CBb: uitingen over rookvrije alternatieven vallen onder reclameverbod Tabaks- en rookwarenwet
CBb 9 juni 2026, RB 4028; ECLI:NL:CBB:2026:255 (Tabaksfabrikant tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staat). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft geoordeeld dat een advertentie, een webpagina, twitterberichten en een online bijeenkomst van een tabaksfabrikant over zogenoemde rookvrije alternatieven reclame vormen in de zin van de Tabaks- en rookwarenwet (Trw). De minister mocht hiervoor bestuurlijke boetes opleggen. In deze zaak staat de vraag centraal of de uitingen, die volgens de fabrikant bedoeld waren om informatie te verstrekken en deel te nemen aan het maatschappelijke debat over rookvrije alternatieven, moeten worden aangemerkt als reclame voor tabaksproducten of aanverwante producten. De minister stelde zich op het standpunt dat de uitingen de bekendheid met en de afzet van rookvrije alternatieven bevorderen en daarmee in strijd zijn met het reclameverbod van artikel 5 Trw. De rechtbank volgde dit standpunt grotendeels en liet de opgelegde boetes in stand. Het College sluit zich daarbij aan. Het stelt voorop dat de Trw een ruim reclamebegrip kent. Daaronder valt iedere mededeling of handeling in de economische sfeer die tot doel heeft of rechtstreeks dan wel zijdelings tot gevolg heeft dat de verkoop van tabaksproducten of aanverwante producten wordt bevorderd. Volgens het College maken de verschillende uitingen onderdeel uit van een bredere commerciële strategie van de fabrikant om rookvrije alternatieven onder de aandacht te brengen en het gebruik daarvan te stimuleren. Dat daarbij ook aandacht wordt besteed aan gezondheidswinst of schadebeperking, maakt de uitingen niet neutraal of uitsluitend informatief.