RB
DOSSIERS
Alle dossiers

Berichten Reclamerecht  

RB 1575

Reguliere presentatie van een mobiel verkooppunt van sigaretten

CBB 22 november 2012, LJN BY7506 (Philip Morris B.V. tegen Minister van VWS)

Er is geen sprake van een reguliere presentatie als bedoeld in artikel 5, derde lid, aanhef en onder b, van de Tabakswet, wanneer een mobiel verkooppunt op evenementen wordt ingezet en dat dit verkoop punt "een futuristisch vormgegeven metallic grijze caravan met een groot bord met het woord "Cigarettes" betreft. Het verbod op tabaksreclame uit artikel 5 lid 1 van de Tabakswet is onverminderd van toepassing. Er is geen aanleiding om terug te komen op eerdere uitspraken van het College. Geen strijd met rechtszekerheidsbeginsel of vertrouwensbeginsel.  Vanwege overschrijding van de redelijke termijn met iets meer dan 8 maanden overschreden, leidt dit (in lijn met het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2008, LJN BD0191), tot een matiging van de boetes met 30%, zij het met een maximum van € 7.500,- per boete.

Onder het reclameverbod bij evenementen vallen volgens de rechtbank niet alleen, zoals appellante heeft gesteld, mobiele verkooppunten die “raar”of “stuntachtig” zijn. Weliswaar is deze caravan grijs van kleur en niet, zoals vroeger in de kleur rood van het eigen product Marlboro, maar de gehele uitstraling van het verkooppunt is van dien aard, dat de aandacht van het publiek gevestigd wordt op dit verkooppunt van sigaretten.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever heeft beoogd rare stuntachtige verkoopmethoden tegen te gaan. De door het College gehanteerde “supermarktnorm” strekt volgens appellante verder dan dat. Daarmee wordt echter niet het verbod op tabaksreclame beperkt in de zin die appellante bedoelt. De gehele uitstraling van het verkooppunt door het gebruik van een futuristisch vormgegeven metallic grijze caravan met daarboven op hoog niveau een groot bord met het woord “Cigarettes” boven een afbeelding van een brandende sigaret is van dien aard dat de aandacht van het publiek is gevestigd op dit verkooppunt van sigaretten.

5.1. (...) Het College ziet geen aanleiding om thans terug te komen van het in voornoemde uitspraken van 20 december 2007 en 16 september 2008 gegeven oordeel over de strekking en reikwijdte van de in artikel 5, derde lid, aanhef en onder b, van de Tabakswet neergelegde uitzondering op het reclameverbod. Het standpunt van appellante dat dit oordeel zich niet verdraagt de wetgeschiedenis wordt niet onderschreven. Appellante heeft betoogd dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat alleen rare stuntachtige methoden verboden zijn. Het College overweegt dat de woorden “rare stuntachtige methoden” in de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 2000-2001, 26 472, nr. 7, p. 22) niet in dat verband worden gebezigd. De wetgever heeft deze terminologie gebruikt om aan te geven dat met het toestaan van een reguliere presentatie rare stuntachtige methoden kunnen worden voorkomen. Daarmee wordt echter niet het verbod op tabaksreclame beperkt in de zin die appellante bedoelt. Appellante geeft met haar stelling naar het oordeel van het College op dit punt blijk van een te beperkte en onjuiste uitleg van het verbod op tabaksreclame en de hierop toegestane uitzondering.
5.3  Ten aanzien van de bepaalbaarheid van de in artikel 5, derde lid, aanhef en onder b, van de Tabakswet in samenhang bezien met de in het eerste lid van dat artikel neergelegde verbodsnorm heeft het College in voornoemde uitspraken geoordeeld dat de in deze bepaling geformuleerde norm voldoende concreet duidelijk maakt welke gedragingen met betrekking tot de presentatie van tabaksproducten zijn toegestaan en daarmee tevens welke gedragingen op grond van het eerste lid van dat artikel verboden en beboetbaar zijn. Voorts heeft het College in die uitspraken geoordeeld dat deze norm degene tot wie zij is gericht voldoende in staat stelt zijn gedrag daarop af te stemmen. Het College ziet geen aanleiding op dit punt thans anders te oordelen. Het standpunt van appellante dat de norm in strijd is met het lex certa beginsel en de minister door hantering van deze norm in strijd met de rechtszekerheid heeft gehandeld, kan dan ook niet worden gevolgd.
5.3  Het College ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het tijdens de evenementen van 11 juni 2005, 23 juli 2005 en 28 januari 2006 gebruikte mobiele verkooppunt als een reguliere presentatie als bedoeld in artikel 5, derde lid, aanhef en onder b, van de Tabakswet kan worden aangemerkt.
Het College is van oordeel dat geen sprake is van een sobere uitstalling van verpakkingen van tabaksproducten die niet verder strekt dan nodig is om aan te tonen welk tabaksproduct voor welke prijs wordt verkocht. Daartoe wordt overwogen dat de gehele uitstraling van het verkooppunt door het gebruik van een futuristisch vormgegeven metallic grijze caravan met daarboven op hoog niveau een groot bord met het woord “Cigarettes” boven een afbeelding van een brandende sigaret van dien aard is dat de aandacht van het publiek is gevestigd op dit verkooppunt van sigaretten. Voorts worden de tabaksproducten door de aandachttrekkende elementen aan de binnen- en buitenzijde van de caravan zodanig gepresenteerd dat deze presentatie als geheel op een met het reclameverbod onverenigbare wijze de aandacht van het aanwezige publiek op te koop aangeboden tabaksproducten vestigt. Daarbij moet onder meer worden gedacht aan de indirect verlichte wand met aan beide zijden de aanduiding “cigarettes”. Voorts speelt mee dat de tabaksproducten van onder de toonbank werden verkocht en daaruit volgt dat de schappen en de doorzichtige lade in de balie als presentatie dienden. Gelet op de door de minister overgelegde foto’s, volgt het College, evenals de rechtbank, appellante niet in haar standpunt dat de producten uitsluitend zichtbaar waren in de toonbank en in twee kleine schappen en daarmee slechts voor personen in het verkooppunt.
Het standpunt van appellante dat de rechtbank in strijd met het verbod op reformatio in peius heeft gehandeld, snijdt geen hout. Genoemd verbod heeft betrekking op de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure en niet op afzonderlijke overwegingen die tot die uitkomst leiden.
5.4  Het College komt op grond van het vorenstaande tot de conclusie dat met betrekking tot het onderhavige verkooppunt geen sprake is van een reguliere presentatie en dat het in artikel 5, eerste lid, van de Tabakswet neergelegde verbod op elke vorm van tabaksreclame daarop onverminderd van toepassing is. Het College is van oordeel dat de wijze van presenteren van de te koop aangeboden tabaksproducten ten doel heeft de verkoop van die producten te bevorderen, dan wel daaraan bekendheid te geven of het aan te prijzen. Appellante heeft dan ook in strijd met het hierbedoelde verbod op tabaksreclame gehandeld. De ontkenning van appellante dat sprake is van bevordering van de verkoop van tabaksproducten, brengt het College niet tot een ander oordeel.
RB 1574

Uitdrukkingen wekken de indruk dat het om Viagra gaat

Vz. RCC 4 december 2012, dossiernr. 2012/00981 (The Natural Blue Pill)

Indruk wekken dat het om het UR-geneesmiddel (en ingeschreven merk) Viagra. Misleidende reclame. De uiting suggereert dat de blauwe pil dezelfde uitwerking heeft als Viagra, terwijl dat voor de prijs die ervoor wordt gevraagd onmogelijk is. De samenstelling van de pil wordt niet gegeven, maar de blauwe kleur verwijst zonder meer naar Viagra.

Door uitdrukkingen als “Dit is die kleine blauwe pil waar iedereen over praat!”, “ …uw uitgelezen kans om die kleine blauwe pil in de privacy van uw huist te testen…” en “Normaal betaalt u tot wel 50 euro voor slechts 4 pillen van 100 mg! Voor een beperkte tijd kunt u ze nu bestellen voor minder dan 12 euro voor 10 pillen!”, wordt  naar het oordeel van de voorzitter de indruk gewekt dat het gaat om het uitsluitend op voorschrift verkrijgbare geregistreerde geneesmiddel Viagra.

Naar het oordeel van de voorzitter wordt door bovengenoemde uitdrukkingen een product, dat lijkt op een door een bepaalde fabrikant vervaardigd product, op een zodanige wijze gepromoot dat bij de consument doelbewust de verkeerde indruk wordt gewekt dat het product inderdaad door die fabrikant is vervaardigd, terwijl zulks niet het geval is. Naar het oordeel van de voorzitter is de re­cla­me derhalve misleidend in de zin van artikel 8.5 NRC in verbinding met punt 16 van de bij artikel 8.5 behorende bijlage 1. Dit im­pliceert dat de reclame-uiting ook oneerlijk is in de zin van arti­kel 7 NRC.

RB 1573

Strafvorderingsrichtlijnen reclamesleepvliegers

Richtlijn voor strafvordering en feitomschrijvingen luchtvaartwetgeving - Nummers L 450 – L 454: Regeling reclamesleepvliegen, Stscrt. 2012, nr. 26 823.

Feitnr.
Omschrijving
Artikel
Tarieftekst
Bos Polaris punten
O

L 359

overig circuitverkeer hinderen binnen een luchtverkeerscircuit tijdens een vlucht verband houdend met het aanhaken of afwerpen van een reclame sleepnet

9 onder b. RSLC jo. 10 en 27 LVR ivm 5.5 Wlv

 
 
 
45
23
 
*

L 360

gevaar veroorzaken voor overig circuitverkeer binnen een luchtverkeerscircuit tijdens een vlucht verband houdend met het aanhaken of afwerpen van een reclame sleepnet

9 onder b. Reg. stand. luchtverkeerscircuits jo. 10 en 27 LVR ivm 5.5 Wlv

dagvaarden i.v.m. ontzegging

 
 
*
*
 

Regeling reclamesleepvliegen

 
 
 
 
 
 
 
 
O

L 450

een reclamesleepvlucht uitvoeren op zondag

3 Regeling reclamesleepvliegen ivm 76, eerste lid onder e LVW

 
 
 
45
23
 
O

L 451

een reclamesleepvlucht uitvoeren boven de bebouwing van de stad Amsterdam, Utrecht, Rotterdam of Den Haag op maandag t/m vrijdag tussen 08.00 uur en 18.00 uur lokale tijd

4 onder a Regeling reclamesleepvliegen ivm 76, eerste lid onder e LVW

 
 
 
45
23
 
O

L 452

een reclamesleepvlucht uitvoeren boven de bebouwing van de stad Amsterdam, Utrecht, Rotterdam of Den Haag op zaterdag tussen 10.00 uur en 18.00 uur lokale tijd

4 onder b Reg. reclamesleepvliegen ivm 76, eerste lid onder e LVW

 
 
 
45
23
 
O

L 453

een reclamesleepvlucht uitvoeren boven Nederland tot 200 meter buiten de kustlijn beneden een hoogte van 425 meter (maar niet lager dan de voorgeschreven VFR -vlieghoogte)

7 Reg. reclamesleepvliegen ivm 76, eerste lid onder e LVW

 
 
 
45
23
 
O

L 454

een reclamesleepvlucht uitvoeren boven Nederland tot 200 meter buiten de kustlijn beneden een hoogte van 425 meter (lager dan de voorgeschreven VFR- vlieghoogte)

7 Regeling reclamesleepvliegen ivm 76, eerste lid onder e LVW

 
 
 
71
45
 
 
RB 1572

“Extra vaak van genieten”, is aanmoediging extra consumeren

Vz. RCC 4 december 2012, dossiernr. 2012/00998 (Unox rookworst 30 % minder vet)

Het betreft een advertentie in het blad Allerhande voor “Unox Extra Magere Rookworst”. In de advertentie staat onder meer: “Extra magere rookworst. Extra vaak genieten. Het wordt weer stamppotweer! En daar wil je natuurlijk extra vaak van genieten. Daarom is er nu de nieuwe Unox Extra Magere Rookworst met maar liefst 30% minder vet*. (…) Daar kun je dus extra vaak van genieten!”

Er wordt de indruk gewekt dat men, doordat de rookworst extra mager is en 30% minder vet bevat, extra vaak van de rookworst kan genieten. Dat wekt onjuiste verwachtingen. Men zou kunnen denken dat men nu twee of drie keer zo vaak kan genieten. De indruk wordt gewekt dat dit niet slecht voor de gezondheid is omdat er minder vet in de rookworst zit. Dat is niet juist.

Het verweer betreft de woorden “extra vaak genieten”, dat stimuleert geen frequentere con­sump­tie van rookworsten, maar promoten het frequenter mogen genieten. Het gaat om een eenmalig geplaatste advertentie.

De voorzitter is van een ander oordeel, de consument die in navolging van deze oproep “extra vaak” het aangeprezen product op het menu zet, per saldo meer van dat product gaan consumeren dan het vergeleken voedingsmiddel met het oorspronkelijke, hogere, vetgehalte, reeds omdat dat voedingsmiddel minder frequent op het menu stond.  
De reclame-uiting is op grond van het voorgaande in strijd met artikel 7 RVV. Hieraan doet niet af dat in dit artikel over energetische waarde wordt gesproken en in de reclameuiting over een verlaagd vetgehalte. De gemiddelde consument zal de uitdrukkelijke verwijzing in de reclame uiting naar het verlaagde vetgehalte in enige mate associëren met een lagere energetische waarde.

Daarom acht voorzitter de bestreden reclame-uiting in strijd met het bepaalde in artikel 7 RVV. De voorzitter beveelt adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

RB 1571

Vertrouwensbreuk en misleidende reclames, alstublieft niet meer doen

Verslag van een algemeen overleg frequentiebeleid, Kamerstukken II 2012/13, 24 095, nr. 327.

Misleiding over onbeperkt internet (RB 1532). Ook de andere telecombedrijven hebben niet bepaald hun best gedaan om de ontstane vertrouwensbreuk ook richting de consument enigszins te herstellen. Denk aan de dagenlange storing bij Vodafone eerder dit jaar en aan T-Mobile, die ondanks een waarschuwing van de Reclame Code Commissie blijft doorgaan met misleidende reclames over onbeperkt internet. Vooral dit laatste vindt de PVV een kwalijke zaak, omdat hierdoor nietsvermoedende consumenten bedrogen uitkomen. Immers, van onbeperkt internet is geen sprake meer als je aan een limiet gebonden bent. Bij overschrijding wordt je limiet teruggeschroefd tot bijna nul. Als je terugleest dat T-Mobile er vanaf komt met een advies van de Reclame Code Commissie «alstublieft niet meer doen», dan voel je je als klant toch wel besodemieterd. Welke mogelijkheden heeft de minister dan ook om hiertegen op te treden en is hij bereid om ervoor te zorgen dat misleide klanten van T-Mobile kosteloos onder hun abonnement uit kunnen?

Mevrouw Klever zei dat in de reclame van T-Mobile wordt gesproken over onbeperkt internet, terwijl het in werkelijkheid niet onbeperkt is. Het is heel goed dat wij de Consumentenautoriteit hebben, waar kan worden geklaagd als er sprake is van misleidende reclame, wat natuurlijk altijd het geval kan zijn. Als er een onderzoek wordt ingesteld, kan er worden gecorrigeerd. De wijze waarop er wordt gecorrigeerd, is aan de toezichthouder. Dat moet effectief zijn; men moet er niet harder ingaan dan nodig is. Er is dus een aparte autoriteit die toezicht houdt op reclame-uitingen en zo nodig corrigerend optreedt. Op initiatief van de Kamer, naar ik begreep van de heer Verhoeven, zijn twee gedragscodes vastgesteld die gericht zijn op meer transparantie. De eerste gedragscode betreft het mobieledatagebruik: er wordt vooraf inzicht gegeven in de hogere kosten bij het gebruik van mobiele data buiten de bundel en er wordt een waarschuwings-sms gestuurd. De heer De Liefde zei dat het heel mooi is dat het nu gebeurt voor nieuwe klanten, maar dat het heel goed zou zijn als het ook voor oude klanten gebeurt. Ik vind het heel goed dat die waarschuwings-sms wordt gestuurd. Het is een verbetering. Ik ben het met hem eens dat dit ook voor de bestaande klanten betekenis kan hebben. De contracten van bestaande klanten duren een à twee jaar. Als dat contract vervalt en opnieuw wordt afgesloten en als er maar iets verandert in de voorwaarden, wordt zo'n contract, en dus de klant, als nieuw aangemerkt. Dan gaat de regeling voor nieuwe klanten ook voor die klant gelden. Ik vind dit antwoord van mij niet 100% bevredigend. Ik zal dat punt nog eens wat aandacht geven in de komende tijd en bezien in welke mate op een redelijke wijze wordt omgegaan met bestaande klanten die op de een of andere manier hun contract verlengen. Ik heb nu niet de indruk dat er sprake is van een groot probleem, omdat heel veel mensen switchen. Bovendien hoeft er maar iets te veranderen en je bent al een nieuwe klant. Alle nieuwe klanten krijgen die sms al, dus ik denk dat het redelijk geregeld is. Ik houd dit wel in de gaten, want ik vind het een interessant punt.

Mevrouw Klever (PVV): De minister zegt dat de Consumentenautoriteit moet optreden, maar T-Mobile is nu op de vingers getikt door de Reclame Code Commissie. Is de Consumentenautoriteit hiervan op de hoogte gesteld en, zo ja, door wie? Heeft zij ook een onderzoek gestart? Wat is de status?

Minister Kamp: Mevrouw Klever spreekt over een samenloop tussen de Reclame Code Commissie en de Consumentenautoriteit. Ik kan haar vraag nu niet goed beantwoorden. Ik zal het nagaan en de Kamer erover informeren.

(...)

Bij het vaste netwerk gaat het echt om de internetsnelheid. Dankzij de gedragscode die de Kamer heeft laten vaststellen, komt er informatie over die factoren die de daadwerkelijke internetsnelheid beïnvloeden. Heb je bijvoorbeeld een aansluiting via de koperkabel, dan is het interessant om te weten hoe ver jouw koperverbinding reikt en hoe ver je van het glasvezel af zit. Nog interessanter is het om te weten hoe het precies zit met de snelheid. De heer De Liefde vroeg ook naar de kwantitatieve informatie. Dit soort dingen moeten wij echt Europees regelen. Het is heel slecht als Nederland een alleingang organiseert. Dat kost ons veel energie en wij lopen het risico dat wij iets organiseren wat vervolgens net iets anders vanuit Europa op komst is. Als Europa niets doet en het echt urgent is, moeten wij zelf iets doen. De Europese Commissie is hier echter mee bezig. Zij komt in het voorjaar van 2013 met een aanbeveling, waarin zij aangeeft hoe de richtlijn moet worden geïnterpreteerd. Dan kunnen wij bekijken of wij onze wet zodanig kunnen toepassen dat die aanbeveling wordt geëffectueerd. Als het nodig is om onze wet aan te passen om die aanbeveling te kunnen effectueren, zullen wij dat zeker niet nalaten. Ik ben van plan om op de kortst mogelijke termijn en op de beste manier – dat is volgens mij via die aanbeveling – ervoor te zorgen dat die kwantitatieve informatie zo spoedig mogelijk in het nieuwe jaar beschikbaar komt.

De heer De Liefde (VVD): Ik dank de minister voor de helderheid. Volgens mij speelt hier het dilemma, vooruitlopend op datgene wat vanuit Europa komt, van de marketing van de telecommunicatieaanbieders en de daadwerkelijk gerealiseerde snelheden. Er zit een spanningsveld tussen en er zijn heel veel factoren per aansluiting die de uiteindelijke snelheid kunnen beïnvloeden. Is de minister bereid om met de aanbieders in overleg te treden dat zij niet meer louter vanuit marketingoogpunt communiceren wat de optimale snelheden zouden zijn in de optimale situatie? De optimale snelheid en de snelheid in de praktijk verschillen heel veel van elkaar. Ik heb sterk de indruk dat consumenten zich daardoor regelmatig enigszins teleurgesteld voelen door de daadwerkelijke snelheden, om het eufemistisch te zeggen.

(...)

Mevrouw Klever (PVV): Voorzitter. Ik zal het kort houden. Dank aan de minister voor de beantwoording van de vragen.
De minister heeft gezegd dat hij de Kamer nog informeert over de stappen die de Consumentenautoriteit heeft genomen of gaat nemen om misleidende reclames van T-Mobile te stoppen. Ik wil benadrukken dat de functieomschrijving «Economische Zaken» ook consumentenbescherming behelst. Ik vraag de minister daarom, te zorgen dat gedupeerde consumenten kosteloos onder hun abonnementen uit kunnen komen.

(...)

Minister Kamp: Voorzitter. Dank voor de reacties van de woordvoerders.

Mevrouw Klever vraagt nogmaals naar T-Mobile, die in advertenties dingen heeft gezegd die zij niet correct vindt. Ze zegt dat daartegen moet worden opgetreden en dat de contracten van mensen die er volgens haar zijn ingetuind automatisch moeten kunnen vervallen. Ik kan daar niet dieper op ingaan dan ik al heb gedaan. Ik geloof niet dat ik mij als minister van EZ hiermee moet bemoeien. Als er reclame-uitingen zijn gedaan die niet goed zijn, wordt een bedrijf daarin gecorrigeerd door de regels die daarvoor zijn. Het bedrijf heeft zich vervolgens vanaf dat moment anders te gedragen. Als mensen ergens op gereageerd hebben en ze dat zij achteraf liever niet hadden gedaan, moet dat individueel tussen die mensen en het bedrijf worden afgewikkeld. Ik geloof niet dat ik daar als minister tussen moet zitten. Voor zover er moet worden gecorrigeerd, wil ik dat overlaten aan de toezichthouders die daarvoor zijn.

RB 1569

Invulling begrip 'Dal Voordeeluren' door NS anders dan door de gemiddelde consument

Vz. RCC 27 november 2012, Dossiernr. 2012/00942 (Dalvoordeel)

De bestreden reclame-uiting in de email van de NS: “Dal Voordeel. Bestellen kan nog tot 16 oktober! Met een Dal Voordeel abonnement heeft u altijd 40% korting als u incheckt in de daluren en in het weekend. (…) U heeft nog 7 dagen om het extra voordelig te bestellen.  De voordelen:
- Altijd 40% korting in de daluren én in het hele weekend
- Inclusief gratis persoonlijke OV-chipkaart t.w.v. €7,50
- 40% Samenreiskorting voor medereizigers na 9.00 uur ’s ochtends en in het weekend de hele dag.” Daaronder een button: 'Bestel nu'.
 
Volgens de klager wil NS met deze campagne NS/reizigers met een oud voordeelurenabonnement overhalen om op het nieuwe 'Dal Voordeel Abonnement' over te stappen. Met dit nieuwe abonnement vervalt de korting tussen 16:00 en 18:30, maar dat wordt niet vermeld. In de uiting wordt, zo blijkt uit het verweer, een nieuw soort abonnement aangeprezen. Daarbij wordt de term ‘daluren’ gebruikt, zonder nadere aanduiding van de uren die daarmee worden bedoeld.

De voorzitter is van mening dat de gemiddelde consument de term ‘daluren’ kent als een aanduiding van de gehele periode na 9.00 uur ‘s ochtends. In de onderhavige uiting wordt echter een andere invulling aan deze term gegeven, hetgeen tot verwarring kan leiden. De gemiddelde consument zou ertoe gebracht kunnen een transactie te nemen, dat hij anders niet zou hebben genomen. Om die reden is de uiting misleidend. De voorzitter beveelt de adverteerder niet meer op dergelijke wijze reclame te maken. 

Het voorgaande impliceert dat de consument moet worden geïnformeerd over de wijze waarop het begrip ‘daluren’ wordt uitgelegd ten aanzien van het Dal Voordeel abonnement in de onderhavige uiting, om te voorkomen dat bij hem onjuiste verwachtingen worden gewekt omtrent het voordeel waarop hij op grond van het abonnement recht heeft. Deze in­for­matie is essentieel in de zin van artikel 8.3 aanhef en onder c van de Nederlandse Recla­me Code (NRC). Adverteerder kan aan deze mededelingsplicht op eenvoudige wijze uitvoering geven door mee te delen naar welke uren het begrip ‘daluren’ specifiek verwijst. Het voor de reclame ge­bruikte medium (email) biedt daarvoor voldoende ruimte. De enkele verwijzing ‘Alles over Dal Voordeel’ is onvoldoende om de gemiddelde consument attent te maken dat de korting geldt voor een beperktere periode. Bovendien wordt de consument vóór deze verwijzing de gelegenheid geboden om het Dal Voordeel abonnement direct te bestellen via de button ‘Bestel nu’, zonder dat hij wordt gewezen op de reikwijdte van de daluren.

Nu in de uiting deze informa­tie ont­breekt, is sprake van een omis­sie als bedoeld in artikel 8.3 aanhef en onder c NRC. Voorts is de voorzitter van oordeel dat de gemiddelde consument hierdoor ertoe gebracht zou kunnen worden een besluit over een transactie te nemen, dat hij anders niet zou hebben genomen. Om die reden is de uiting misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC.

De beslissing van de voorzitter

Op grond van het voorgaande acht de voorzitter de reclame-uiting in strijd met het bepaalde in artikel 7 NRC. De voorzitter beveelt adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

RB 1567

D-Day voor gezondheidsclaims

Vanaf nu (14 december) moeten levensmiddelen extra op hun tellen passen. Gezondheidsclaims zijn alleen nog toegestaan voor ingrediënten die tot de gelukkige 222 behoren, te vinden op de lijst met toegelaten ‘artikel 13-gezondheidsclaims van de Europese Commissie (hier). Die omschrijvingen zijn zo ingewikkeld dat een marketeer daar hartstikke ongelukkig van wordt. Wat moet je met de vage zin ‘biotine draagt bij aan een psychologische functie? Gelukkig heeft de levensmiddelen- en gezondheidsbranche een Nederlandse een lijst met bewoordingen gemaakt waar we wel veel beter mee uit de voeten kunnen. Die lijst is afgestemd met NVWA die toeziet op de naleving van de Claimsverordening. Ook andere formuleringen mogen, zolang het maar hetzelfde betekent … Verder is er inmiddels een Richtsnoerdocument dat wat licht in de duisternis geeft (zie www.koagkag.nl/).

De KOAG/KAG kan desgevraagd vrijblijvend pre-copy advies geven of een copy-clearance voor teksten van verpakkingen of andere reclame-uitingen. De NVWA zal bij twijfel contact opnemen met KOAG/KAG in plaats van de adverteerder.
De Levensmiddelenbranche is in druk overleg met NVWA over de precieze vorm van zelfregulering ten aanzien van gezondheidsclaims.

Consument, adverteerder en reclamebureau: we zullen allemaal onze weg moeten vinden zonder de oude, vertrouwde, gezondheidsclaims.

Ebba Hoogenraad
Advocaat levensmiddelenrecht – foodlaw
Hoogenraad & Haak advocaten

RB 1566

Laagste prijs, maar zonder de boekingskosten te vermelden

Vz RCC 23 november 2012 dossiernr. 2012/00588-I (Traveltroef)

De uiting op https://www.traveltroef.nl: “Geniet van uw reis en van de laagste prijs” een vergelijking van de door Traveltroef.nl, Tjingo en Prijsvrij gehanteerde prijzen voor de reis:  “9 dagen Curacao, 2 pers. Hotel Avila Beach 2pk logies Vertrek 22-01-2013”. Prijzen zijn bij de verschillende aanbieders vermeld. Achter de prijzen staat een asterisk die verwijst naar de mededeling: “Prijscheck uitgevoerd dd 04/10/2012. Prijs pp. o.b.v. 2 pers. Onder voorbehoud van beschikbaarheid en wijzigingen en exclusief eventuele bijkomende kosten”.

Klacht kan als volgt worden samengevat. Traveltroef.nl wekt de indruk de goedkoopste te zijn, door de boekingskosten van € 35,- niet in haar aanbieding te betrekken. Indien dat zou gebeuren, is de consument duurder uit dan bij Prijsvrij.nl, die als enige in Nederland geen boekingskosten in rekening brengt.

In de uiting worden de prijzen voor eenzelfde reis van onder meer Traveltroef.nl en Prijsvrij met elkaar vergeleken. Daarbij valt niet duidelijk uit de uiting op te maken dat Traveltroef.nl boven de in de prijsvergelijking genoemde, door haar gehanteerde prijs in elk geval nog boekings- of dossierkosten in rekening zal brengen, terwijl dat bij Prijsvrij niet het geval is. Gelet hierop is de uiting voor de gemiddelde consument onduidelijk en misleidend. De vergelijkende reclame is, wat de vergelijking betreft, ongeoorloofd, omdat de reclame misleidend is. De RCC doet een aanbeveling.

2.Traveltroef.nl heeft niet weersproken dat de door haar aangeboden reis op de dag van plaatsing van de aanbieding, met als vertrekdatum 22 januari 2013, voor de genoemde prijs niet beschikbaar was bij Traveltroef.nl.
In zoverre gaat de reclame gepaard met onjuiste informatie ten aanzien van de beschikbaarheid van het product als bedoeld in artikel 8.2 aanhef en onder b NRC. Nu de gemiddelde consument er bovendien toe kan worden gebracht een besluit over een transactie te nemen, dat hij anders niet had genomen, is de uiting misleidend en daardoor in strijd met het bepaalde in artikel 13 aanhef en onder a NRC. Aan dit oordeel doet niet af dat onderaan de uiting staat: “Onder voorbehoud van beschikbaarheid”.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 2. acht de Commissie de uiting bovendien in strijd met artikel V onder 1 RR, waarin staat: “Aanbieders zorgen voor een redelijke beschikbaarheid van de door hen in reclame-uitingen aangeboden diensten voor de genoemde prijs”.
 
Op grond van het voorgaande acht de Commissie de reclame-uiting in strijd de artikelen 13 aanhef en onder a NRC en V onder 1 RR. Zij beveelt adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

RB 1568

Kruidensmeersel is geen serieuze behandeling van Artrose

RCC 26 november 2012, Dossiernr. 2012/00964 (Geen doorbraak Artrose)

Soortgelijke zaak LS&R 294. Klacht betreft uiting op Facebook “Doorbraak REUMA / ARTROSE. Finitro.nl. Finitro IFR, HET medisch hulpmiddel tegen Reuma, Artrose en andere gewrichtspijnen.” De uiting wekt de indruk dat het om een serieuze behandeling van  artrose gaat, maar het product blijkt slechts een kruidensmeerseltje te betreffen.

Weliswaar is de werking van het product als “medisch hulpmiddel voor verschillende vormen van pijn". Maar hiermee is niet de geclaimde werking als “HET medisch hulpmiddel tegen Reuma en Artrose” aannemelijk geworden. Dit impliceert onjuiste informatie. De Commissie acht de reclame-uiting in strijd met het bepaalde in artikel 7 NRC, zij beveelt adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

De reactie van de Keuringsraad KOAG/KAG
De Keuringsraad heeft laten weten dat de bestreden reclame-uiting onder zijn competentie valt, maar niet ter preventieve toetsing aan de Keuringsraad is voorgelegd en derhalve niet van een toelatingsnummer is voorzien. Zou de uiting wel ter beoordeling zijn voorgelegd, dan zou de Keuringsraad eerst hebben gevraagd om duidelijk te maken op welk specifiek product de uiting betrekking heeft. Aangezien Finitro slechts één medisch hulpmiddel in haar assortiment heeft, gaat de Keuringsraad ervan uit dat de uiting betrekking heeft op het product “Finitro Natural Heating Plaster”.

De Commissie vat de klacht aldus op dat de in de uiting geclaimde werking van het aangeprezen product als “HET medisch hulpmiddel tegen Reuma, Artrose en andere gewrichtspijnen” door klager wordt aangevochten, omdat slechts sprake is van een “kruidensmeerseltje”. In dat geval ligt het op de weg van adverteerder de geclaimde werking en daarmee de juistheid van de uiting aannemelijk te maken. Adverteerder heeft dit niet gedaan. Weliswaar is de werking van het product als “medisch hulpmiddel voor verschillende vormen van pijn: spierpijn, gewrichtspijn en pijn veroorzaakt door bijvoorbeeld reumatische artritis, artrose, slijtage in de nek- en onderrugwervels en de beschadiging van weke delen in de nek en de onderrug” gecertificeerd door de daartoe ‘aangewezen instantie’, maar hiermee is niet de in de uiting geclaimde werking als “HET medisch hulpmiddel tegen Reuma en Artrose” aannemelijk geworden. Dit impliceert dat de uiting onjuiste informatie bevat over de van het aangeprezen product te verwachten resultaten als bedoeld in artikel 8.2 aanhef en onder b NRC.
Omdat de gemiddelde consument door de uiting ertoe gebracht kan worden een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen, is de bestreden uiting tevens misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC.
 
De Commissie acht de reclame-uiting in strijd met het bepaalde in artikel 7 NRC. Zij beveelt adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

RB 1563

Vergelijkingswaarden in reclame voor onderwaterverlichting van zwembaden voor specifieke doelgroep niet misleidend

Vzr. Rechtbank Zwolle-Lelystad 4 december 2012, LJN BZ 1513 (Eva Optic B.V. tegen watervision)

Uitspraak ingezonden door Gerben Hartman en Kurt Stöpetie, Brinkhof N.V..

Reclamerecht. Verhouding RCC/Voorzieningenrechter. Geen sprake van misleidende of ongeoorloofde vergelijkende reclame. Merkrecht met toestemming gebruikt.

Partijen houden zich bezig met de ontwikkeling, productie en verkoop van LED-verlichting voor onder meer zwembaden. Eva Optic heeft zich met succes bij de RCC beklaagd [RB 1115]. Er werd, vanwege de strijd met artikel 7 en 10 NRC, aanbevolen om niet meer op dergelijke wijze reclame te maken. Er zijn verschillen in de toetsingsmaatstaven van de RCC en de voorzieningenrechter. Bovendien zijn de reclame-uitingen na de beslissing van de RCC aangepast.

Van de doelgroep, ontwerpers/bouwers/exploitanten van zwembaden/sauna's/stadsfonteinen, mag worden verwacht dat deze de weergegeven lichtsterkte/lichtstroom in lumen - op de grond dat lumen geen geschikte eenheid is voor onderwaterverlichting - als vergelijkingswaarden onderkent. De technische rekenwaarde in lumen betreft het kunnen vergelijken van traditionele verlichting met LED-armaturen. Er is aldus geen sprake van misleidende reclame en het is onvoldoende onderbouwd om van ongeoorloofde vergelijkende reclame te spreken. De term NanoPower®technologie is als merk geregistreerd door de moedermaatschappij van Watervision en daarmee voert zij rechtmatig het merk.

 

4.11. De gewraakte reclame-uitingen zijn gericht tot een specifieke doelgroep, namelijk ontwerpers, bouwers en exploitanten van publieke zwembaden, sauna's en stadsfonteinen. Van deze ontwerper, bouwer en exploitant mag worden verwacht dat hij bereid is zich in de aangeboden informatie te verdiepen, maar niet dat zij beschikt over specialistische of bijzondere kennis en ervaring op het gebied van LED-onderwaterverlichting. Naar echter mag worden aangenomen is de in rechtsoverweging 4.9 bedoelde gemiddelde beroeps- en bedrijfsbeoefenaar zich bewust van en laat hij zich niet beïnvloeden door het feit dat aan reclame een zeker overdrijving eigen is. (...) mag van deze maatman worden verwacht dathij de door Watervision weergegeven lichtsterke/lichtstroom in lumen - op grond dat lumen geen geschikte eenheid is voor onderwaterverlichting - als vergelijkswaarden onderkent. In de daarbij aangegeven voetnoot - geciteerd in rechtsoverweging 2.4 - is immers expliciet vermeld dat de weergegeven lichtsterkte/lichtstroom in lumen een technische rekenwaarde betreft ten behoeve van het kunnen vergelijken van traditionele verlichting (gloei- en ontladingslampen) met de door Watervision aangeboden LED-armaturen. Het voorgaande maakt dat van misleidende reclame als bedoeld in 6:194 BW niet kan worden gesproken.

4.12 Ten aanzien van het gebruik van de term NanoPower®technologie heeft Eva Optic de stelling van Watervision dat Octatube B.V., moedermaatschappij van Watervision, dit teken als merk heeft laten registreren niet weersproken, zodat zij dat (handels)merk met toestemming van Octatube rechtmatig voert.

Lees hier de uitspraak in PDF zaaknr. 203583 / KZ ZA 12-202