RB

Diensten  

RB 1705

Adverteerder verantwoordelijk voor systematische fout in de uitvoering

RCC 19 maart 2013, dossiernr. 2013/00039 (NS actie, voor langstudeerders een ‘Gratis Kortingskaart’)

Het betreft een reclame op webpagina https://www.ns.nl/reizigers/campagnes/langstudeerbonus, waarop aan ‘langstudeerders’ onder meer een ‘Gratis Kortingskaart’ wordt aangeboden.

Klaagster is ‘langstudeerder’ zoals bedoeld in de uiting en voldoet aan de voorwaarden om de genoemde gratis kortingskaart aan te vragen. Klaagster kon echter de kortingskaart niet aanvragen, omdat, zoals bleek uit verschillende telefoongesprekken met adverteerder, dit aanbod het ‘uitgestudeerd aanbod’ was, dat klaagster reeds eerder had aangevraagd en waar slechts één keer gebruik van kon worden gemaakt. Klaagster acht de uiting misleidend, nu deze extra voorwaarden niet in de uiting worden vermeld.

Naar door adverteerder is erkend, kon klaagster in de praktijk geen gebruik maken van het aanbod. Adverteerder wijt dit aan een tekortkoming in haar systeem, waardoor klaagster, nu zij gebruik had gemaakt van het ‘uitgestudeerd-aanbod’, ten onrechte de melding kreeg dat zij al eerder van het langstudeer-aanbod gebruik had gemaakt. Aldus stelt de voorzitter vast dat sprake is van een systematische fout in de uitvoering van het aanbod, voor welke fout adverteerder verantwoordelijk dient te worden gehouden. Gelet op het voorgaande dient te worden geoordeeld dat de bestreden uiting in strijd is met artikel 7 en 8.2 NRC.

RB 1704

babyfantasy.nl garandeerd de goedkoopste Quinny Zapp

RCC 14 maart 2013, dossiernr. 2013/00133 (babyfantasy.nl gegarandeerd de goedkoopste Quinny Zapp niet €179)

Uiting in strijd met art. 7 en 8.2 NRC. Het betreft de website babyfantasy.nl in zijn geheel, en de afbeelding van een buggy genaamd Quinny Zapp Xtra Red Crackle 2013 met de daarbij genoemde prijs van €179.00 in het bijzonder.

Volgens klager wekt de website ten onrechte de suggestie dat zij een webshop is, terwijl men zelf niks verkoopt maar alleen een doorlinkservice biedt. Daarnaast kan de Quinny Zapp Xtra Red Crackle 2013 volgens klager niet worden besteld in de afgebeelde uitvoering voor de daarbij genoemde prijs.

Naar het oordeel van de voorzitter blijkt uit de tekst op de beginpagina, waaronder: "Wanneer u een artikel wilt bestellen… zult (u) worden doorverwezen naar de betreffende webshop waar u het artikel uiteindelijk kunt bestellen.” voor de gemiddelde consument voldoende duidelijk dat de website van adverteerder een geen webshop is, maar een vergelijkingssite. De voorzitter wijst de klacht op dit punt dan ook af.

In de bestreden uiting is de “Quinny Zapp Xtra” afgebeeld in de uitvoering “Red Crackle” met daarnaast de prijs van €179. Naar niet is weersproken is deze uitvoering niet te koop voor de daarbij genoemde prijs. Gelet op het voorgaande is de uiting onduidelijk ten aanzien van één van de voornaamste kenmerken van het product als bedoeld onder b van artikel 8.2 van de NRC, te weten de uitvoering. (...)

RB 1703

Vroegboekkorting niet op alle reizen van toepassing

RCC 28 maart 2013, dossiernr. 2013/00164 (Oad vroegboekkorting op Zuid Afrika niet van toepassing)

Het betreft een televisiecommercial waarin bij Oad te boeken reizen naar Zuid-Afrika worden aangeprezen. In de tag-on wordt gezegd: “Boek nu heel veel Zuid-Afrika met heel veel korting bij Oad. Ondertussen verschijnt enige tijd in beeld de tekst “tot wel € 600 vroegboekkorting”.

Klaagster heeft bij het reisbureau een reis naar Zuid-Afrika geboekt, en hoorde daar dat zij geen recht had op vroegboekkorting. Uit de commercial blijkt niet dat de korting niet op alle reizen van toepassing is.

In de commercial worden reizen van Oad naar Zuid-Afrika aangeboden “met heel veel korting” en “tot wel € 600 vroegboekkorting”. Naar het oordeel van de Commissie wordt door deze zinsneden de indruk gewekt dat voor elke reis naar Zuid-Afrika in ieder geval enige korting geldt, waarvan de hoogte kan variëren, oplopend tot € 600 vroegboekkorting. (...)

Gelet op het voorgaande gaat de televisiecommercial gepaard met onjuiste informatie als bedoeld in de aanhef van artikel 8.2 NRC en acht de Commissie de uiting tevens misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC.

RB 1699

Voorwaarde bij spetterende vroegboekactie niet vermeld

RCC 14 maart 2013, dossiernr. 2013/00121 (Airmiles korting Landal bungalow)

Uitspraak in strijd met art. 8.3 en 7 NRC. Het betreft de webpagina van adverteerder getiteld “Inwisselen voor korting bij Landal GreenParks”, voor zover het betreft de tab “speciale acties”. Hierin staat onder meer: “Spetterende vroegboekactie! Boek vóór 1 februari 2013 en voor verblijven van 28 juni tot 26 juli 2013 geldt: 2.000 Air Miles + 50% korting. Reserveer snel (...)"

Klager stelt, kort samengevat, dat nergens staat vermeld dat je met Air Miles korting, maar maximaal 1 week kunt boeken en slechts op een beperkt aantal soorten bungalows. Pas bij het afrekenen blijkt dat je bij boekingen voor een langere periode en een bepaald type bungalow geen Air Miles korting krijgt.

Naar adverteerder erkent, geldt de actie echter alleen voor een verblijfsperiode van maximaal een week en niet voor alle type accommodaties.(...) Het feit dat de informatie wel staat vermeld op een naastgelegen tab en in voorwaarden op de webpagina van de aanbieder van de accommodaties, doet hieraan niet af. De consument wordt in de uiting immers niet gewezen op het bestaan van deze voorwaarden of de vindplaats ervan. Het is dan ook mogelijk dat de consument niet van deze voorwaarden kennis heeft kunnen nemen voordat hij gebruik maakt van de mogelijkheid om via de link “reserveer snel” tot boeking over te gaan. (...) Op grond van het bovenstaande is er sprake van een op onduidelijke wijze verstrekken van essentiële informatie als bedoeld in artikel 8.3 aanhef en onder c NRC. De uiting is oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC.

RB 1697

Door niet beschikbaar stellen welkomstgeschenk toerekenbaar tekort geschoten

Rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort 27 maart 2013, LJN BZ5781 (Eider tegen de commanditaire vennootschap Hotel Group International)

HotelGroup Passport. Welkomstgeschenk. Schadevergoeding. Zuivering.

Eiser heeft tegen betaling van jaarlijkse abonnementskosten van € 153,95 een HotelGroup Passport ontvangen. Met dit Passport heeft eiser het recht op kortingen op de prijs voor overnachtingen in hotels waarmee HGI een regeling heeft, waarbij ontbijt en diner in het hotel afgenomen moeten worden.

Tussen partijen staat vast dat eiser zich tijdig heeft aangemeld voor de reis naar Antalya, zodat hij recht had op dit welkomstgeschenk. Eveneens staat vast dat HGI tekort is geschoten, omdat zij het geschenk niet aan eiser ter beschikking heeft gesteld. HGI betwist dat zij gehouden is schadevergoeding te betalen.

Bij brief heeft eiser de overeenkomst beëindigd. Deze beëindiging moet aldus worden begrepen dat eiser geen prijs stelt op verlenging van de overeenkomst. Niet is in te zien waarom hij onder deze omstandigheden geen recht heeft op het welkomstgeschenk. De kantonrechter is van oordeel dat voornoemde brief van als een omzettingsverklaring in de zin van artikel 6:87 BW is te beschouwen. Met deze brief heeft eiser aangegeven dat hij geen aanspraak meer maakt op nakoming door HGI, maar op vervangende schadevergoeding. Omzetting brengt mee dat de oorspronkelijke verbintenis teniet gaat en het verzuim eindigt, zodat zuivering niet meer mogelijk is.

De kantonrechter is van oordeel dat HGI toerekenbaar tekort is geschoten doordat zij eiser de toegezegde reis naar Antalya niet ter beschikking heeft gesteld. Zij is dan ook gehouden vervangende schadevergoeding te betalen. De kantonrechter veroordeelt HGI aan eiser te betalen een bedrag van € 600,50.

4.4. De kantonrechter is van oordeel dat voornoemde brief van 10 oktober 2012 als een omzettingsverklaring in de zin van artikel 6:87 BW is te beschouwen. Met deze brief heeft [eiser] aangegeven dat hij geen aanspraak meer maakt op nakoming door HGI, maar op vervangende schadevergoeding. Omzetting brengt mee dat de oorspronkelijke verbintenis teniet gaat en het verzuim eindigt, zodat zuivering niet meer mogelijk is. Het beroep van HGI op zuivering slaagt dan ook niet. (...)

RB 1670

Aanbieding in banner voor niet meer beschikbare tickets

RCC 28 februari 2013 2013, dossiernr. 2012/01107-1 (Voor € 50* met de trein naar hartje Londen)

Het betreft een banner op https://www.eurostar.nl. Daarin staat onder meer: “Voor € 50* met de trein naar hartje Londen” en “Londen vanaf € 50 enkele reis”.

Toen klager op de banner klikte, kwam hij op de boekingspagina van NS Hispeed terecht. Vervolgens boekte hij een treinreis Delft-Londen (en terug) voor 4 maanden later ofwel de maximale periode voor vroegboeken. Het lukte klager niet een enkele reis voor € 50,- te vinden; het laagst aangetroffen tarief was € 77,80. Met ingang van de nieuwe dienstregeling bestaan de aangeboden kaarten volgens klager niet eens meer.

Eurostar heeft -kort samengevat- erkend dat zij in de bestreden banner tickets heeft aangeboden, in het verweer kennelijk aangeduid als “Ieder Station Nederland tickets”, die op het moment van aanbieden niet meer beschikbaar waren. Gelet hierop heeft verweerder 'Eurostar' gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel V onder 2 RR.

Voor zover de klacht is gericht tegen NS Hispeed, wijst de Commissie deze af. Naar haar oordeel is de bestreden banner, waarin de naam NS Hispeed niet voorkomt, geplaatst door Eurostar als adverteerder in de zin van artikel 1 NRC en niet door NS Hispeed of geheel of deels ten behoeve van NS Hispeed. Meer in het bijzonder heeft de Commissie geen aanwijzingen dat NS Hispeed betrokken is geweest bij plaatsing van de bestreden banner, bijvoorbeeld door daartoe opdracht te geven.

RB 1669

Prijs op voorbehoud van beschikbaarheidstoeslag

RCC 28 februari 2013, dossiernr. 2013/00049 (beschikbaarheidstoeslag)

Reclamecode Reisaanbiedingen (RR). Het betreft een aanbieding in een reisgids van adverteerder van een vliegreis van 5 dagen naar Rome inclusief het verblijf in een hotel. Boven een beschrijving van het hotel staat: “vanaf € 479”. Onder het kopje “PRIJSINFORMATIE” staat een aantal vertrekdata, waarachter de “Prijzen p.p in euro op basis van 2-pk” worden genoemd.

Volgens de uiting kost de bewuste reis in de door klaagster gewenste periode € 549,-. Op het moment dat klaagster de reis wilde boeken, bleek echter dat de reis in deze periode € 718,- kostte. Uit een telefoongesprek met het reisbureau bleek dat er een beschikbaarheidstoeslag werd berekend van € 169,- per persoon. Hierover wordt niets in de reisgids vermeld. In de uiting wordt aldus de illusie gewekt dat de genoemde prijs de werkelijke prijs is.

De Commissie acht het aannemelijk dat de onder prijsinformatie opgenomen prijs per vertrekdatum de reissom is, inclusief de op het moment van publicatie vaste onvermijdbare kosten, gebaseerd op de L-vluchtklasse - zoals in de uiting wordt vermeld onder: “Bij ons inclusief”.

Gebleken is dat in de prijs niet is begrepen de eventuele toeslag voor een andere vluchtklasse, indien de L-klasse niet beschikbaar is. Of de L-klasse beschikbaar is, blijkt pas wanneer men daadwerkelijk boekt. De Commissie is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat op grond van artikel 8.4 onder c NRC bij de prijs een mededeling of voorbehoud had dienen te staan, waaruit blijkt dat sprake kan zijn van extra kosten, te weten een beschikbaarheidstoeslag. (...) 

De in de uiting genoemde prijzen zijn onvoldoende duidelijk en de bestreden reclame-uitingen in strijd met artikel IV onder 1 RR.

RB 1636

Begrip facultatieve prijstoeslagen

HvJ EU 19 juli 2012, zaak C-112/11, (ebookers.com Deutschland) - dossier.

Prejudiciële vraag gesteld door OLG Keulen, Duitsland.

Conclusie A-G [RB 1317]. Verplichting van verkoper van vliegreis om ervoor te zorgen dat facultatieve prijstoeslagen door klant op ,opt-in’-basis worden aanvaard. Prijs van door onafhankelijke verzekeringsmaatschappij aangeboden annuleringsverzekering voor vlucht die deel uitmaakt van totale prijs.

Het begrip „facultatieve prijstoeslagen” in artikel 23, lid 1, laatste zin, van verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap moet aldus worden uitgelegd dat het ook betrekking heeft op kosten die in verband met de vliegreis worden gemaakt voor diensten, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vluchtannuleringsverzekering, welke door een andere partij dan de luchtvaartmaatschappij worden aangeboden en door de verkoper van die reis samen met de prijs van de vlucht in de vorm van een totale prijs aan de klant in rekening worden gebracht.

Vraag:

„Ziet artikel 23, lid 1, van verordening [nr. 1008/2008], volgens hetwelk facultatieve prijstoeslagen op duidelijke, transparante en ondubbelzinnige wijze aan het begin van elk boekingsproces worden medegedeeld en door de passagier op een ‚opt-in’-basis moeten worden aanvaard, ook op kosten die in verband met vliegreizen voor diensten van derden (hier: de aanbieder van een annuleringsverzekering) worden gemaakt en die de verkoper van de vliegreis in zijn totale prijs samen met de prijs van de vlucht aan de passagier aanrekent?”

RB 1600

Tuchtrechtelijke beschuldiging van vermeend buitensporig tarief is een beperking

Conclusie A-G HvJ EU 31 januari 2013, zaak C-475/11 (Kostas Konstantinides) - dossier

Prejudiciële vragen gesteld door Hessische Verwaltungsgerichtshof.

Uitlegging van de artikelen 5, lid 3, en 6, eerste alinea, sub a, van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 255, blz. 22) – Vrij verrichten van medische diensten – Situatie waarin de dienstverrichter zich naar een andere lidstaat begeeft om de dienst te verrichten – Toepasselijkheid van de beroepsregels in de ontvangststaat, in het bijzonder inzake honoraria en reclame.

Conclusie A-G:

1) Artikel 56 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat omstandigheden als in de onderhavige zaak, waarin een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter, die op grond van de beroepsregels van de ontvangende lidstaat de prijs van de dienst kan vaststellen, wordt beschuldigd van een tuchtrechtelijk vergrijp door de toepassing van een vermeend buitensporig tarief dat echter is gebaseerd op tarieven voor gelijkwaardige diensten, een maatregel vormen die de vrijheid van dienstverrichting beperkt.

Het staat aan de verwijzende rechter om te beoordelen of de doelstellingen van de regels die het op dr. K. Konstantinides wil toepassen, werkelijk van algemeen belang zijn, en of de litigieuze maatregelen geschikt zijn om deze doelstellingen te verwezenlijken en niet verder gaan dan daartoe noodzakelijk is.

2) Artikel 56 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een nationale maatregel op grond waarvan artsen die reclame maken, moeten voldoen aan te dubbelzinnige tuchtregels die gepaard gaan met een strenge sanctieregeling, een beperking van de vrijheid van dienstverrichting vormt.

Niettemin is een maatregel als in casu aan de orde, krachtens welke op een in een andere lidstaat gevestigde arts een niet‑discriminerende reclameregeling wordt toegepast die is gebaseerd op de bescherming van de consument en van de volksgezondheid, gerechtvaardigd, mits de eventueel opgelegde tuchtmaatregel evenredig is met het litigieuze gedrag. Het staat aan de verwijzende rechter dit te beoordelen bij de beslissing over de grond van de zaak.

Vragen:

A. Met betrekking tot artikel 5, lid 3, van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties1:

Behoort § 12, lid 1, van de Berufsordnung für die Ärztinnen und Ärzte in Hessen (beroepsregeling voor artsen in Hessen) van 2 september 1998 (HÄBI.1998, blz. I-VIII), laatstelijk gewijzigd op 1 december 2008 (HÄBI. 2009, blz. 749) (hierna: "BO") - tot de beroepsregelingen waarvan niet-inachtneming door de dienstverrichter in de ontvangende staat ertoe kan leiden dat een procedure voor een beroepscollege in de zin van een tuchtrechtelijke procedure kan worden ingesteld wegens ernstige wanprestatie bij de uitoefening van het beroep die rechtstreeks en specifiek verband houdt met de bescherming en de veiligheid van consumenten?

Zo ja: Geldt dit dan ook voor het geval dat de geldende Gebührenordnung für Ärzte (GOÄ) (tariefregeling voor artsen) van de ontvangende staat voor de door de dienstverrichter (in casu de arts) uitgevoerde operatie geen specifieke tariefcode bevat?

Behoren de voorschriften over met de beroepsregels strijdige reclame (§ 27, leden 1-3, juncto afdeling D, nr. 13, BO) tot de beroepsregelingen waarvan de niet-inachtneming door de dienstverrichter in de ontvangende staat ertoe kan leiden dat een procedure voor een beroepscollege in de zin van een tuchtrechtelijke procedure kan worden ingesteld wegens ernstige wanprestatie bij de uitoefening van het beroep die rechtstreeks en specifiek verband houdt met de bescherming en de veiligheid van de consumenten.

B. Met betrekking tot artikel 6, eerste volzin, sub a, van richtlijn 2005/36/EG:

Vormen de voor de omzetting van richtlijn 2005/36/EG vastgestelde regelingen tot wijziging van § 3, leden 1 en 3, van het Hessische Gesetz über die Berufsvertretungen, die Berufsausübung, die Weiterbildung und die Berufsgerichtsbarkeit der Ärzte, Zahnärzte, Tierärzte, Apotheker, Psychologischen Psychotherapeuten und Kinder- und Jugendlichenpsychotherapeuten (Heilberufsgesetz) (wet van de deelstaat Hessen betreffende de vertegenwoordiging van beroepsgroepen, de beroepsbeoefening, de bij- en nascholing en de beroepsrechtspraak voor artsen, tandartsen, dierenartsen, apothekers, psychologische psychotherapeuten en psychotherapeuten voor kinderen en jongeren (wet beroepen gezondheidszorg) in de redactie van de bekendmaking van 7 februari 2003 (GVBl I blz. 66, 242), laatstelijk gewijzigd bij wet van 24 maart 2010 (GVBl I blz. 123), door de derde wet tot wijziging van de wet beroepen gezondheidszorg van 16 oktober 2006 (GVBl I blz. 519), een juiste omzetting van de hiervoor aangeduide regelingen van richtlijn 2005/36/EG, waar zowel de relevante beroepsregelingen als de regelingen betreffende de beroepsrechtspraak in de zesde afdeling van de wet beroepen gezondheidszorg in volle omvang van toepassing worden verklaard op dienstverrichters (in casu artsen) die in het kader van het in artikel 57 VWEU (voorheen artikel 50 EG) neergelegde recht op het vrij verrichten van diensten tijdelijk in de ontvangende staat werkzaam zijn?

RB 1595

Preparaten die geen bijzondere functie in de video vervullen

CGR Codecommissie geneesmiddelen 10 januari 2013, Advies AA12.127

Geneesmiddelenreclame toegelaten: het gebruik van merken in zakelijke reclame voor dienstverlening aan apothekers is toelaatbaar volgens Codecommissie Geneesmiddelenreclame.

De voorzitter van de Codecommissie heeft advies uitgebracht op grond van artikel 59 van het Reglement van de Codecommissie. Verzoeker van het advies is een vergunninghouder in de zin van art. III.e van de Gedragscode Geneesmiddelenreclame en voornemens onder apothekers een video te verspreiden. De kern van de video is het tonen van het technisch proces van bereiding om te laten zien dat aan de richtlijnen van de Europese Unie inzake GMP (Good Manufactoring Practice) wordt voldaan. Met deze video wil verzoeker aantonen dat hij beschikt over een gevalideerd kwaliteitszorgsysteem.

In de beelden van het productieproces ter aanprijzing van de diensten die verzoeker aanbiedt aan apothekers komen enkele preparaten voor die onder verschillende merknamen ook worden aangeboden door andere vergunninghouders. In de video wordt enkele malen benadrukt dat de dienstverlening die wordt aangeprezen slechts geldt voor medicamenten op maat, waarvoor geen equivalent handelsproduct bestaat.

Afgezien van de genoemde preparaten wordt in de video niet verwezen naar een specifiek geneesmiddel, zodat van reclame voor een geneesmiddel in de meest strikte zin geen sprake is. De video beperkt zich tot het op een zakelijke wijze aanprijzen van de dienst, het bijstaan van de apotheker die het noodzakelijk acht een medicament op maat aan te bieden waarvoor geen handelsequivalent beschikbaar is. De video wordt ook uitsluitend verspreid onder apothekers die gebruik maken van de diensten van verzoeker.

De video is, zoals artikel 9 van de Gedragscode verlangt, in overeenstemming met de gestelde gedragsregels voor mondelinge en schriftelijke reclame. De Commissie heeft zich afgevraagd of het tonen van de (merknamen van) preparaten als hiervoor aangehaald, reclame is voor specifieke geneesmiddelen. Ervan uitgaande dat apothekers slechts dan gebruik zullen maken van de diensten, indien voor het gevraagde product geen equivalent in de handel is, acht de Commissie het tonen van de namen van de genoemde preparaten, die geen bijzondere functie in de video vervullen, niet in strijd met de Gedragscode. De conclusie is daarom dat de video beoordeeld vanuit de Gedragscode toelaatbaar is.

2.3 Afgezien van de hiervoor genoemde preparaten, waarover later meer, wordt in de video niet verwezen naar een specifiek geneesmiddel, zodat van reclame voor een geneesmiddel in de meest strikte zin geen sprake is. In de video zet [X] zich niet af tegen (producten van) andere vergunninghouders. Zij beperkt zich tot het op een zakelijke wijze aanprijzen van haar dienst, het bijstaan van de apotheker die het noodzakelijk acht een medicament op maat aan te bieden waarvoor geen handelsequivalent beschikbaar is. De video wordt ook uitsluitend verspreid onder apothekers die gebruik maken van haar diensten. De video is, zoals artikel 9 van de Gedragscode verlangt, in overeenstemming met en in de geest van de gestelde gedragsregels voor mondelinge en schriftelijke reclame.

De Commissie heeft zich afgevraagd of het tonen van de (namen van) preparaten als hiervoor aangehaald reclame is voor specifieke geneesmiddelen. Hoewel de Commissie zich had kunnen voorstellen dat die namen, die geen bijzondere functie in de video vervullen, niet waren getoond, kan zij daarin geen aanprijzing van een geneesmiddel zien, nu over de eigenschappen van die geneesmiddelen, in het bijzonder ook niet over het geneeskundig effect, geen informatie wordt verstrekt. Ervan uitgaande dat apothekers slechts dan gebruik zullen maken van de diensten van [X], indien voor het gevraagde product geen equivalent in de handel is, acht de Commissie het tonen van de namen van de hiervoor genoemde preparaten niet in strijd met de Gedragscode.

De conclusie is daarom dat de video beoordeeld vanuit de Gedragscode toelaatbaar is.