HvJ EU: variabele verwerkingskosten hoeven niet in verkoopprijs te worden opgenomen
HvJEU 26 maart 2026, RB 4037; ECLI:EU:C:2026:256 (Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände tegen JV). In deze zaak tussen het Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände (BV) en exploitant van een webwinkel JZ staat de vraag centraal of forfaitaire verwerkingskosten die alleen verschuldigd zijn wanneer de totale waarde van een bestelling onder een minimumbedrag blijft, moeten worden opgenomen in de verkoopprijs van een product in de zin van de Prijsaanduidingsrichtlijn (Richtlijn 98/6/EG). Het Hof oordeelt dat dit niet het geval is, mits deze kosten duidelijk afzonderlijk worden vermeld en de drempel niet zodanig is vastgesteld dat betaling van de kosten in de praktijk onvermijdelijk is. Het Hof legt artikel 2, onder a), van Richtlijn 98/6/EG uit in het licht van zijn eerdere rechtspraak over onvermijdbare en voorzienbare prijsbestanddelen. Daarbij sluit het aan bij de lijn dat alle prijsbestanddelen die noodzakelijkerwijs en voorzienbaar ten laste van de consument komen, in de verkoopprijs moeten zijn opgenomen. JZ bood via zijn webwinkel stofzuigerzakken aan voor € 14,90. Op de productpagina werd vermeld dat de prijs exclusief bijkomende kosten was. Via een afzonderlijke pagina werd toegelicht dat bij bestellingen met een waarde onder € 29 forfaitaire verwerkingskosten van € 3,95 of € 9 in rekening konden worden gebracht, afhankelijk van de totale bestelwaarde. Pas nadat een product aan het winkelmandje was toegevoegd, werden deze kosten zichtbaar indien zij verschuldigd waren. De Duitse consumentenorganisatie BV stelde dat deze werkwijze misleidend was en voerde aan dat de verwerkingskosten onderdeel uitmaken van de verkoopprijs die op grond van Richtlijn 98/6 aan consumenten moet worden getoond. Nadat de rechter in eerste aanleg de vordering had toegewezen en het hof in hoger beroep deze had afgewezen, legde het Bundesgerichtshof een prejudiciële vraag voor aan het Hof van Justitie. Het Hof stelt voorop dat de verkoopprijs in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 98/6 de uiteindelijke prijs is die alle onvermijdbare en voorzienbare prijsbestanddelen omvat die verplicht voor rekening van de consument komen. Dat volgt uit de rechtspraak waarin is geoordeeld dat consumenten direct moeten kunnen beschikken over duidelijke en volledige prijsinformatie om producten eenvoudig te kunnen vergelijken en een weloverwogen aankoopbeslissing te nemen. Volgens het Hof voldoen de in deze zaak aan de orde zijnde verwerkingskosten niet aan dat criterium.