RB
Gepubliceerd op vrijdag 28 februari 2014
RB 2057
De weergave van dit artikel is misschien niet optimaal, omdat deze is overgenomen uit onze oudere databank.

Vragen aan HvJ EU over directmailproduct

Prejudiciële vragen aan HvJ EU 8 januari 2014, zaak C-23/14 (Post Danmark) - dossier
Machtspositie. Directmail. Verzoekster is in 2007 en 2008 eigendom van de Deense staat en enkele particuliere beleggers. Zij heeft in die tijd een monopolie in de postsector. In 2003 voert zij een ‘directmailproduct’ in waarvoor klanten korting kunnen krijgen op grote partijen post die een uniforme maat hebben en deel uitmaken van een marketingcampagne. De korting schommelde tussen 6 – 16% per jaar.

Bring Citymail is een concurrerende onderneming die zich in de nationale procedure heeft gevoegd aan de zijde van verweerder Konkurrencerad (de Deense ‘mededingingsraad’). Zij is in 2006 opgericht, eigendom van de Noorse staat, en in de hier relevante periode enige concurrent van Post Danmark. Bij besluit van 24 juni 2009 stelt verweerder vast dat Post Danmark in strijd met nationale regelgeving en artikel 82 EG misbruik maakt van een machtspositie op de markt voor de distributie van massamailings door toepassing van getrouwheidversterkende en marktafschermende kortingen voor direct mail zonder in staat te zijn effectiviteitswinsten voor de consumenten aan te tonen die de mededingingsverstorende gevolgen van de korting voor direct mail zouden kunnen compenseren. Verweerder eist dat verzoekster de korting voor direct mail intrekt. Verzoekster doet dat inderdaad maar start meteen een procedure bij de beroepscommissie voor mededingingszaken omdat zij van mening is dat verweerder geen juist beeld van de afschermende werking van de korting geeft en niet alle relevante omstandigheden heeft meegewogen. De beroepscommissie bevestigt echter de eerdere uitspraak, en verzoekster gaat tegen dat besluit in beroep.

Volgens de verwijzende Deense rechter dient met alle omstandigheden rekening te worden gehouden en in het algemeen te worden onderzocht of het litigieuze kortingsysteem een afschermende werking kan hebben die in strijd is met artikel 82 EG. Hij legt het HvJ EU de volgende vragen voor:

1) Op basis van welke richtsnoeren moet worden beslist of de toepassing door een onderneming met een machtspositie van een kortingsysteem met een gestandaardiseerde volumedrempel met de [...] in de verwijzingsbeslissing genoemde kenmerken een misbruik van machtspositie in strijd met artikel 82 EG vormt?
Het Hof wordt verzocht om in zijn antwoord te verduidelijken welke relevantie het heeft voor de beoordeling of de drempel van het kortingsysteem aldus wordt vastgesteld dat het kortingsysteem van toepassing is op de meerderheid van de klanten op de markt. Voorts wordt het Hof verzocht in zijn antwoord te verduidelijken welke eventuele relevantie de prijzen en kosten van de onderneming met een machtspositie hebben voor de beoordeling krachtens artikel 82 EG van een dergelijk kortingsysteem (relevantie van de test van „even efficiënte concurrent”).
Tegelijk wordt het Hof verzocht te verduidelijken welke relevantie de kenmerken van de markt in deze context hebben, met name of de kenmerken van de markt kunnen rechtvaardigen dat uit ander onderzoek en andere analyses dan de test van „even efficiënte concurrent” een afschermende werking op de markt blijkt (zie punt 24 van de mededeling van de Commissie inzake artikel 82).
2) Hoe waarschijnlijk en ernstig moet de mededingingsverstorende werking van een kortingsysteem met de in [...] de verwijzingsbeslissing bedoelde kenmerken zijn voor toepassing van artikel 82 EG?
3) Gelet op het antwoord op de eerste en de tweede vraag, met welke specifieke omstandigheden moet de nationale rechter rekening houden bij de beoordeling of het kortingsysteem in de in de verwijzingsbeslissing beschreven omstandigheden (kenmerken van de markt en het kortingsysteem) zo een afschermende werking op de markt in het specifieke geval heeft of kan hebben dat het misbruik in de zin van artikel 82 EG vormt?
Is in deze context vereist dat de afschermende werking op de markt aanmerkelijk is?