30 jan 2026
Taxi met reclame op taxistandplaats geen handelsreclame: sanctie en proceskostenvergoeding in Wahv‑procedure
Hof Arnhem-Leeuwaren 30 januari 2026, RB 3972; ECLI:NL:GHARL:2026:514. Op 14 januari 2023 om 01:04 uur werd aan de betrokkene bij inleidende beschikking een bestuurlijke boete van €210,- opgelegd wegens overtreding van artikel 5:4 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Gouda. Hem werd verweten dat hij zonder ontheffing op de Burgemeester Jamessingel in Gouda een voertuig, een taxi, met handelsreclame had geparkeerd met als kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. Uit de verklaring van de verbalisanten bleek dat de taxi voor het NS-station geparkeerd stond met een verlicht transparant op het dak, waarop wisselende afbeeldingen en reclameboodschappen van het taxibedrijf verschenen. De betrokkene erkende het parkeren op de betreffende tijd, datum en plaats. De kantonrechter van de rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van betrokkene op 16 april 2025 ongegrond. Zijn gemachtigde, mr. L.P. Kabel, stelde in hoger beroep dat het voertuig op een taxistandplaats bij het station stond, dat het doel van het parkeren niet het maken van handelsreclame was maar het ophalen van klanten, en dat de verplichte transparanten op grond van artikel 41a RVV 1990 informatie over bestemming of gebruik van het voertuig mochten bevatten.
Het hof oordeelt dat de schermen op het voertuig weliswaar konden worden aangemerkt als handelsreclame in de zin van artikel 1:1 APV, maar dat de cruciale vraag is of de betrokkene zijn voertuig had geparkeerd met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken. Het hof overweegt dat niet elk parkeren van een voertuig met handelsreclame in strijd is met artikel 5:4 APV en dat daarbij relevante factoren zijn: de duur en frequentie van het parkeren en de plaats waar dit geschiedt (verwijzend naar ECLI:NL:GHARL:2018:1904). Gelet op het feit dat het om een taxi ging die op een taxistandplaats bij het NS-station geparkeerd stond en daar ook is staandegehouden, komt het hof tot de conclusie dat de betrokkene zijn voertuig niet met het doel om handelsreclame te maken ter plaatse had geparkeerd. Het hof vernietigt daarom de beslissing van de kantonrechter, verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie en tegen de inleidende beschikking gegrond, vernietigt de sanctiebeschikking en veroordeelde de advocaat-generaal tot restitutie van het gestorte bedrag en tot betaling van €2.134,- aan proceskosten. Bij de proceskostenveroordeling past het hof artikel 13a, tweede lid, Wahv niet toe, omdat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in HR 24 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:985): de rechtsbijstand is verleend op basis van een uurtarief (niet no cure no pay), de proceskostenvergoeding wordt niet aan het kantoor afgedragen, en de procedure is niet zodanig gevoerd dat de vergoeding de redelijke kosten ver overtrof.
9. “De betrokkene erkent dat hij zijn voertuig met aanhangwagen op de onder 1. genoemde tijd, datum en plaats heeft geparkeerd. Het hof stelt vast dat de schermen, die bovenop het voertuig staan, kunnen worden aangemerkt als handelsreclame in de zin van artikel 1:1 van de APV. In geding is de vraag of de betrokkene het voertuig aldaar heeft geparkeerd met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken.”
10. “Niet ieder parkeren van een voertuig dat is voorzien van handelsreclame is in strijd met artikel 5:4 van de APV. Van belang voor de beoordeling van een dergelijke gedraging zijn onder andere: de duur en frequentie van het parkeren en de plaats waar dit geschiedt (vlg. onder meer het arrest van dit hof van 27 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1904). Uit het dossier volgt dat het voertuig, een taxi, op een taxistandplaats geparkeerd stond bij het NS station en dat de betrokkene ter plaatse ook is staandegehouden. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de betrokkene zijn voertuig niet met het doel om handelsreclame te maken ter plaatse heeft geparkeerd.”
11. “Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten met gegrondverklaring van het beroep daartegen de beslissing van de officier van justitie vernietigen, het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond verklaren en die inleidende beschikking vernietigen. Nu de sanctie wordt vernietigd, komen de proceskosten voor vergoeding in aanmerking.”