RB

Diensten  

RB 1566

Laagste prijs, maar zonder de boekingskosten te vermelden

Vz RCC 23 november 2012 dossiernr. 2012/00588-I (Traveltroef)

logo-traveltroef.pngDe uiting op https://www.traveltroef.nl: “Geniet van uw reis en van de laagste prijs” een vergelijking van de door Traveltroef.nl, Tjingo en Prijsvrij gehanteerde prijzen voor de reis:  “9 dagen Curacao, 2 pers. Hotel Avila Beach 2pk logies Vertrek 22-01-2013”. Prijzen zijn bij de verschillende aanbieders vermeld. Achter de prijzen staat een asterisk die verwijst naar de mededeling: “Prijscheck uitgevoerd dd 04/10/2012. Prijs pp. o.b.v. 2 pers. Onder voorbehoud van beschikbaarheid en wijzigingen en exclusief eventuele bijkomende kosten”.

Klacht kan als volgt worden samengevat. Traveltroef.nl wekt de indruk de goedkoopste te zijn, door de boekingskosten van € 35,- niet in haar aanbieding te betrekken. Indien dat zou gebeuren, is de consument duurder uit dan bij Prijsvrij.nl, die als enige in Nederland geen boekingskosten in rekening brengt.

In de uiting worden de prijzen voor eenzelfde reis van onder meer Traveltroef.nl en Prijsvrij met elkaar vergeleken. Daarbij valt niet duidelijk uit de uiting op te maken dat Traveltroef.nl boven de in de prijsvergelijking genoemde, door haar gehanteerde prijs in elk geval nog boekings- of dossierkosten in rekening zal brengen, terwijl dat bij Prijsvrij niet het geval is. Gelet hierop is de uiting voor de gemiddelde consument onduidelijk en misleidend. De vergelijkende reclame is, wat de vergelijking betreft, ongeoorloofd, omdat de reclame misleidend is. De RCC doet een aanbeveling.

2.Traveltroef.nl heeft niet weersproken dat de door haar aangeboden reis op de dag van plaatsing van de aanbieding, met als vertrekdatum 22 januari 2013, voor de genoemde prijs niet beschikbaar was bij Traveltroef.nl.
In zoverre gaat de reclame gepaard met onjuiste informatie ten aanzien van de beschikbaarheid van het product als bedoeld in artikel 8.2 aanhef en onder b NRC. Nu de gemiddelde consument er bovendien toe kan worden gebracht een besluit over een transactie te nemen, dat hij anders niet had genomen, is de uiting misleidend en daardoor in strijd met het bepaalde in artikel 13 aanhef en onder a NRC. Aan dit oordeel doet niet af dat onderaan de uiting staat: “Onder voorbehoud van beschikbaarheid”.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 2. acht de Commissie de uiting bovendien in strijd met artikel V onder 1 RR, waarin staat: “Aanbieders zorgen voor een redelijke beschikbaarheid van de door hen in reclame-uitingen aangeboden diensten voor de genoemde prijs”.
 
Op grond van het voorgaande acht de Commissie de reclame-uiting in strijd de artikelen 13 aanhef en onder a NRC en V onder 1 RR. Zij beveelt adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

RB 1554

Onbeperkt, alleen één dag in het weekend

Vz. RCC 27 november 2012, zaaknr.2012/00992 (1 dag gratis reizen)

263747_434564799926865_891750761_n.jpgDe bestreden reclame-uiting betreft een banner voor de “treinkaartjesactie” in de elektronische nieuwsbrief van adverteerder. In de banner staat: “1 dag onbeperkt reizen door héél Nederland”. In de banner staat voorts de prijs van het product (€ 12,99) en een link (“klik hier”) naar de website van adverteerder waar meer informatie over de actie staat.

Klager heeft gebruik gemaakt van de treinkaartjesactie. Nadat hij twee tickets had gekocht, bleek dat deze alleen geldig zijn in het weekend. Deze voorwaarde staat niet in de banner. Klager voelt zich misleid nu hij niet tijdig over de voorwaarde is geïnformeerd, klager meende daardoor dat hij elke willekeurige dag van de tickets gebruik kon maken. Adverteerder verwijst naar de print van de webpagina waarnaar vanuit de banner wordt gelinkt en waar staat dat de treinkaartjes alleen op één zaterdag of één zondag geldig zijn. Aldus heeft zij de gemiddelde consument voldoende geïnformeerd. Adverteerder heeft in het verleden altijd dezelfde voorwaarde gehanteerd.

De RCC oordeelt dat deze informatie had niet mogen ontbreken omdat door het ontbreken van deze essentiële informatie in de banner zal de gemiddelde consument menen dat men elke dag van de week gebruik kan maken van het ticket. de gemiddelde consument zou hiertoe kunnen worden gebracht een transactie besluit te nemen, dat hij anders niet zou hebben genomen. Om die reden is de uiting misleidend en daardoor oneerlijk. De voorzitter beveelt adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

2)  Naar het oordeel van de voorzitter biedt de onderhavige ban­ner, gezien zijn formaat, evenwel voldoende ruimte om met zoveel woorden te vermelden dat men uitsluitend gedurende het weekend van de treinkaartjesactie gebruik kan maken. Deze informatie is essentieel. Het gaat immers om een belangrijke beper­king waarover de consument tijdig moet worden geïnformeerd. Door het ontbreken van deze essentiële informatie in de banner zal de gemiddelde consument menen dat men elke dag van de week gebruik kan maken van het ticket. Deze consument kan naar het oordeel van de voorzitter niet uit eigen wetenschap bekend worden verondersteld met het bestaan van deze beperking. Deze beperking blijkt ook niet uit de context van de uiting. Adverteerder had derhalve, gelet op het bepaalde in artikel 8.4 van de Nederlandse Reclame Code (NRC) in verbinding met artikel 8.3 aanhef en onder c NRC, deze essentiële informatie in de banner dienen op te nemen. Adverteerder heeft dit evenwel nagelaten.

3)  Blijkens het voorgaande is sprake van een omissie als bedoeld in artikel 8.3 aanhef en onder c NRC. Voorts is de voorzitter van oordeel dat de gemiddelde consument hierdoor ertoe gebracht zou kunnen worden een besluit over een transactie te nemen, dat hij anders niet zou hebben genomen. Om die reden is de uiting misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC. Dat de banner direct doorlinkt naar een website waarop wél met zoveel woorden staat dat het ticket geldig is op een zaterdag of zondag, doet daaraan niet af. Dit ontneemt immers aan de banner niet zijn zelfstandige karakter en doet evenmin af aan de verplichting om in dit geval reeds in de banner de noodzakelijke essentiële informatie op te nemen.
 
De beslissing van de voorzitter
Op grond van hetgeen hiervoor is vermeld, acht de voorzitter de gewraakte reclame-uiting in strijd met het bepaalde in artikel 7 NRC. De voorzitter beveelt adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

RB 1553

Bij het aanbieden van "een vakantieproduct van lange duur" gelden vereisten

Rechtbank Rotterdam 30 oktober, LJN BY4734 (Verzoekers HotelGroup tegen Consumentenautoriteit)

passport-hotel-group-investments-78738312.jpgKoop op afstand. E-commerce. HotelGroup Passport is een vakantieproduct van lange duur en geen klantenbindingsprogramma. Verzoekers hebben het vakantieproduct via telemarketing verkocht.

De Consumentenautoriteit heeft een boetes opgelegd en openbaar gemaakt omdat niet voldaan is aan de voor "een vakantieproduct van lange duur" geldende vereisten dat de consumenten geruime tijd voor het sluiten van de overeenkomst worden voorzien van de verplichte informatie en dat deze wordt verstrekt op een duurzame gegevensdrager die gemakkelijk toegankelijk is voor de consument. Daarnaast is de overeenkomst niet door beide partijen ondertekend en is bij de aanvang van het telemarketing gesprek het commerciële oogmerk niet meegedeeld. Verzoekers stellen dat dit besluit van de Consumentenautoriteit het faillissement van HotelGroup zal veroorzaken door de boetes op te leggen en het besluit openbaar te maken. Verzoekers beweren dat er geen sprake was van "een vakantieproduct van lange duur" , HotelGroup hoefde dus niet aan de vereisten te voldoen.

De Rechtbank maakt op uit de feiten dat verzoekers hier wel aan moesten voldoen en door het nalaten hiervan artikelen 8.5 en 8.6 van de Wet handhaving consumentenbescherming hebben overtreden. Hoogte dwangsommen niet onredelijk. Opgelegde boetes zijn passend en evenredig. Afwijzing verzoeken tot schorsing sanctiebesluit en publicatiebesluit.

19.  De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerster toereikend heeft gemotiveerd waarom sprake is van ernstige overtredingen. De opgelegde boetes zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter passend en evenredig. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking verweersters betoog ter zitting dat zij bij het vaststellen van de hoogte van de boete voor overtreding van de timeshare-regelgeving heeft meegenomen dat in artikel 50b, zevende lid, van het BW is bepaald dat de handelaar die in strijd handelt met dit artikel een oneerlijke handelspraktijk verricht als bedoeld in artikel 193b van Boek 6 van het BW. Het boetemaximum bij overtredingen die een oneerlijke handelspraktijk zijn, is € 450.000 en er worden veel hogere boetes voor opgelegd. De wetgever heeft echter nagelaten voor de overtreding van artikel 50b van het BW het boetemaximum aan te passen. Voor overtreding van artikel 8.5 Whc in samenhang met artikel 7:46h, eerste lid, van het BW heeft verweerster ook al eerder boetes van deze hoogte opgelegd voor dezelfde overtredingen. Dat het bij die boetes ging om grotere bedrijven met een grotere omzet doet daar - anders dan verzoekers stellen - niet aan af. De Whc voorziet immers niet in een boete gerelateerd aan de omzet.


20.  Verzoekers stellen dat de opgelegde boetes waarschijnlijk hun faillissement zullen veroorzaken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het aan verzoekers is om in dit verband met controleerbare (financiële) bewijsstukken - voorzien van een accountantsverklaring - te komen. Verzoekers zijn tot nu toe niet met dergelijke gegevens gekomen. Ook de gegevens die zij ter zitting hebben overgelegd voldoen niet aan eerdergenoemde vereisten. Ter zitting heeft verweerster nog aangegeven bereid te zijn om - als de financiële gegevens daarvoor aanleiding geven - met verzoekers een betalingsregeling overeen te komen. Verzoekers dienen ook in dat kader dan wel (alsnog) financiële stukken, voorzien van een accountantsverklaring, over te leggen. In de door verzoeksters gestelde financiële omstandigheden is om die reden thans geen reden gelegen om een voorlopige voorziening te treffen.


 26.  Zoals reeds eerder is overwogen - onder meer in de uitspraak van 4 mei 2011 (LJN: BQ3528) - heeft publicatie van het sanctiebesluit geen punitief karakter. Het publicatiebesluit is niet gericht op leedtoevoeging, maar op waarschuwing van in het onderhavige geval consumenten. Het eventueel daardoor ontstaan van economisch nadeel voor verzoekers is geen leedtoevoeging in vorenbedoelde zin.


Beslissing: De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

RB 1552

Prejudiciële vraag: toepassing EEX wanneer partij gebruik maakt van binnenlandse contractpartner?

Prejudiciële vragen aan HvJ EU 24 oktober 2012, zaak C-478/12 (Maletic tegen lastminute.com gmbh en TUI Österreich GmbH) - dossier

Jaz-Makadi-Star-Resort-Golf-And-Spa-photos-Hotel.JPEGReclamerecht. Internationale bevoegdheid. Koop op afstand.

Vraag: Moet artikel 16, lid 1, [EEX verordening (EG)] op grond waarvan de bevoegde rechtbank die is van de woonplaats van de consument, aldus worden uitgelegd dat wanneer de andere partij (in casu een reisbureau waarvan de zetel zich in het buitenland bevindt) gebruik maakt van een contractpartner (in casu een reisorganisator waarvan de zetel zich in het binnenland bevindt), in het geval van rechtsvorderingen waarbij beide betrokken zijn artikel 16, lid 1, van deze verordening ook van toepassing is op de binnenlandse contractpartner?

Casuïstiek: Maletic c.s. boeken voor begin 2012 een vakantiereis naar Egypte via de website lastminute.com GmbH. De zetel van dit bedrijf bevindt zich in München/Duitsland, maar de reis wordt volgens mededeling op de website georganiseerd door lastminute.coms in Wenen/Oostenrijk gevestigde partner TUI Österreich GmbH. Verzoekers voldoen de reissom aan lastminute.com en krijgen bevestiging van TUI, een paar dagen voor vertrek. Op die bevestiging staat een ander hotel genoemd dan bij de boeking, namellijk Jaz Makadi Star Resort Spa (in plaats van het geboekte Jaz Makadi Golf & Spa). Overigens wordt niet onthuld of verzoekers dat toen direkt in de gaten hadden, of pas na aankomst ter plekke.

Na terugkeer dagen verzoekers beide partijen en eisen bij het gerecht binnen welk ressort zij wonen een schadevergoeding van ieder € 1208,38 + rente omdat zij pas in Egypte vernemen dat lastminute.com bij TUI het andere hotel heeft geboekt dan zij hebben gereserveerd. Om toch in het door hun gereserveerde hotel te kunnen verblijven hebben zij € 1036,- bijbetaald. Omdat alles pas na drie dagen onaangenaam verblijf rond komt vragen zij ook een bescheiden bedrag aan smartegeld (het verschil tussen € 1208 en € 1036).

Lastminute.com beroept zich op territoriale en internationale onbevoegdheid van de geadieerde Rb en ook TUI stelt dat de Rb te Bludesch territoriaal niet bevoegd is.

In eerste instantie worden verzoekers in het ongelijk gesteld voor wat betreft de bevoegdheid van de Rb in Bludesch, en oordeelt de rechter dat de twee verweerders onafhankelijk van elkaar handelen; door op te treden als reisbureau (eerste verweerster) respectievelijk als reisorganisator (tweede) is er sprake van twee overeenkomsten.

In hoger beroep stellen verzoekers nogmaals dat het door eerste verweerster aangeboden verblijf alleen via tweede verweerster geboekt kon worden en dat dit derhalve als een één geheel vormende rechtshandeling moet worden beschouwd.

De verwijzende Oostenrijkse rechter vraagt zich af of het hier om een louter binnenlandse situatie gaat en of een consument in gevallen als de onderhavige een vordering tegen beide ondernemingen kan instellen bij de rechtbank van zijn woonplaats. Hij stelt het HvJEU de bovenstaande vraag:

RB 1548

Hof van Cassatie volgt HvJ EU inzake de Sperperiode

Hof van Cassatie 2 november 2012, nr. C.09.0436.N (Inno tegen UNIZO, Mode Unie en Couture Albert)

aanbieding.gifIn navolging van HvJ EU C-126/11. Het hof van cassatie vernietigt het bestreden arrest inzake de in België bekend sperperiode (aankondigingen van prijsverminderingen te verrichten of te suggereren) voorafgaand aan de uitverkoop.

1. Het onderdeel voert aan dat het bestreden arrest ten onrechte oordeelt dat het verbod ingesteld door het artikel 53, § 1, eerste lid, van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument (hierna: WHPC), zoals hier van toepassing, niet onder het toepassingsveld valt van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken.

3. Uit de vaststelling dat de wetgever met de invoering van artikel 53, § 1, eerste lid, WHPC, mede boogde de consument te beschermen, enerzijds, en het antwoord van het Hof van Justitie dat slechts de nationale wettelijke regelingen betreffende oneerlijke handelspraktijken die “alleen” de economische belangen van concurrenten schaden of betrekking hebben op transacties tussen handelaars uit de werkingsfeer van de richtlijn zijn gesloten, anderzijds, volgt dat voormelde bepaling onder het toepassingsveld van de richtlijn valt.

Het onderdeel is gegrond.

Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit oordeelt over het hoger beroep en over  de kosten.

RB 1539

Last onder dwangsom tot verwijderen reclame op verkeerde naam

Ktr Rechtbank Zwolle - Lelystad 13 november 2012, LJN BY3225 (eisende partij tegen Gemeente Zwolle)

3317497657_758e4e1a8f.jpgVerzet tegen dwangbevel met betrekking tot last onder dwangsom tot verwijderen van reclameuitingen. Verzet slaagt omdat de onderliggende invorderingsbeschikkingen op naam zijn gesteld van een niet bestaande juridische entiteit en niet op naam van eiseres, tegen wie het dwangbevel wel is uitgevaardigd.

Bij besluit van 1 april 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente (verder eveneens aan te duiden als de Gemeente) een last onder dwangsom opgelegd strekkende tot het verwijderen van een zestal reclame-uitingen op en aan de gevel van het pand [adres] te [gemeente]. De betreffende beschikking is gesteld op naam van [X].

Omdat uit gegvens van het handelsregister niet wijzen dat eisende partij onder de naam X handelt is de dwangsom niet verbeurd. Eiser heeft wel contact op genomen met de Gemeente na de last onder dwangsom, maar de Gemeente heeft de mogelijkheid de (niet-bestaande) juridische entiteit [X] te verbeteren door de last onder dwangsom alsnog op naam van eisende partij te stellen achterwege gelaten. Het verzet is gegrond, de dwangsom kan slechts worden ingevorderd op naam van de overtreder. Er is geen dwangsom verbeurd.

6. Door [eisende partij] is aangevoerd dat die betalingsverplichting niet op haar rust omdat aan haar geen last is opgelegd en door haar ook geen dwangsommen zijn verbeurd. De gegevens van het handelsregister wijzen niet uit dat [eisende partij] handelt onder de naam [X]. Gegeven echter het feit dat [eisende partij]
- sinds 2009 de huurder is van het betreffende winkelpand,
- daar een zaak drijft, genaamd [X],
- daar kleding van dit merk verkoopt,
- naar aanleiding van de last onder dwangsom contact heeft opgenomen met de Gemeente,
kan het niet anders of voor [eisende partij] is duidelijk geweest dat zij als overtreder werd aangemerkt en dat de Gemeente bedoelde de last aan haar op te leggen en ook bedoelde de verbeurde dwangsommen van haar in te vorderen.

7. Die duidelijkheid brengt mee dat het voor de Gemeente mogelijk was om de tenaamstelling van de dwangsombeschikking en van de invorderingsbeschikkingen te verbeteren, door die alsnog op naam te stellen van [eisende partij], zonder dat dit als een nieuw besluit had moeten worden aangemerkt (ABRS 11.1.2000, Gem.St. 2000, 7120, 6). Dat is hier echter niet gebeurd, zodat de conclusie moet zijn dat de invorderingsbeschikkingen zijn gesteld op naam van [X], zijnde een juridisch niet bestaande entiteit.

RB 1536

Geen klachtgeld voor klager

CvB 8 november 2012, dossiernr. 2012/00798 (Klager hoeft geen klachtgeld te betalen)

10402078_7245315f18.jpgKlager heeft door middel van een online klachtenformulier bezwaar gemaakt tegen een reclame-uiting van een tandarts. Bij brief heeft de Reclame Code Commissiebesloten dat klagerklachtengeld is verschuldigd omdat hij de klacht zou hebben ingediend in het belang van de uitoefening van een beroep of bedrijf. De klager had het online formulier ingevuld en klager heeft van het adres van zijn overbuurman gebruik gemaakt, omdat hij het niet veilig vond om vanaf zijn privé-adres te corresponderen. Op dat nummer van zijn overbuurman zit ook "een praktijk" gevestigd. Er is geen bewijs dat klager werkzaam zou zijn voor welk bedrijf dan ook. Klager is een particulier. Naar oordeel van College van Beroep is dan ook onvoldoende bewezen dat klager de klacht heeft ingediend in het belang van een beroep of bedrijf dan wel in een commercieel belang van een organisatie.

De Commissie begrijpt dat klager en in elk geval …….bekend waren met elkaar, maar heeft onvoldoende aanwijzingen dat de onderhavige klacht is ingediend in het belang van de uitoefening van een beroep of bedrijf dan wel in een commercieel belang van een organisatie.
 
Gelet op het bovenstaande wordt als volgt beslist.
 
De beslissing
 
De Commissie vernietigt de beslissing van de voorzitter, hetgeen betekent dat klager geen klachtengeld is verschuldigd.
RB 1535

Notarissen mogen reclame maken

logo.gifUit't persbericht van de NMa: Het verbod op het rechtstreeks benaderen van potentiële cliënten, de verplichting tot 'objectieve reclame' en het verbod op werken onder de kostprijs zijn onlangs door de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) geschrapt. Verder heeft de KNB een aantal beroeps- en gedragsregels aangepast of verduidelijkt, waaronder het provisieverbod dat in een nieuwe Beleidsregel Provisie nader is uitgewerkt. De Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) verwacht dat hierdoor de onderlinge concurrentie tussen notarissen een impuls krijgt en dat tegelijkertijd recht wordt gedaan aan de kernwaarden van de notaris: onafhankelijk en onpartijdig.

Lees het persbericht hier.

RB 1526

EasyJet mag voorbehoud bij gepubliceerde prijs vermelden

RCC 22 okober 2012, dossiernr. 2012/00817 (klager tegen easyJet)

Beslissing ingezonden door EasyJet_logo.png Daniël Haije en Ebba Hoogenraad, Hoogenraad & Haak.

In deze uitspraak stapt de RCC af van haar eerdere standpunt dat administratiekosten die gelden per boeking (en dus niet per geboekte stoel) dienen te zijn inbegrepen in de geadverteerde prijs. De bestreden reclame-uiting betreft de weergave van prijzen op de homepage van adverteerders website: www.easyjet.com/nl. Easy Jet heeft de volgende tekst: "Voor creditkaartbetalingen wordt een percentage van 2.5% van de totaalprijs in rekening gebracht, met een minimumbedrag van 6 euro."

Nu easy Jet eerder is aanbevolen niet meer in strijd met de RR te publiceren, verzoekt de klager de Commissie de uitspraak als Alert te verspreiden. De vaste kosten in de geadverteerde prijs dienen te zijn opgenomen, om te voorkomen dat men aan het eind van het boekingsproces wordt geconfronteerd met in eerste instantie verborgen - en in dit geval disproportionele kosten. De klacht wordt afgewezen omdat het voorbehoud direct bij de prijs wordt gemaakt dat de prijs dient te worden vermeerderd met bijkomende, gespecificeerde, toeslagen per boeking. Voor wat betreft de creditcardkosten is dit voorbehoud voldoende duidelijk in de uiting vermeld. Het CvB had eerder in zijn uitspraak van 10 november 2011 (RB 1198), wanneer easyJet in reclame-uitingen de prijzen aldus publiceert, dat direct bij de prijs het voor­behoud wordt gemaakt dat de prijs dient te worden ver­meerderd met de bij­ko­mende, gespecificeerde, toeslagen per boeking.

 

RB 1525

Royal Canin is zo gezond voor kat en hond

CVB 17 oktober 2012, dossiernr. 2012/00557 (klager tegen adverteerder)

royal20canin.ashxHet betreft een radio-commercial waarin wordt gezegd: “Royal Canin is zo gezond voor kat en hond dat u voortaan korting krijgt van de grootste huisdierverzekeraar Proteq Dier en Zorg. Geef uw pup of kitten Royal Canin en ontvang 25% van de jaarpremie terug. Kijk op gezondheidverzekerd.nl”.
 
De klacht luidt als volgt. De reclame-uiting is misleidend omdat niet is bewezen dat Royal Canin gezond is. In Royal Canin zijn veel bewerkte granen verwerkt, die voor honden en katten flinke gezondheidsproblemen kunnen opleveren, zoals huidaandoeningen en coeliakie.
 
De adverteerder voert aan dat  alle Royal Canin voedingen met de zorgvuldigheid worden geproduceerd volgens de wetenschappelijke inzichten en praktijkervaringen van professionals. 

De Commissie vond de reclame-uiting te bestempelen als een misleidend omdat Royal Canin tekort schiet in de bewijslast van de absolute claim op "gezond voor kat en hond."

Het College vernietigt de beslissing van de Commissie en wijst de klacht alsnog af. In de uiting worden de voor­delen van de dier­voeding van Royal Canin (“zo gezond” in com­binatie met de mededeling dat men daarom premie­restitutie van genoemde verzekeraar krijgt) con­creet en specifiek benoemd.

Grief 1

De Commissie heeft een onjuiste betekenis toegekend aan de verwijzing in de com­mercial naar de “gezondheid” van de diervoeding van Royal Canin. Er is geen spra­ke van een (te) absolute claim over de gezondheid van haar producten. De mede­de­ling “zo gezond dat u (…) korting krijgt” zegt feitelijk niets over de gezondheid van het product. De gemiddelde consument zal deze woorden ook niet opvatten als een absolute claim over de gezondheid van de producten van Royal Canin, nu de con­sument gewend is aan de gangbare, legitieme reclamepraktijk waar­bij overdreven uitspraken worden gedaan. Ten onrechte gaat de Commissie ervan uit dat bedoel­de woorden voor Royal Canin de verplichting zouden meebren­gen om aannemelijk te maken dat haar voeding gezond is. De gemiddelde consu­ment zal op grond van bedoelde mededelingen hooguit in de veronderstelling verkeren dat Royal Canin het be­lang erkent en benadrukt van verantwoorde, gezonde voeding bij honden en katten, en dat Proteq daarom bereid is om premierestitutie korting te ge­ven aan verzekering­nemers die hun pup of kitten voeden met Royal Canin.

Grief 2

Voor zover van de uiting al enige suggestie uitgaat ten aanzien van de mate van ge­­zond­heid van de diervoe­ding van Royal Canin, wordt deze suggestie duide­lijk waargemaakt. In de bedrijfsfilosofie staat het gezondheidsbelang van de hond en de kat centraal. De ontwikkeling van de diervoeding van Royal Canin is geba­seerd op de laatste stand van de wetenschap met betrekking tot de voedings­be­hoef­ten van honden en katten. Daarbij wordt onderzoek uitgevoerd door het Royal Canin Research & Development Center in nauwe samenwerking met enkele toon­aan­gevende universiteiten. Ook is er een intensieve samenwerking met experts, zoals fokkers en dierenartsen. Al deze kennis heeft zich vertaald in de voeding van Royal Canin. De voedingswaarden daarvan voldoet ruimschoots aan de standaarden van de European Pet Food Industry Federation en het rapport Nutriënt Requirements of Cats and Dogs. Het assortiment van Royal Canin is zeer gedifferentieerd en de producten zijn goed verteerbaar. Royal Canin speelt een leidende rol bij dit laatste. Royal Canin legt uittreksels over van wetenschappelijke publicaties van enkele on­derzoeken naar verteerbaarheid bij honden waarbij het Royal Canin Research & Development Center betrokken is geweest . Veel experts bevestigen de kwaliteit van voeding van Royal Canin, waaronder Proteq en dierenartsen. De stelling van geïntimeerde dat Royal Canin niet gezond zou zijn, is ongefundeerd.

 1. Het College stelt voorop dat in de uiting door de woorden “Royal Canin is zo gezond voor kat en hond dat u voortaan korting krijgt van de grootste huisdierverzekeraar Proteq Dier en Zorg” onmiskenbaar een verband wordt gelegd tussen diervoe­ding van Royal Canin en de gezondheid van kat en hond. Van kennelijke overdrijving is daar­bij geen spra­ke. In de uiting worden immers de voor­delen van de dier­voeding van Royal Canin (“zo gezond” in com­binatie met de mededeling dat men daarom premie­restitutie van genoemde verzekeraar krijgt) con­creet en specifiek benoemd.