RB
DOSSIERS
Alle dossiers

Energie  

RB 768

NLEnergie: naam, faam, stem, reputatie en portret Froger

Rb. Amsterdam 10 november 2010, LJN BP8979 (De Nederlandse Energie Maatschappij B.V. tegen [A] (red. Natasja Froger), [AA] Showtime Entertainment B.V. & The Talent Company B.V.)
 
Reclamerecht. Civielrechtelijke procedure. Natasja Froger pleegt geen toerekenbare tekortkoming en onrechtmatige daad op grond van gesteld toerekenbaar tekort schieten in de uitvoering van de overeenkomst met NLEnergie Maatschappij (hierna: NLEnergie, in uitspraak NEM) m.b.t. reclame-uitingen waarbij NLEnergie het exclusieve recht werd verleend om in haar reclame-uitingen de naam, faam, stem en reputatie en het portret van gedaagde te gebruiken ten behoeve van de promotie van de diensten van NLEnergie maatschappij (“Ik zeg doen”-campagne). Froger heeft na kritiek op de campagne nieuwe eisen gesteld aan de NLEnergie. De NLEnergie stelt i.c. dat gedaagden hun medewerking aan het vervolg van de campagne hebben geweigerd en eist terugbetaling. O.a. Geen verzuim zonder ingebrekestelling. De vorderingen van NLEnergie worden afgewezen.

2.5.  Bij e-mail van 8 mei 2009 heeft NEM als volgt aan [B] van TTC bericht, voor zover hier relevant:  “(…) Het is bij ons nogal verkeerd gevallen dat jij daags nadien expliciet hebt laten weten dat [A] zich niet meer beschikbaar zou houden voor medewerking aan de nieuwe campagne. Hierdoor waren wij genoodzaakt de voorbereidingen door ons reclamebureau per onmiddellijk on hold te zetten gezien de reeds ingekochte GRP’s met spoed op zoek te gaan naar een nieuw concept en nieuw gezicht voor onze campagne. (…) In het licht van het vorengaande verlangen wij komende week een persoonlijk onderhoud met jou op ons kantoor, waarin de gevolgen van de beëindiging van de overeenkomst met [A] te formaliseren.

(…)

4.1.  Het meest verstrekkende verweer van [A] en Showtime luidt dat zij niet in gebreke zijn gesteld. Dit verweer slaagt. Anders dan NEM stelt, kan haar e-mail van 8 mei 2009 niet als een ingebrekestelling worden aangemerkt. De e-mail bevat immers geen redelijke termijn voor nakoming of een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat de wederpartij voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld, zoals artikel 6:82 BW vereist.
Het betoog van NEM, dat het verzuim is ingetreden zonder ingebrekestelling omdat zij uit de e-mail van 18 augustus 2009 heeft afgeleid dat [A] en Showtime in de nakoming van de overeenkomst zullen tekortschieten, gaat niet op.

[A] heeft ter comparitie toegelicht dat zij bezwaar heeft gemaakt bij NEM in verband met de negatieve berichtgeving over de mediacampagne jegens haar persoon en over de inhoud van die campagne met betrekking tot de laagste prijsgarantie en de call centra. Nadat NEM haar op die punten was tegemoetgekomen, heeft zij steeds haar bereidheid uitgesproken om met NEM te overleggen over het voortzetten van de campagnes. De e-mail van 18 augustus 2009, die een weergave bevat van tussen partijen gemaakte afspraken, is volgens [A] bedoeld als een voorstel tot verdere samenwerking, zoals ook blijkt uit het slot daarvan. Deze toelichting van [A] komt begrijpelijk voor omdat NEM uiteindelijk is tegemoetgekomen aan haar bezwaren. Nu NEM hier niets tegenover heeft gesteld waaruit blijkt dat [A] niet tot verdere medewerking aan de overeenkomst bereid was, wordt het ervoor gehouden dat [A] en Showtime ten onrechte niet in gebreke zijn gesteld. Derhalve is er geen sprake van verzuim, zodat de vordering reeds op die grond zal worden afgewezen.

4.2.  Ook al zou het voorgaande anders zijn, dan geldt dat [A] en Showtime terecht hebben aangevoerd dat de overeenkomst, behoudens met betrekking tot de mediacampagne, voor het overige gewoon is uitgevoerd door middel van prints en billboards en dat [A] haar medewerking daaraan nooit heeft geweigerd. NEM heeft gesteld dat de e-mail van 18 augustus 2009 als een mededeling tot niet-nakoming moet worden gezien, met name wegens de daarin genoemde ingangsdatum van 1 november 2009.

Daartegenover heeft [A] ter comparitie aangevoerd dat NEM op grond van artikel 2.4 van de overeenkomst gehouden is om rekening te houden met haar beschikbaarheid en dat zij tijdig aan NEM heeft bericht dat zij vanwege haar andere activiteiten pas vanaf 1 november 2009 beschikbaar was. Mede gelet op het feit dat de meeste campagnes van NEM omstreeks drie maanden duren, was er aldus voldoende tijd voor de uitvoering van een nieuwe mediacampagne, aldus [A].

Dit verweer is ter comparitie onvoldoende weersproken gebleven, zodat het ervoor wordt gehouden dat van een toerekenbare tekortkoming van [A] en Showtime geen sprake was.

4.3.  Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1. is overwogen, zal de op onrechtmatige daad gebaseerde vordering tegen TTC eveneens worden afgewezen.

Lees het vonnis hier (link) en hier (pdf).

Regeling: 6:82 BW

RB 765

CVB reclame NL Energie blijft oneerlijk, ontoelaatbaar en misleidend

CVB  25 maart 2011, dossiernr. 2011/00075. (vervolg op RB 678 en de uitspraak achter RB 754); ook uitspraak in dossiernr. 2011/00076 (gelijk aan onderstaand oordeel), 2011/00076A (afwijzing klacht door CVB),  2011/00076C (veroordeling CVB)

Reclamerecht. Misleidende en vergelijkende reclame. In een televisiecommercial van NLEnergie wordt gezegd dat een groot Duits energiebedrijf sinds kort eigenaar van Essent is en de voor de overname betaalde 8,5 miljard wil terugverdienen. Op verzoek van Essent heeft de Commissie op 18 februari j.l.  geoordeeld dat de televisiecommercial ten onrechte de indruk wekt dat door de overname van Essent haar tarieven omhoog gaan of zijn gegaan. Ook is de televisiecommercial misleidend nu niet blijkt dat de mededeling “de goedkoopste” specifiek betrekking heeft op een prijsvergelijking met Essent. Later heeft de Commissie een vergelijkbare uitspraak gedaan naar aanleiding van klachten van particulieren.

Grieven: Ten eerste: onvoldoende aannemelijk gemaakt dat overname Essent tot hogere tarieven heeft geleid. Geleverde bewijs niet afdoende betwist. Essent is de duurste geworden van de grootste drie; dus geen oneerlijke reclame. Voldoen aan de eisen art. 13 NRC en vergelijkbare zaak (2007.0474) waarin de klacht is afgewezen. Ten tweede: Ook in 2009 prijsvergelijking en die klachten ook afgewezen. Uitsluitend vergelijking met Essent, geen stelling of suggestie dat NLEnergie goedkoopste is. Consument wordt juist geïnformeerd. Ten derde: Beslissing van de Commissie met betrekking tot de printreclame is gebaseerd op twee onjuiste aannames, die in samenhang bezien tot gevolg hebben dat in de energiiemarkt geen reclame meer voor variabele producten zou worden gemaakt. Prijs van energie is afhankelijk van marktomstandigheden.

College...

...ziet geen grief tegen de overweging dat van de commissie dat de indruk wordt gewekt dat tgv overname de tarieven van Essent omhoog (zijn ge)gaan. Dit is niet zo is bedoeld, echter strookt niet met de uitleg die de gemiddelde consument eraan zal geven (r.o. 5.2). Verder ziet het college geen aanleiding om aan te nemen dat commissie bepaalde stukken of stellingen buiten beschouwing heeft gelaten. Aan dossiernr. 07.0474 ligt een impliciete vergelijking ten grondslag; in dit geval wordt de concurrent uitdrukkelijk genoemd, er is dus sprake van een wezenlijk andere uiting (r.o. 5.3). Daarbij wijzigt jaarlijks de rangorde van goedkoopste aanbieder en dit biedt onvoldoende houvast om de overname van Essent door RWE hieraan schuld te geven. Ook de oliemarktprijzen zijn van belang (r.o. 5.4).

Op grond van het voorgaande is ten onrechte de indruk gewekt dat tengevolge van de overname van Essent door RWE de tarieven van Essent omhoog gaan of zijn gegaan. Situatie is niet onder werkking van 8.2 aanhef en onder d NRC, nu geen sprake is van onjuist informatie over eigen productprijs. Onjuiste en voor Essent negatieve indruk die de tv-commercial wekt (overnamekosten wordt op consument verhaald). Economische gedrag van gemiddelde consument verstoren, strijd met professionele toewijding in de zin van art. 7 en misleidend ex art. 13 aanhef en onder a NRC (r.o. 5.6). De mededeling "de goedkoopste" lijkt op zichzelf te staan, het is geen vergrotende (goedkoper), maar overtreffende trap (goedkoopst). De tag-on vermeld niet dat enkel wordt vergeleken met Essent (r.o. 5.7).

Commissie is uitgegaan van instaptarief, voor nieuwe klanten en een basistarief. Er  dient wel een objectieve vergelijking ex 13 aanhef en onder c NRC plaats te vinden (r.o. 5.10).

Nu NLEnergie in de printreclame geen informatie heeft opgenomen over het feit dat in de prijsvergelijking prijen van haar worden genoemd waaraan een tijdelijke berekeningsmethode ten grondslag ligt die afwijkt van de wijze waarop de prijzen van bestaande klanten worden berekend, en zij niet duidelijk maakt dat ook bij nieuwe klanten na verloop van tijd de prijzen op dezelfde wijze als bij bestaande klanten worden berekend, zijn de hier bedoelde uitingen in strijd met artikel 13 aanhef en onder c NRC. Het College onderschrijft derhalve het gelijkluidende oordeel van de Commissie. Voorts onderschrijft het College het oordeel van de Commissie dat in de reclame ten onrechte een bedrag wordt genoemd dat de consument bespaart door over te stappen naar NLEnergie. Het noemen van een vast en nauwkeurig bedrag dat men gerekend over een jaar kan besparen door over te stappen op het product van NLEnergie is alleen juist indien de tarieven in dat jaar niet wijzigen. Nu vaststaat dat sprake is van variabele, regelmatig wijzigende tarieven, dient de printreclame in zoverre misleidend en daarmee oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC te worden geacht. Voorts is alduss sprake van ongeoorloofde vergelijkende reclaame in de zin van artikel 13 aanhef en onder a NRC.

Lees de uitspraak hier (link), hier (RCC pdf), hier (zuivere pdf) en hier (site RCC pdf) Essent overweegt om een civielrechtelijke schadeclaim in te dienen, zie hier.

Regeling: NRC (nieuw) art. 7, 8.2 onder d, 13 aanhef en onder a, c.

RB 754

RCC Alert NL Energie maatschappij

Zie ook RB 678. RCC zag aanvankelijk geen aanleiding om deze uitspraak onder de aandacht van een breed publiek te brengen (art. 17 17 lid 1 onder h jo. artikel 18 lid 4 van het Reglement ), nu toch een alert: 

Ten onrechte wordt in een televisiecommercial de indruk gewekt dat de kosten van de overname van Essent door het Duitse energiebedrijf RWE worden afgewenteld op de consument.

In een televisiecommercial van NLEnergie wordt gezegd dat een groot Duits energiebedrijf sinds kort eigenaar van Essent is en de voor de overname betaalde 8,5 miljard wil terugverdienen. Op verzoek van Essent heeft de Commissie op 18 februari j.l.  geoordeeld dat de televisiecommercial ten onrechte de indruk wekt dat door de overname van Essent haar tarieven omhoog gaan of zijn gegaan. Ook is de televisiecommercial misleidend nu niet blijkt dat de mededeling “de goedkoopste” specifiek betrekking heeft op een prijsvergelijking met Essent. Later heeft de Commissie een vergelijkbare uitspraak gedaan naar aanleiding van klachten van particulieren.

NLEnergie heeft beroep ingesteld tegen de beslissing(en). Het College bevestigt de beslissing van de Commissie inzake de klacht van Essent. Ook de klachten van de particulieren worden bevestigd voor zover wordt geklaagd dat de televisiecommercial de indruk wekt dat de kosten van de overname van Essent door het Duitse RWE op de klanten van Essent worden afgewenteld. Het College acht het aannemelijk dat de consument door deze onjuiste en voor Essent negatieve indruk die de televisiecommercial wekt ertoe kan besluiten zijn energie voortaan van NLEnergie te betrekken in plaats van Essent. Daardoor heeft NLEnergie gehandeld in strijd met de vereisten van professionele toewijding in de zin van artikel 7 van de Nederlandse Reclame Code en is de televisiecommercial misleidend in de zin van artikel 13 aanhef en onder a van de Nederlandse Reclame Code.

Het College ziet in het feit dat de televisie­com­mercial bij de gemid­del­de consument een - onjuiste - indruk wekt en de nadelige gevolgen die dit voor Essent kan hebben, aanleiding de uitspraak als “Alert” te laten verspreiden, zodat de uitspraak onder de aandacht van een groot publiek worden gebracht.

Voor nadere informatie: Prisca Ancion-Kors (020 3013397) dossiernummer 2011/00075 en 2011/00076/A/B/C (nog ongepubliceerd)

Zie ook hier, en RB 678 en het Reglement betreffende de Reclame Code Commissie en het College van Beroep

RB 729

Overledene heeft niet medegedeeld geen reclame te willen ontvangen

RCC 17 februari 2011, Dossiernr: 2010/00921 (DONG Energy komterugnaarons.nl)

Reclamerecht. Brief aan voormalige klanten met een aanbod om (weer) klant te worden; speciaal aanbod; kijk op de intersite www.komterugnaarons.nl; met persoonlijke videoboodschap waarbij naam voormalig klant verschijnt in video. Brief is gericht aan overleden moeder van klager; kwetsend voor familie. Daarbij inbreuk op privacy (ook voor niet-overledenen), omdat naam online verschijnt. Unieke code; in de brief; schermt video af voor anderen.

Toezending niet zonder meer strijdig met de NRC; geen mededeling ex art. 14 Code Brievenbusreclame gedaan. Code Postfilter nog niet werkzaam; geen toetsing. Afwijzing van de klacht. De unieke code zorgt ervoor dat de reclameboodschap niet toegankelijk is voor derden: Afwijzing van ook deze klacht.

De klacht van klager heeft (met name) betrekking op de door klager als kwetsend ervaren toezending van de brief, met daarin de weblink voor het bekijken van het gewraakte op internet geplaatste filmpje, aan klagers moeder die in mei 2010 is overleden, en is niet primair gericht tegen de inhoud van de gewraakte wervingsbrief en het filmpje. Hoewel de Commissie er begrip voor heeft dat klager onaangenaam kan zijn getroffen door de toezending van de aan zijn moeder geadresseerde brief, is de toezending van de reclame-uiting op zichzelf genomen niet zonder meer strijdig met de Nederlandse Reclame Code (NRC).
 
Niet is gebleken dat klagers moeder op enig moment adverteerder heeft meegedeeld geen geadresseerde reclame te willen ontvangen in de zin van artikel 14 van de Code Brievenbusreclame, huissampling en direct response advertising.
 
Voorts wordt opgemerkt, dat ten tijde van de toezending van de gewraakte uiting (november 2010) de Code Postfilter nog niet in werking was getreden, zodat door de Commissie de correcte naleving door adverteerder van de in de Code Postfilter opgenomen regels met betrekking tot ongevraagde geadresseerde reclamepost niet getoetst kan worden.
 
Gelet op het vorenstaande wordt dit gedeelte van de klacht afgewezen.
 
Voor zover de klacht betrekking heeft op het privacyschendende karakter van de op internet geplaatste reclame-uiting, wordt de klacht eveneens afgewezen. Vast is komen te staan dat in de wervingsbrief een persoonlijke, unieke code is opgenomen die moet worden ingevoerd om het filmpje op internet te kunnen bekijken. De gepersonaliseerde reclameboodschap is daardoor niet voor derden toegankelijk.

Lees de uitspraak hier(link) en hier(pdf).
Regeling: NRC, art. 14 Code Brievenbusreclame, huissampling en direct response advertising; Code Postfilter

Wat meent u, zou onder de Code Postfilter een ander oordeel zijn gekomen? Praat met ons mee op de (gesloten) LinkedIn-groep.