Noot Transavia / EUclaim
P.G.F.A. Geerts, Noot onder Vzr. Rb. Zutphen 13 oktober 2011 (Transavia/Euclaim). Eerder gepubliceerd in IER 2012/12 (p. 90-96). - persbericht 13 oktober 2011, RB 1153
Welke regels zijn van toepassing op misleidende mededelingen en wie kunnen bij overtreding van die regels daarop een beroep doen?
1. Met de uitkomst van deze procedure kan ik goed leven, met de gevolgde weg niet. Inmiddels is het drie jaar geleden dat de OHP-regels op 15 oktober 2008 in werking zijn getreden (afdeling 6.3.3A), maar het blijkt nog steeds lastig te zijn de consequenties van de invoering van die regels te overzien. De onderhavige procedure bewijst dat weer eens.
(...)16. Over de gevolgen van de invoering van de OHP-regels is het laatste woord nog lang niet gesproken. Niet alleen het antwoord op de vraag wie zich rechtstreeks op art. 6:193a-j BW kunnen beroepen zal de gemoederen nog wel even bezig blijven houden, maar bijvoorbeeld ook de vraag of het slaafs nabootsen van andermans product een handelspraktijk is in de zin van art. 193a lid 1 onder d BW (zie nr. 6). Als ik het goed zie dan zou dat best eens het geval kunnen zijn. Wellicht dat het Hof van Justitie in het Lego-arrest in r.o. 61 een vingerwijzing heeft gegeven dat de bescherming tegen slaafse nabootsing door de Richtlijn OHP inmiddels inderdaad Europees geharmoniseerd is. Ik ken in ieder geval één Europese uitspraak waarin de rechter het slaafs nabootsen van een product via de nationale OHP-regels heeft verboden.
17. Indien door de Richtlijn OHP de bescherming tegen slaafse nabootsing inderdaad Europees is geharmoniseerd, dan moeten wij ons goed realiseren dat niet meer de Hoge Raad de hoogste (uitleg)rechter is, maar het Hof van Justitie. Het slaafse nabootsingsrecht heeft dan een Europese dimensie gekregen en het zal interessant zijn om te zien welke regels het Hof van Justitie uit de door de Hoge Raad in de afgelopen zestig jaar geformuleerde slaafse nabootsingsleer ‘zal volgen’. Op 25 april 2012 zal tijdens een symposium onder meer aan deze kwestie aandacht besteed worden. Ik kijk daar met veel belangstelling naar uit.
Bijdrage ingezonden door Ebba Hoogenraad,
Mag een rechtbank bij ontbreken van een omzettingsbepaling en tegen de achtergrond van artikel 11, lid 2, van
Met samenvatting van Bart Van den Brande en Emilie Willems,
prejudiciële vragen van de Okresný súd Prešov (Slowakije)
Oneerlijke handelspraktijk en de bijzondere sanctie van artikel
Klager heeft op de website van VakantieVeilingen.nl geboden op een veiling van een sauna-arrangement van Sauna de Veluwe. Hierbij werd een waardebon van € 24,50 aangeboden bij een volgend saunabezoek. De waardebon bleek echter een vrijkaartje te zijn voor een tweede persoon bij een volgend bezoek. Dit blijkt niet uit het aanbod. De waardebon is daarom niet duidelijk en daardoor misleidend.
Als randvermelding. Goodwill. Concurrentie. Duurovereenkomsten. Slijterijketen Gall & Gall is vrij om naast de Nationale Slijtersbon een cadeaubon te verkopen, die alleen in de eigen winkels kan worden ingeleverd. Laagdrempelige regeling omvat de verplichting om na opzegging de slijtersbon nog gedurende 18 maanden in te wisselen. Misbruik van haar machtspositie maakt door een concurrerende bon te introduceren en daarmee DNS uit te markt te drukken en voorts dat Gall & Gall op onrechtmatige wijze profiteert van de goodwill van DNS.
Zoals aangekondigd zal op dinsdag 1 november a.s. zal bij gelegenheid van de najaarsvergadering van de Vereniging voor Reclamerecht weer een studiemiddag plaatsvinden met de titel: