RB
DOSSIERS
Alle dossiers

Oneerlijke handelspraktijken  

RB 3997

Handhaving OHP: ACM mocht verzoek afwijzen op prioriteringsgronden

Rechtspraak (NL/EU) 27 mrt 2026, RB 3997; ECLI:NL:RBROT:2026:3317 (BTV tegen ACM), https://reclameboek.nl/artikelen/handhaving-ohp-acm-mocht-verzoek-afwijzen-op-prioriteringsgronden

Rb. Rotterdam 27 maart 2025, RB 3997; ECLI:NL:RBROT:2026:3317 (BTV tegen ACM). De Vereniging Bewoners Tegen Vliegtuigoverlast (BTV) had de ACM verzocht op te treden tegen reclame-uitingen rond een woningbouwproject, omdat volgens haar onvoldoende informatie werd verstrekt over omgevingsfactoren zoals geluidsoverlast. Nadat betrokken partijen hun website hadden aangepast, zag de ACM geen aanleiding voor verder onderzoek en wees zij het handhavingsverzoek af.

RB 3994

Prejudiciële vragen gesteld over de etikettering van levensmiddelen (voedingsclaim)

Rechtspraak (NL/EU) 25 nov 2025, RB 3994; C-758/25 (Molkerei Alois Müller GmbH & Co. KG tegen Wettbewerbszentrale e. V.), https://reclameboek.nl/artikelen/prejudiciele-vragen-gesteld-over-de-etikettering-van-levensmiddelen-voedingsclaim

Prejudiciële vragen gesteld aan Hof van Justitie EU 25 november 2025; RB 3994; IEFbe 4179; C-758/25 (Molkerei Alois Müller GmbH & Co. KG tegen Wettbewerbszentrale e. V.) via MinBuza. Verwerende partij is een producent van het product rijstepap. Op de verpakking van de bekers rijstepap staat dat het product eiwitrijk is, en staat de hoeveelheid gram eiwitten per beker ook los genoemd. Het is de vraag of verweerster met de losse vermelding van de hoeveelheid eiwitten inbreuk heeft gemaakt op de bepalingen van verordening 1169/2011, en haar gedrag bijgevolg een oneerlijke handelspraktijk vormt. De verwijzende rechter vraagt zich af of deze vermelding niet kan worden beschouwd als een toegestane aanvulling op een voedingsclaim, in de zin van artikel 8, lid 1 van verordening 1924/2006 (jo. bijlage).

RB 3996

Overeenkomst terecht ontbonden door beroep op consumentenbescherming

Rechtspraak (NL/EU) 31 mrt 2026, RB 3996; ECLI:NL:RBAMS:2026:3266 ([eiser] tegen Hi Tronic), https://reclameboek.nl/artikelen/overeenkomst-terecht-ontbonden-door-beroep-op-consumentenbescherming

Rb. Amsterdam 31 maart 2026, RB 3996; ECLI:NL:RBAMS:2026:3266 ([eiser] tegen Hi Tronic). De rechter oordeelt dat [eiser] een overeenkomst voor de aanschaf van een thuisbatterij rechtsgeldig heeft herroepen, en dat Hi Tronic ten onrechte heeft gesteld dat dit niet mogelijk was. De zaak illustreert de toepassing van consumentenbescherming bij koop op afstand en de grenzen van het beroep op maatwerk. [eiser] werd telefonisch benaderd voor de aanschaf van een thuisbatterij en ondertekende direct een offerte. Tijdens een daaropvolgend huisbezoek gaf hij aan van de koop af te willen zien. Hi Tronic stelde dat herroeping niet mogelijk was en zette [eiser] ertoe aan een tweede, goedkopere overeenkomst te sluiten, waarvoor hij een aanbetaling deed.

RB 3987

HvJEU: ‘alcoholvrije gin’ verboden als benaming voor alcoholvrije drank

EU 13 nov 2025, RB 3987; ECLI:EU:C:2025:887 (Verband Sozialer Wettbewerb eV tegen PB Vi Goods GmbH), https://reclameboek.nl/artikelen/hvjeu-alcoholvrije-gin-verboden-als-benaming-voor-alcoholvrije-drank

Hof van Justitie 13 november 2025, IEF 23401; RB 3947; ECLI:EU:C:2025:887 (Verband Sozialer Wettbewerb eV tegen PB Vi Goods GmbH). Het Hof van Justitie oordeelt dat het op grond van artikel 10 lid 7 van Verordening (EU) 2019/787 verboden is om een alcoholvrije drank aan te duiden als “alcoholvrije gin”. De benaming “gin” is een wettelijke benaming die alleen mag worden gebruikt voor dranken die voldoen aan specifieke productievereisten, waaronder een minimumalcoholpercentage van 37,5% en bereiding met ethylalcohol en jeneverbessen. Het toevoegen van termen als “alcoholvrij” doet aan dit verbod niet af.

RB 3983

Rechtbank Amsterdam: volledige eliminatie van beide misbruikselementen bepalend voor schadeberekening in Google Shopping-zaak

Rechtspraak (NL/EU) 5 nov 2025, RB 3983; ECLI:NL:RBAMS:2025:8356 (Wolfson tegen Google), https://reclameboek.nl/artikelen/rechtbank-amsterdam-volledige-eliminatie-van-beide-misbruikselementen-bepalend-voor-schadeberekening-in-google-shopping-zaak

Rb. Amsterdam 5 november 2025, RB 3983; IT 5146; ECLI:NL:RBAMS:2025:8356 (Wolfson tegen Google). Dit tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam gaat over een follow-on schadeprocedure naar aanleiding van het besluit van de Europese Commissie over misbruik van machtspositie door Google [IT 4618]. De Commissie had vastgesteld dat Google haar eigen productvergelijkingsdienst (Google Shopping) systematisch bevoordeelde ten opzichte van concurrerende diensten. Dit besluit is inmiddels definitief bevestigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarmee de inbreuk en de onrechtmatigheid vaststaan. In deze procedure vordert Wolfson Capital Limited schadevergoeding, gebaseerd op aan haar gecedeerde vorderingen van de productvergelijkers Compare en Kieskeurig. De procedure bevindt zich in de fase van schadebegroting. Centraal staat de vraag welk hypothetisch scenario zonder inbreuk (de counterfactual) moet worden gehanteerd om de schade te bepalen. De kern van het geschil is of bij dit scenario beide elementen van het door de Commissie vastgestelde misbruik moeten worden weggedacht, of slechts één. Het misbruik bestond uit een combinatie van twee praktijken: (i) de prominente en gunstige weergave van Google Shopping in de zoekresultaten en (ii) de minder gunstige rangschikking van concurrerende productvergelijkers door middel van algoritmes. Wolfson stelt dat beide elementen moeten worden geëlimineerd om een reëel beeld te krijgen van de situatie zonder inbreuk. Google betoogt daarentegen dat het volstaat om slechts één element weg te denken, en dat verschillende alternatieve scenario’s denkbaar zijn waarin haar gedrag deels gehandhaafd blijft.

RB 3937

HR verwerpt cassatieberoep in zaak over printercartridges

Rechtspraak (NL/EU) 7 nov 2025, RB 3937; ECLI:NL:HR:2025:1663 (Digital Revolution tegen Google), https://reclameboek.nl/artikelen/hr-verwerpt-cassatieberoep-in-zaak-over-printercartridges

HR 7 november 2025, RB 3937; ECLI:NL:HR:2025:1663 (Digital Revolution tegen Google). Deze zaak gaat over reclame-uitingen over printercartridges via Google Shopping. Na een zoekopdracht naar bepaalde types printercartridges vertoonde Google Shopping onder meer een mededeling van de website www.prindo.nl (geëxploiteerd door Media Concept), met daarbij een vermelde prijs en de knop “Site bezoeken”. Een klik op deze knop bracht de bezoeker op een bij prindo.nl ingerichte ‘landingspagina’, waar de genoemde cartridge tegen de op Google Shopping getoonde prijs te koop was. Er gold daarbij een restrictie tot één exemplaar per bestelling per klant. Bij een direct bezoek aan prindo.nl kon hetzelfde type printercartridge worden besteld, maar tegen een andere (hogere) prijs en zonder de restrictie tot één exemplaar per bestelling per klant. Digital Revolution, de partij achter 123inkt.nl en concurrent van Media Concept, betoogt in de parallelle procedure dat Media Concept zich met deze handelwijze schuldig maakt aan een oneerlijke handelspraktijk (art. 6:193a e.v. BW), aan misleidende reclame (art. 6:194 BW) en aan ongeoorloofde vergelijkende reclame (art. 6:194a BW). In deze procedure heeft zij Google, aanbieder van Google Shopping, vanwege dezelfde feiten in rechte betrokken. Het hof heeft geoordeeld dat geen sprake is van misleiding en dus evenmin van een oneerlijke handelspraktijk of van misleidende reclame. Ook het betoog dat sprake zou zijn van ongeoorloofde vergelijkende reclame heeft het hof verworpen. De P-G acht het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk of in strijd met het recht. De conclusie van de P-G strekt tot verwerping van het cassatieberoep [RB 3933].

RB 3933

P-G Hartlief: Google Shopping-vermelding niet misleidend

Rechtspraak (NL/EU) 12 sep 2025, RB 3933; ECLI:NL:PHR:2025:986 (Digital Revolution tegen Google), https://reclameboek.nl/artikelen/p-g-hartlief-google-shopping-vermelding-niet-misleidend

Parket bij de Hoge Raad 12 september 2025, IT 4985; RB 3933; ECLI:NL:PHR:2025:986 (Digital Revolution tegen Google). De Procureur-Generaal Hartlief concludeert tot verwerping van het cassatieberoep van Digital Revolution (123inkt) tegen Google. De zaak gaat over Google Shopping-vermeldingen voor printercartridges van Prindo/Media Concept: in Google Shopping verschijnt een prijs met de knop “Site bezoeken”; wie doorklikt, komt op een Prindo-landingspagina waar die prijs geldt, maar met de beperking “maximaal 1 per bestelling per klant”; bij een rechtstreeks bezoek aan prindo.nl is de prijs hoger en ontbreekt die restrictie. Het hof oordeelt, en de P-G volgt dat oordeel , dat de in Google Shopping getoonde prijs op zichzelf niet misleidt, omdat de consument via de doorklik die prijs daadwerkelijk kan betalen en de essentiële beperking direct vóór het bestelbesluit zichtbaar is. Dat Google Shopping als medium geen plaats biedt voor alle details weegt mee; essentiële informatie mag op de landingspagina worden gegeven, mits tijdig vóór het besluit tot kopen. Klachten over misleidende handelspraktijken (art. 6:193a e.v. BW), misleidende reclame (art. 6:194 BW) en ongeoorloofde vergelijkende reclame (art. 6:194a BW) falen daarom. Volgens de P-G ondersteunt het dossier bovendien dat hier feitelijk sprake is van toegestane prijsdifferentiatie en dat de consument, desgewenst, meerdere stuks kan afnemen door de handeling te herhalen, zodat geen “prijslokker” ontstaat die het economische gedrag onrechtmatig beïnvloedt.

RB 3911

Geen automatische kwalificatie van koppelverkoop als oneerlijke handelspraktijk onder EU-recht

14 nov 2024, RB 3911; C-646/22 (Compass Banca tegen Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato), https://reclameboek.nl/artikelen/geen-automatische-kwalificatie-van-koppelverkoop-als-oneerlijke-handelspraktijk-onder-eu-recht

HvJ EU 14 november 2024, RB 3911; Zaak C-646/22 (Compass Banca tegen Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato). Tussen 2015 en 2018 bood Compass Banca in Italië persoonlijke leningen aan, vaak gecombineerd met verzekeringsproducten die geen direct verband hielden met de lening. Hoewel de verzekering niet verplicht was, werd deze structureel samen met de lening aangeboden. De Italiaanse mededingingsautoriteit, Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato (“AGCM”), opende in 2018 een onderzoek om te beoordelen of deze praktijk "oneerlijk" was in de zin van Richtlijn 2005/29 betreffende oneerlijke handelspraktijken (hierna: de Richtlijn). Compass deed meerdere toezeggingen tot aanpassingen maar de AGCM achtte deze onvoldoende zolang Compass weigerde een bedenktijd in te voeren. In 2019 concludeerde de AGCM dat Compass een "agressieve" en dus "oneerlijke" handelspraktijk had toegepast door de feitelijke koppeling van lening en verzekering. Er werd een boete opgelegd van 4,7 miljoen euro. Compass ging in beroep, maar verloor dit. De zaak ligt nu bij de hoogste Italiaanse bestuursrechter. Compass stelt dat de AGCM zonder concreet bewijs uitging van een agressieve praktijk en haar ten onrechte de bewijslast oplegde om het tegendeel aan te tonen. De AGCM betoogt daarentegen dat Compass de keuzevrijheid van consumenten heeft beperkt, doordat onvoldoende duidelijk werd gemaakt dat de verzekering optioneel was. De verwijzende rechter legde het Hof vijf vragen voor. Ten eerste vraagt hij of het begrip “gemiddelde consument” in de Richtlijn moet worden geïnterpreteerd in het licht van inzichten over beperkte rationaliteit en cognitieve beïnvloeding, waarmee rekening zou moeten worden gehouden bij de beoordeling van handelspraktijken. Daarnaast vraagt hij of een praktijk waarbij de presentatie van informatie voor de consument de indruk wekt geen keuze te hebben (framing), automatisch als “agressief” of “misleidend” kan worden aangemerkt. Ook wordt gevraagd of nationale autoriteiten een bedenktijd mogen opleggen bij koppelverkoop van financiële producten. Daarnaast is de vraag of artikel 24(3) van Richtlijn 2016/97 over verzekeringsdistributie zich tegen zulke maatregelen verzet. Tot slot rijst de vraag of de bewijslast onterecht bij de handelaar wordt gelegd wanneer een praktijk zonder concreet bewijs als agressief wordt aangemerkt.

RB 3855

Reclame-uiting met eenmalig aanbod is niet toegestaan omdat belangrijke informatie is weggelaten

Nederland 27 aug 2024, RB 3855; (Klager tegen adverteerder), https://reclameboek.nl/artikelen/reclame-uiting-met-eenmalig-aanbod-is-niet-toegestaan-omdat-belangrijke-informatie-is-weggelaten

RCC 27 augustus 2024, RB 3855; 2024/00309 (Klager tegen adverteerder). In geschil is een door adverteerder aan klager gedane reclame-uiting. Daarin doet adverteerder de mededeling dat zij van een derde partij een registratieverzoek heeft ontvangen voor de domeinnaam van klager, maar met een andere extensie (.com). Adverteerder benadrukt daarbij dat voortzetting van het registratieverzoek (negatieve) gevolgen kan hebben voor het bedrijf van klager, nu de overeenkomst tussen de domeinnamen de klanten van klager kan verwarren. Adverteerder doet klager daarom een eenmalig aanbod om in plaats van de derde partij de domeinnaam op te kopen. Klager vindt de uiting agressief en misleidend; deze klacht slaagt. Adverteerder noemt in de bestreden uiting niet wie de derde partij is en de uiting bevat geen enkel bewijs van het registratieverzoek. Doordat adverteerder deze informatie - al dan niet doelbewust - niet aan de consument verstrekt, wordt de consument aangetast in zijn vermogen om een geïnformeerd besluit te nemen over de ¨eenmalige aanbieding¨ in de uiting. De druk die adverteerder vervolgens uitoefent is aan te merken als ongepaste beïnvloeding.

RB 3854

Jumbo wordt op de vingers getikt voor misleidende reclame

Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 22 aug 2024, RB 3854; (Jumbo), https://reclameboek.nl/artikelen/jumbo-wordt-op-de-vingers-getikt-voor-misleidende-reclame

RCC 22 augustus 2024, RB 3854; 2024/00319 (Jumbo). Naar aanleiding van een klacht heeft de Reclame Code Commissie geoordeeld dat Jumbo misleidende reclame maakt binnen haar fysieke winkels. De klacht betrof een bordje waarop stond dat een bepaald product weer verkrijgbaar was voor een lagere prijs dan voorheen, waarbij de indruk werd gewekt dat de prijs niet meer omhoog zou gaan (zie de advertentie hieronder). Maar na verloop van twee maanden was de prijs alweer gestegen met bijna 7 procent. Volgens Jumbo is dit gerechtvaardigd omdat de gemiddelde consument zal begrijpen dat haar verkoopprijzen afhankelijk zijn van wijzigende inkoopprijzen, waar Jumbo geen invloed op heeft. Toen de prijs in dit geval weer omhoog is gegaan heeft Jumbo het bordje uit haar winkels laten weghalen. Eén bordje is echter per ongeluk blijven staan waardoor de prijs van de aanbieding niet langer overeenkwam met de daadwerkelijke winkelprijs. Inmiddels heeft Jumbo besloten dat de prijzen van dergelijke aanbiedingen voortaan voor een periode van drie maanden zullen vaststaan in plaats van twee. Met deze ‘lange’ termijn zou de klant niet worden misleid. De Commissie wil er echter niks van hebben: volgens haar is de uiting op zichzelf, ongeacht de geplande termijn, misleidend. Door een prijs te adverteren als “niet tijdelijk” terwijl die in feite tijdelijk is, kan Jumbo de gemiddelde consument tot een besluit brengen dat hij anders niet had genomen. De reclame-uiting wordt dan ook in strijd met artikel 7 NRC geacht en mag niet meer door Jumbo worden gebruikt.