak waarbij de consument veelal onder tijdsdruk moet handelen en zijn belangen – zoals zijn rechtspositie en inkomenszekerheid – groot zijn, mag van de professioneel juridisch dienstverlener worden verwacht dat hij de consument voorafgaand aan het sluiten van een overeenkomst voldoende duidelijk maakt wat de financiële gevolgen van de overeenkomst zullen zijn.

4.8.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] daar niet aan voldaan. Hij heeft voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst geen indicatie van de (orde van grootte van) de kosten gegeven. Evenmin is gebleken dat hij op andere wijze voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst duidelijke informatie heeft verstrekt over het totaal aan kosten en [gedaagde] duidelijk heeft gemaakt wat de financiële gevolgen van de overeenkomst zouden zijn. Dat hij andere maatregelen heeft genomen om een overschrijding van kosten te voorkomen om op die manier het evenwicht tussen partijen te herstellen is evenmin gebleken. Integendeel, [eiser] heeft ter zitting zelf verklaard dat de opdracht aanvankelijk beperkt was tot onderhandelingen over een vaststellingsovereenkomst en dat hij tegen [gedaagde] daarover heeft gezegd dat deze waarschijnlijk niet langer dan 5 à 10 uur in beslag zou nemen. Ook heeft hij erkend dat hij [gedaagde] – zoals ook blijkt uit de e-mail van 3 februari 2025 – heeft voorgehouden dat in veel gevallen de kosten door de werkgever worden vergoed en dat daarom ook is afgesproken om niet maandelijks te factureren. Hiermee is [gedaagde] een reële mogelijkheid onthouden om zicht te krijgen op de bestede uren en de daarmee gepaard gaande kosten. Bovendien heeft [eiser] zo bij [gedaagde] de (onjuiste) voorstelling van zaken gewekt dat de kosten niet voor haar rekening zouden komen. Zij hoefde op basis van de aan haar verstrekte informatie voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst in elk geval geen rekening te houden met een declaratie van meer dan € 20.000,00.

4.9.

Naar het oordeel van de kantonrechter is gelet op het voorgaande sprake van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen ten nadele van [gedaagde]. Dat [gedaagde] (uiteindelijk) wel haar akkoord heeft gegeven op de declaraties doet aan dit oordeel niet af. Dat akkoord was immers slechts een bevestiging dat de betreffende werkzaamheden zijn verricht. Het betekent niet dat [gedaagde] met het kostenbeding zou hebben ingestemd als zij had geweten dat de kosten zo zouden kunnen oplopen. De kantonrechter oordeelt daarom dat het kostenbeding oneerlijk is.