RB
Gepubliceerd op donderdag 29 oktober 2026
RB 4168
Rechtspraak (NL/EU) ||
10 mrt 2026,
Rechtspraak (NL/EU) 10 mrt 2026,, RB 4168; ECLI:NL:RBDHA:2026:4825 ([eiser] tegen Innova), https://reclameboek.nl/artikelen/rechtbank-stelt-prejudiciele-vragen-over-contractovername-en-consumentenbescherming-bij-overname-klantenbestand-energieleverancier

Rechtbank stelt prejudiciële vragen over contractovername en consumentenbescherming bij overname klantenbestand energieleverancier

Rb. Den Haag 10 maart 2026, RB 4168; ECLI:NL:RBDHA:2026:4825 ([eiser] tegen Innova). Een consument procedeert tegen Innova Energie B.V. naar aanleiding van de overname van het klantenbestand van SEPA Green Energy B.V. Innova nam op 22 december 2021 klanten van SEPA over in het kader van de destijds geldende regelingen voor de leveringszekerheid van elektriciteit en gas. Centraal staat de vraag of bij een vrijwillige overdracht van het klantenbestand ook de bestaande leveringsovereenkomsten, inclusief de daarin opgenomen voorwaarden en tarieven, op de overnemende energieleverancier overgaan. Als dat niet het geval is, rijst de vraag welke rechtsverhouding tussen de nieuwe leverancier en de consument ontstaat en welke betalingsverplichtingen daaruit voortvloeien. Daarbij is ook van belang of bij het ontstaan van een nieuwe overeenkomst de wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen gelden en of sprake kan zijn van een oneerlijke handelspraktijk. In een eerder tussenvonnis had de kantonrechter aangekondigd hierover prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te willen stellen. Nadat partijen op de conceptvragen hebben gereageerd, stelt de kantonrechter de definitieve vragen vast.

De kantonrechter legt zes prejudiciële vragen voor aan de Hoge Raad. Allereerst vraagt hij of uit de voormalige regelingen voor leveringszekerheid of de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid volgt dat de oorspronkelijke leveringsovereenkomsten, dan wel de bestaande voorwaarden en tarieven, overgaan op de nieuwe energieleverancier. Als dat niet het geval is, wil de kantonrechter weten of een nieuwe overeenkomst ontstaat, sprake is van een andere wettelijke rechtsverhouding of dat de energielevering moet worden aangemerkt als ongevraagde levering in de zin van artikel 7:7 lid 2 BW. Ook vraagt hij of onderscheid moet worden gemaakt tussen de eerste dertig dagen na de overdracht, waarin de klant niet naar een andere leverancier kan overstappen, en de periode daarna. Verder wordt de Hoge Raad gevraagd of, indien een nieuwe overeenkomst onder de voorwaarden van de overnemende leverancier tot stand komt, de (pre)contractuele informatieverplichtingen uit artikel 6:230m BW en de voormalige energiewetgeving van toepassing zijn en of de overeenkomst kan worden beschouwd als tot stand gekomen als gevolg van een oneerlijke handelspraktijk als bedoeld in artikel 6:193a BW e.v. Tot slot vraagt de kantonrechter welke gevolgen aan eventuele schendingen van deze verplichtingen kunnen worden verbonden. De kantonrechter geeft hierover nog geen inhoudelijk oordeel en houdt zowel de hoofdzaak als de vrijwaringszaak tussen Innova en de curator van SEPA aan in afwachting van de beantwoording door de Hoge Raad.

De definitieve vragen aan de Hoge Raad

3.11.

De kantonrechter komt tot de volgende vragen aan de Hoge Raad:

1. Volgt uit de tekst, bedoeling en systematiek van artikel 2 lid 5 onder b BLE (oud) en artikel 3 lid 5 onder b BLG (oud), dan wel uit artikel 3:12 en/of 6:248 BW (aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid) dat bij een vrijwillige overdracht van het bestand aan kleinverbruikers in de zogeheten eerste vensterperiode de leveringsovereenkomsten, dan wel de bestaande voorwaarden en tarieven van de oude energieleverancier, op de overnemende leverancier mee overgaan en de overnemende leverancier (derhalve) gebonden is aan die leveringsovereenkomst, dan wel dan wel de bestaande voorwaarden en tarieven van de oude energieleverancier?

2. Als vraag 1 ontkennend moet worden beantwoord, geldt dan na de overdracht aan het bestand aan kleinverbruikers aan de overnemende leverancier dat tussen hen

a) een nieuwe overeenkomst tot stand is gekomen onder de voorwaarden van de overnemende leverancier, waarbij de klant (stilzwijgend) het aanbod tot levering van gas en elektriciteit heeft aanvaard,

of

b) op grond van artikel 2 lid 5 onder b BLE (oud) en artikel 3 lid 5 onder b BLG (oud) en de toelichting daarop een nieuwe overeenkomst tot stand is gekomen op voorwaarden van de overnemende leverancier dan wel een uit de wet (de Besluiten) voortvloeiende vorm van verbondenheid is ontstaan (verbintenissen uit de wet) die inhoudt dat (de leverancier energie levert en) de klant daarvoor betaalt overeenkomstig de tarieven van die leverancier,

of

c) op grond van de redelijkheid en billijkheid tussen hen verbintenissen gelden op grond waarvan de energieleverancier gas en elektriciteit moet leveren aan de klant en de klant een redelijk tarief moet betalen aan de energieleverancier voor de aan hem geleverde gas en elektriciteit,

of

d) sprake is van ongevraagde levering van energie van de overnemende leverancier aan de consument als bedoeld in artikel 7:7 lid 2 BW?

3. Indien geen van de bij vraag 2a) tot en met c) genoemde mogelijkheden van toepassing is, hoe dient de rechtsverhouding tussen de overnemende leverancier en de kleinverbruiker dan te worden gekwalificeerd, en welke daaruit voortvloeiende verplichtingen bestaan dan over en weer?

4. Moet bij de beantwoording van vraag 2 en 3 onderscheid worden gemaakt tussen de eerste periode van dertig dagen na de overdracht van de klant aan de overnemende leverancier – binnen welke periode het de klant verboden is over te stappen naar een andere energieleverancier (of zoveel korter als voor de klant een kortere opzegtermijn geldt) – en de periode daarna?

5. Als sprake is van een nieuwe overeenkomst met de overnemende leverancier onder de voorwaarden van de overnemende leverancier:

a) rusten dan op de overnemende leverancier de (pre)contractuele informatieplichten als bedoeld in artikel 6:230m BW e.v. en/of artikel 95m Elektriciteitswet 1998 (oud) en artikel 52b Gaswet (oud),

en/of

b) moet dit nieuwe contract dan worden beschouwd als te zijn tot stand gekomen als gevolg van een oneerlijke handelspraktijk als bedoeld in artikel 6:193a BW e.v.?

6. Als het antwoord op de vorige vraag ja is, welke gevolgen voor de kleinverbruikers en de overnemende leverancier kunnen er dan worden verbonden aan een eventuele schending van de (pre)contractuele informatieverplichtingen door en/of oneerlijke handelspraktijk van de overnemende energieleverancier?