RB
DOSSIERS
Alle dossiers

Oneerlijke handelspraktijken  

RB 4049

Hoge Raad verwerpt principale en incidentele cassatieberoepen in geschil tussen HP en Digital Revolution c.s. met toepassing van artikel 81 RO

Rechtspraak (NL/EU) 10 jul 2026,, RB 4049; ECLI:NL:HR:2026:1249 (HP tegen DR), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hoge-raad-verwerpt-principale-en-incidentele-cassatieberoepen-in-geschil-tussen-hp-en-digital-revolution-c-s-met-toepassing-van-artikel-81-ro

HR 10 juli 2026, IEF 23685; RB 4049; ECLI:NL:HR:2026:1249 (HP tegen DR). In deze zaak tussen HP en Digital Revolution en de overige onder de gezamenlijke aanduiding DR genoemde vennootschappen gaat het volgens de inhoudsindicatie om misleidende handelspraktijken en merkenrecht in verband met de verkoop van inktcartridges zonder originele buitenverpakking. HP stelde principaal cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 april 2025 en DR stelde incidenteel cassatieberoep in. Partijen concludeerden over en weer tot verwerping. Advocaat-generaal G.R.B. van Peursem concludeerde eveneens tot verwerping van beide cassatieberoepen met toepassing van artikel 81 lid 1 RO. De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld en oordeelt dat deze niet tot vernietiging van het arrest van het hof kunnen leiden. Omdat beantwoording van de klachten niet nodig is voor de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, motiveert de Hoge Raad dit oordeel niet nader. Het arrest bevat daarom geen inhoudelijk gemotiveerd oordeel of nieuwe rechtsregel over de merkenrechtelijke en consumentenrechtelijke geschilpunten. Door de verwerping van beide cassatieberoepen blijft het arrest van het hof in stand.

RB 4050

Ziggo-overeenkomst rechtsgeldig vernietigd wegens schending informatieplichten en misleidende omissie

Rechtspraak (NL/EU) 17 jun 2026,, RB 4050; ECLI:NL:RBMNE:2026:3796 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/ziggo-overeenkomst-rechtsgeldig-vernietigd-wegens-schending-informatieplichten-en-misleidende-omissie

Rb. Midden-Nederland 17 juni 2026, RB 4050; IT 5356; ECLI:NL:RBMNE:2026:3796 ([eiser] tegen [gedaagde]). Een bewoner sprak met zijn buurman af dat deze een Ziggo-abonnement voor internet en televisie voor hem zou afsluiten, waarvoor hij maandelijks € 92,50 betaalde. De kantonrechter merkt de buurman aan als handelaar, omdat het zakelijke abonnement was afgesloten op naam van zijn eenmanszaak, waarvan de activiteiten mede bestonden uit IT-dienstverlening, en hij naast de abonnementskosten kosten voor het inboeken en btw doorberekende. Dat de afspraak tussen buren was gemaakt, doet daaraan niet af. Omdat de overeenkomst buiten de verkoopruimte tot stand was gekomen, moest de handelaar vooraf duidelijke en begrijpelijke informatie verstrekken over onder meer de prijs en de wijze van betaling en de overeenkomst vervolgens op papier of, met toestemming, op een andere duurzame gegevensdrager bevestigen. Hij kon niet bewijzen dat hij aan deze verplichtingen had voldaan. Ook had hij onvoldoende duidelijk gemaakt dat het abonnement een looptijd van 36 maanden had, hoe het maandbedrag was samengesteld en dat hij een commercieel oogmerk had. Het weglaten of onduidelijk verstrekken van deze essentiële informatie vormt volgens de kantonrechter een misleidende omissie en daarmee een oneerlijke handelspraktijk.

RB 4038

HvJ EU: misleidende voedselinformatie kan ook onder Richtlijn oneerlijke handelspraktijken vallen

EU 30 jun 2026,, RB 4038; ECLI:EU:C:2026:357 (Lidl tegen AGCM), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-misleidende-voedselinformatie-kan-ook-onder-richtlijn-oneerlijke-handelspraktijken-vallen

HvJ EU 30 april 2026, RB 4038; LS&R 2406; ECLI:EU:C:2026:357 (Lidl tegen AGCM). In deze zaak tussen Lidl Italia en de Italiaanse mededingings- en consumentenautoriteit (AGCM) staat de vraag centraal of een handelaar voor een misleidende voedselinformatiepraktijk zowel kan worden aangesproken op grond van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken (Richtlijn 2005/29/EG) als op grond van Verordening (EU) nr. 1169/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten. Het Hof oordeelt dat beide regelingen naast elkaar kunnen worden toegepast, omdat zij elkaar aanvullen en niet met elkaar in conflict zijn. Aanleiding voor het geschil vormt een bestuurlijke boete van € 1 miljoen die de AGCM aan Lidl Italia heeft opgelegd wegens de verkoop van verschillende pastaproducten. Op de verpakking werd de Italiaanse herkomst van de pasta benadrukt en vermeld dat de tarwe in Italië was gemalen, terwijl de gebruikte durumtarwe afkomstig was uit een mengsel van tarwe uit de EU en van buiten de EU. Volgens de AGCM kon de verpakking bij consumenten de indruk wekken dat ook de grondstof volledig van Italiaanse oorsprong was. Omdat de buitenlandse herkomst van de gebruikte tarwe niet op een vergelijkbare wijze onder de aandacht werd gebracht, achtte de AGCM de verstrekte informatie onvolledig en misleidend ten aanzien van een wezenlijk kenmerk van het product, namelijk de herkomst van de grondstof. Bij de vaststelling van de boete woog de AGCM mee dat miljoenen verpakkingen waren verkocht en dat de praktijk meerdere jaren had voortgeduurd. Lidl betoogt dat uitsluitend Verordening (EU) nr. 1169/2011 van toepassing is op voedselinformatie en dat daarom geen sanctie mocht worden opgelegd op grond van de nationale regels waarmee de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken is omgezet. De verwijzende rechter vraagt het Hof daarom of artikel 3, lid 4, van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken eraan in de weg staat dat dezelfde gedraging onder beide regelingen wordt gesanctioneerd. Het Hof stelt voorop dat de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken een algemene regeling bevat voor oneerlijke handelspraktijken die rechtstreeks verband houden met de verkoop en promotie van producten aan consumenten. Misleidende handelspraktijken omvatten onder meer situaties waarin de gemiddelde consument door de presentatie van informatie wordt misleid over essentiële kenmerken van een product, zoals de samenstelling of geografische herkomst, en daardoor een aankoopbeslissing neemt die hij anders niet zou hebben genomen.

RB 4021

Nietigheid van opdracht tot juridische dienstverlening wegens oneerlijk en niet-transparant kostenbeding

Rechtspraak (NL/EU) 11 mrt 2026,, RB 4021; ECLI:NL:RBNHO:2026:2941 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/nietigheid-van-opdracht-tot-juridische-dienstverlening-wegens-oneerlijk-en-niet-transparant-kostenbeding

Rb. Noord-Holland 11 maart 2026, RB 4021; ECLI:NL:RBNHO:2026:2941 ([eiser] tegen [gedaagde]). De Rechtbank Noord-Holland wijst de declaratievordering van een professioneel juridisch dienstverlener tegen een consument volledig af. De dienstverlener had de consument bijgestaan in een arbeidsgeschil en bracht uiteindelijk in totaal € 24.396,78 in rekening, waarvan volgens hem € 20.485,81 onbetaald was gebleven. De kantonrechter toetst de overeenkomst ambtshalve aan Richtlijn 93/13/EEG en artikel 6:233 onder a BW, zoals vereist op grond van het Dexia-arrest. Het kostenbeding, een uurtarief van € 125 en facturering op basis van bestede tijd, wordt wel als kernbeding aangemerkt, maar is niet transparant. Het beding gaf de consument namelijk geen reële mogelijkheid om vooraf de totale kosten bij benadering te ramen: er was geen kostenindicatie, geen raming van het voorzienbare of minimale aantal uren, geen urenplafond en in de praktijk ook geen maandelijkse facturatie waardoor de kostenontwikkeling tijdig zichtbaar werd. Dat is in strijd met de transparantie-eisen die het HvJ EU heeft geformuleerd voor uurtariefbedingen bij juridische dienstverlening aan consumenten.

RB 4009

Rb Den Haag: de term “glasvezel-kabel(netwerk)’ in de zaak tussen KPN en Ziggo is niet misleidend

Rechtspraak (NL/EU) 15 apr 2026,, RB 4009; ECLI:NL:RBDHA:2026:8997 ((KPN tegen Ziggo)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-de-term-glasvezel-kabel-netwerk-in-de-zaak-tussen-kpn-en-ziggo-is-niet-misleidend

Rb. Den Haag 15 april 2026, RB 4009; IT5270; ECLI:NL:RBDHA:2026:8997 (KPN tegen Ziggo). In deze procedure bij de Rechtbank Den Haag staat de vraag centraal of de wijze waarop Ziggo haar netwerk aanduidt als “glasvezel‑kabel(netwerk)” en haar diensten promoot, misleidend is in de zin van de regels inzake oneerlijke handelspraktijken en vergelijkende reclame. KPN stelt dat Ziggo ten onrechte de indruk wekt dat sprake is van een volledig glasvezelnetwerk en dat consumenten daardoor worden misleid bij de keuze voor een internetabonnement. Daarnaast verwijt KPN Ziggo dat zij haar netwerk en diensten op onjuiste wijze vergelijkt met die van KPN. De rechtbank wijst de vorderingen van KPN af. Zij stelt voorop dat de beoordeling van misleiding plaatsvindt vanuit het perspectief van de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument. Tegen die achtergrond oordeelt de rechtbank dat de aanduiding “glasvezel‑kabel(netwerk)” op zichzelf niet misleidend is. Van belang is dat Ziggo in haar communicatie duidelijk maakt dat het gaat om een hybride netwerk, waarbij glasvezel wordt gecombineerd met een kabelverbinding tot aan de woning. De enkele omstandigheid dat KPN een volledig glasvezelnetwerk aanbiedt, betekent niet dat Ziggo deze terminologie niet mag gebruiken. Ook de door KPN bestreden 97%-claim van Ziggo, inhoudende dat 97% van het internetsignaal via glasvezel en 3% via coax loopt, houdt stand.

RB 3999

Gebrekkige bestelknop leidt tot vernietiging energiecontract, maar wel recht op gedeeltelijke vergoeding door schuld aan identiteitsfraude

Rechtspraak (NL/EU) 13 mrt 2026,, RB 3999; ECLI:NL:RBROT:2026:2641 (Innova tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gebrekkige-bestelknop-leidt-tot-vernietiging-energiecontract-maar-wel-recht-op-gedeeltelijke-vergoeding-door-schuld-aan-identiteitsfraude

Rb. Rotterdam 13 maart 2026, RB 3999; IT 5208; ECLI:NL:RBROT:2026:2641 (Innova tegen [gedaagde]). De kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam heeft geoordeeld dat een via internet gesloten energieovereenkomst vernietigbaar is wegens een ondeugdelijke bestelknop, maar dat de energieleverancier wel recht heeft op een gedeeltelijke vergoeding voor de geleverde energie. De zaak draaide om een overeenkomst tussen Innova Energie en [gedaagde], een consument, die betwistte dat hij de overeenkomst had gesloten en stelde dat sprake was van identiteitsfraude. De kantonrechter verwerpt dit verweer. Voor zover sprake is van identiteitsfraude, komt deze onder de gegeven omstandigheden voor rekening van de consument, nu hij onvoldoende zorgvuldig met zijn persoonsgegevens en bankgegevens is omgegaan.

RB 3997

Handhaving OHP: ACM mocht verzoek afwijzen op prioriteringsgronden

Rechtspraak (NL/EU) 27 mrt 2026,, RB 3997; ECLI:NL:RBROT:2026:3317 (BTV tegen ACM), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/handhaving-ohp-acm-mocht-verzoek-afwijzen-op-prioriteringsgronden

Rb. Rotterdam 27 maart 2025, RB 3997; ECLI:NL:RBROT:2026:3317 (BTV tegen ACM). De Vereniging Bewoners Tegen Vliegtuigoverlast (BTV) had de ACM verzocht op te treden tegen reclame-uitingen rond een woningbouwproject, omdat volgens haar onvoldoende informatie werd verstrekt over omgevingsfactoren zoals geluidsoverlast. Nadat betrokken partijen hun website hadden aangepast, zag de ACM geen aanleiding voor verder onderzoek en wees zij het handhavingsverzoek af.

RB 3994

Prejudiciële vragen gesteld over de etikettering van levensmiddelen (voedingsclaim)

Rechtspraak (NL/EU) 25 nov 2025,, RB 3994; C-758/25 (Molkerei Alois Müller GmbH & Co. KG tegen Wettbewerbszentrale e. V.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/prejudiciele-vragen-gesteld-over-de-etikettering-van-levensmiddelen-voedingsclaim

Prejudiciële vragen gesteld aan Hof van Justitie EU 25 november 2025; RB 3994; IEFbe 4179; C-758/25 (Molkerei Alois Müller GmbH & Co. KG tegen Wettbewerbszentrale e. V.) via MinBuza. Verwerende partij is een producent van het product rijstepap. Op de verpakking van de bekers rijstepap staat dat het product eiwitrijk is, en staat de hoeveelheid gram eiwitten per beker ook los genoemd. Het is de vraag of verweerster met de losse vermelding van de hoeveelheid eiwitten inbreuk heeft gemaakt op de bepalingen van verordening 1169/2011, en haar gedrag bijgevolg een oneerlijke handelspraktijk vormt. De verwijzende rechter vraagt zich af of deze vermelding niet kan worden beschouwd als een toegestane aanvulling op een voedingsclaim, in de zin van artikel 8, lid 1 van verordening 1924/2006 (jo. bijlage).

RB 3996

Overeenkomst terecht ontbonden door beroep op consumentenbescherming

Rechtspraak (NL/EU) 31 mrt 2026,, RB 3996; ECLI:NL:RBAMS:2026:3266 ([eiser] tegen Hi Tronic), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/overeenkomst-terecht-ontbonden-door-beroep-op-consumentenbescherming

Rb. Amsterdam 31 maart 2026, RB 3996; ECLI:NL:RBAMS:2026:3266 ([eiser] tegen Hi Tronic). De rechter oordeelt dat [eiser] een overeenkomst voor de aanschaf van een thuisbatterij rechtsgeldig heeft herroepen, en dat Hi Tronic ten onrechte heeft gesteld dat dit niet mogelijk was. De zaak illustreert de toepassing van consumentenbescherming bij koop op afstand en de grenzen van het beroep op maatwerk. [eiser] werd telefonisch benaderd voor de aanschaf van een thuisbatterij en ondertekende direct een offerte. Tijdens een daaropvolgend huisbezoek gaf hij aan van de koop af te willen zien. Hi Tronic stelde dat herroeping niet mogelijk was en zette [eiser] ertoe aan een tweede, goedkopere overeenkomst te sluiten, waarvoor hij een aanbetaling deed.

RB 3987

HvJEU: ‘alcoholvrije gin’ verboden als benaming voor alcoholvrije drank

EU 13 nov 2025,, RB 3987; ECLI:EU:C:2025:887 (Verband Sozialer Wettbewerb eV tegen PB Vi Goods GmbH), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvjeu-alcoholvrije-gin-verboden-als-benaming-voor-alcoholvrije-drank

Hof van Justitie 13 november 2025, IEF 23401; RB 3947; ECLI:EU:C:2025:887 (Verband Sozialer Wettbewerb eV tegen PB Vi Goods GmbH). Het Hof van Justitie oordeelt dat het op grond van artikel 10 lid 7 van Verordening (EU) 2019/787 verboden is om een alcoholvrije drank aan te duiden als “alcoholvrije gin”. De benaming “gin” is een wettelijke benaming die alleen mag worden gebruikt voor dranken die voldoen aan specifieke productievereisten, waaronder een minimumalcoholpercentage van 37,5% en bereiding met ethylalcohol en jeneverbessen. Het toevoegen van termen als “alcoholvrij” doet aan dit verbod niet af.