RB
Gepubliceerd op maandag 4 mei 2026
RB 4007
Rechtspraak (NL/EU) ||
24 apr 2026
Rechtspraak (NL/EU) 24 apr 2026, RB 4007; C/13/785453 ((Agendia tegen Exact Sciences c.s.)), https://reclameboek.nl/artikelen/vordering-tot-verbod-en-rectificatie-van-uitingen-over-ivd-mammaprint-afgewezen

Uitspraak ingezonden door Sophie Wiegant en Thera Adam‑van Straaten, Eversheds Sutherland.

Vordering tot verbod en rectificatie van uitingen over IVD MammaPrint afgewezen

Rb. Amsterdam 24 april 2026, IEF 23530; RB 4007; C/13/785453 (Agendia tegen Exact Sciences c.s.). Exact Sciences, een dochtervennootschap van Genomic Health (tezamen: Exact Sciences c.s.), biedt een in vitro diagnostische test (IVD) aan onder de naam Oncotype DX. Agendia biedt een IVD aan onder de naam MammaPrint. Beide testen ondersteunen de besluitvorming over het al dan niet ondergaan van chemotherapie bij borstkanker. Exact Sciences c.s. vorderde bij dagvaarding van 20 november 2025 in kort geding een verbod op en rectificatie van uitingen van Agendia over MammaPrint wegens vermeend misleidende (vergelijkende) reclame in de zin van Verordening (EU) 2017/746 en de artikelen 6:194 en 6:194a BW. Bij vonnis van 17 december 2025 werden deze vorderingen afgewezen. Onder meer omdat het kort geding zich niet leent voor het beslechten van een wetenschappelijke discussie en spoedeisend belang ontbrak. In een opvolgend kort geding stelde Agendia dat Exact Sciences c.s. in die eerdere procedure zelf onrechtmatige uitlatingen over MammaPrint had gedaan, onder meer door te suggereren dat MammaPrint een risico voor de volksgezondheid zou vormen en dat Oncotype DX aantoonbaar beter presteert dan MammaPrint zonder afdoende wetenschappelijk bewijs.

Agendia vorderde daarom een verbod op dergelijke (misleidende) uitingen, waaronder misleidende vergelijkende reclame in de zin van artikel 6:194a BW, en rectificatie op de homepages van alle door Exact Sciences c.s. gebruikte websites, op straffe van een dwangsom. De voorzieningenrechter overwoog dat partijen in het wetenschappelijke debat over de onderscheiden medische diagnostische testen, maar ook binnen het kader van een gerechtelijke procedure, een ruime uitingsvrijheid toekomt. Vaststond dat de gewraakte uitingen vooralsnog uitsluitend binnen de context van het eerdere kort geding waren gedaan en niet daarbuiten. Dat Exact Sciences c.s. na de sommatiebrief van Agendia weigerde afstand te nemen van die uitingen en aangaf deze standpunten in een eventuele bodemprocedure of bij bevoegde autoriteiten te willen herhalen, was onvoldoende om een reële dreiging van ongeoorloofde vergelijkende reclame in de zin van artikel 6:194a BW aan te nemen. Omdat daardoor geen sprake was van (dreigende) onrechtmatige uitlatingen of ongeoorloofde vergelijkende reclame en Agendia onvoldoende spoedeisend belang had bij de gevorderde voorzieningen, wees de voorzieningenrechter bij vonnis van 24 april 2026 alle vorderingen van Agendia af. Agendia werd veroordeeld in de proceskosten van Exact Sciences c.s., begroot op € 2.101,–, te vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW en nakosten, en de proceskostenveroordeling werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.2 Niet in geschil is dat partijen in het wetenschappelijke debat over de onderscheiden medische diagnostische testen een ruime uitingsvrijheid toekomt. Evenmin is in geschil dat partijen een ruime uitingsvrijheid toekomt binnen het kader van een gerechtelijke procedure, zoals het kort geding waarvan op 3 december 2025 de mondelinge behandeling plaatsvond. Vaststaat dat de uitingen waartegen Agendia zich in dit kort geding verzet voorshands enkel binnen de context van die procedure zijn gedaan en niet daarbuiten.

4.3. Agendia baseert haar spoedeisend belang bij het gevorderde op de omstandigheid dat Exact Sciences c.s. niet wil bevestigen dat zij uitlatingen – die zij in het kort geding van december 2025 heeft gedaan – niet opnieuw zal doen. Daarmee is echter niet zonder meer aannemelijk dat Exact Sciences c.s. die uitingen dreigt te doen, die verder gaan dan in de context van het wetenschappelijke debat of een juridische procedure gerechtvaardigd is. Dat Exact Sciences c.s. heeft geweigerd afstand te nemen van deze uitingen, in de correspondentie tussen partijen na het kort geding van december 2025, maakt dit niet anders.

4.4. Agendia wijst op randnummer 4.11 van de conclusie van antwoord van Exact Sciences c.s. in dit kort geding. Daarin staat (voor zover hier van belang): “(…) Logischerwijs heeft Exact Sciences c.s. in reactie op de sommatiebrief van 18 december 2025 aangegeven dat zij achter haar standpunten staat. Het moet haar immers vrij staan deze standpunten in een mogelijke bodemprocedure of anderszins te kunnen herhalen.” Desgevraagd heeft Exact Sciences c.s. ter zitting toegelicht dat zij met “of anderszins” in deze context bedoelt: het herhalen van haar standpunten bij bevoegde autoriteiten.

4.5. Dit alles maakt dat voorshands niet kan worden aangenomen dat Exact Sciences c.s. uitingen dreigt te doen die kwalificeren als ongeoorloofde vergelijkende reclame in de zin van artikel 6:194a BW (zoals Agendia stelt), of als anderszins onrechtmatig. Bij gebrek aan (spoedeisend) belang zullen de door Agendia gevraagde voorzieningen dan ook worden geweigerd. Bij deze stand van zaken behoeven de over en weer ingenomen standpunten over de juistheid en rechtmatigheid van de bestreden uitingen geen beoordeling. (…)