RB
DOSSIERS
Alle dossiers

Internet  

RB 2291

Onjuiste weergave aantal beschikbare tickets is misleidend

RCC 11 december 2014, RB 2291 (tickettribune.nl)
tickettribune.pngAanbeveling. Misleiding. Art. 7 en 8.2 NRC. De uiting: “De live optredens zijn altijd zeer spraakmakend. Zorg daarom dat je op tijd Sting tickets bestelt”. “Beschikbare Paul Simon & Sting tickets: vakken A/B/C voorraad: 20, Eerste Ring Lange Zijde voorraad: 20." De klacht: De website geeft consistent aan dat er nog 20 tickets beschikbaar zijn, waardoor het lijkt alsof de consument zich moet haasten om een ticket te kunnen bemachtigen. Het ligt niet voor de hand dat er van elk concert inderdaad slechts 20 tickets beschikbaar zijn.

3. Met betrekking tot de klacht over de op de website weergegeven ticketvoorraad oordeelt de Commissie als volgt. Adverteerder heeft erkend dat van de concerten waarvan op de website staat vermeld dat er een ticketvoorraad is van 20, nog tickets kunnen worden bijbesteld bij de leverancier. Het aantal van 20 suggereert een beperkte beschikbaarheid, die bovendien versterkt wordt door de mededeling dat tickets snel zijn uitverkocht, terwijl in werkelijkheid sprake is van een ruimer aanbod. De Commissie is van oordeel dat adverteerder door de consument op deze wijze voor te lichten onjuiste informatie heeft verstrekt ten aanzien van de beschikbaarheid als bedoeld in artikel 8.2 aanhef en onder b van de Nederlandse Reclame Code (hierna: NRC). Omdat de gemiddelde consument hierdoor ertoe gebracht kan worden een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen, is de uiting op dit punt misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC.
RB 2289

Google geen 'adverteerder' bij tonen advertenties Chinese verkopers

Vz RCC 9 december 2014, RB 2289 (MiniInTheBox)
12270661142927510_mini-in-the-box-miniinthebox-com.pngVoorzittersbeslissing. Afwijzing (gedeeltelijk). Misleiding. Art. 7 NRC. De uiting: Het betreft advertenties die op Google verschijnen na het invoeren van bepaalde zoekopdrachten. De klacht: onwetende klanten in Nederland zullen op de onderhavige Google-advertenties klikken en vervolgens een product kopen waarvoor tegen een zeer lage prijs wordt geadverteerd. In de uitingen wordt niet gezegd dat de prijs exclusief btw, invoerrechten en eventuele PostNL kosten is. Hierdoor krijgt de consument die iets bestelt achteraf btw en een boete opgelegd. Ook kunnen er invoerrechten worden geheven en bestaat de mogelijkheid van vernietiging van het pakket. In de uitingen wordt niet gezegd dat het praktisch onmogelijk is om producten bij defecten te retourneren. Op de pakbon worden voorts extreem lage bedragen vermeld om de Nederlandse douane te omzeilen. Klager stelt dat Google adverteerder hierbij helpt en stelt dat Google hierop dient te worden aangesproken.

1) De voorzitter constateert dat klager de onderhavige klacht tegen Google heeft ingesteld wegens het feit dat Google advertenties van bedrijven als MiniInTheBox mogelijk maakt. Nu Google echter, naar klager erkent, niet de adverteerder is en voorts geen aanleiding bestaat om Google mede verantwoordelijk te achten voor de onderhavige advertenties, vat de voorzitter de klacht in deze zin op, dat deze is gericht tegen (de advertenties van) MiniInTheBox.

2) Beoordeeld dient te worden of de advertenties op de Nederlandse consument zijn gericht. De voorzitter beantwoordt deze vraag bevestigend. De onderhavige advertenties zijn immers in de Nederlandse taal en vermelden de prijzen in euro’s. Kennelijk betreft dit een bewuste keuze van adverteerder, nu deze in China is gevestigd. Voorts neemt de voorzitter aan dat de advertenties doorlinken naar de website van adverteerder, waar men de producten kan bestellen. Het is de voorzitter ambtshalve gebleken dat in de extensie van die website de vermelding “nl” is opgenomen waardoor een versie van deze website wordt getoond die onmiskenbaar specifiek voor de Nederlandse consument is bedoeld. De voorzitter oordeelt op grond van het voorgaande dat de advertenties op de Nederlandse consument zijn gericht, zodat de (voorzitter van de) Reclame Code Commissie bevoegd is daarover te oordelen.

3) Voor zover het producten betreft met een waarde tot € 22,--, hoeft adverteerder niet te vermelden dat btw verschuldigd is. Immers, tot dit bedrag is, naar algemeen bekend kan worden verondersteld, geen btw of andere heffing vanwege de overheid verschuldigd.

4) Met betrekking tot het product dat is omschreven als “V959-16 Camera” en dat € 29,43 kost, ligt dit anders. Voor dit product is bij de invoer wel btw verschuldigd. Naar het oordeel van de voorzitter had, rekening houdend met de in artikel 8.4 onder i in verbinding met artikel 8.3 aanhef en onder c van de Nederlandse Reclame Code (NRC) omschreven informatieverplichting, alsmede met het feit dat de btw niet bij de aankoop maar pas bij de invoer verschuldigd is, adverteerder ten aanzien van het hier bedoelde product reeds in de uiting dienen te vermelden dat de prijs van dit product exclusief btw is, zodat voor de consument duidelijk is dat er nog extra kosten verschuldigd zijn. Het betreft essentiële informatie die in de uiting niet mocht ontbreken. Voorts is de voorzitter van oordeel dat de gemiddelde consument door het ontbreken van die informatie ertoe gebracht kan worden een besluit over een transactie te nemen, dat hij anders niet zou hebben genomen. Om die reden is de uiting misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC. Adverteerder kan overigens, gelet op de summiere aard van de advertenties, volstaan met de vermelding dat de prijs van het hier bedoelde product exclusief btw is. Van andere heffingen is, gelet op de waarde van de hier bedoelde zending, geen sprake, zodat deze niet hoeven te worden vermeld.

5) Voor zover klager stelt dat er “eventuele PostNL kosten” verschuldigd zijn boven het aankoopbedrag, is de voorzitter van oordeel dat klager deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. De voorzitter oordeelt op grond hiervan dat geen aanleiding bestaat te veronderstellen dat de consument die de aangeprezen producten bij adverteerder bestelt, dergelijke kosten verschuldigd zal (kunnen) zijn. Evenmin kan de klacht slagen voor zover klager stelt dat het bij bedrijven die “handel drijven vanuit China” praktisch onmogelijk is om producten bij defecten te retourneren respectievelijk dat op de pakbon extreem lage bedragen worden vermeld om de Nederlandse douane te omzeilen en dat de mogelijkheid van vernietiging van de verzending bestaat. Klager heeft onvoldoende onderbouwd dat deze bezwaren ook specifiek voor adverteerder gelden.

De beslissing:

Op grond van hetgeen onder 4) is vermeld acht de voorzitter de reclame-uiting waarin de “V959-16 Camera” voor € 29,43 wordt aangeprezen in strijd met het bepaalde in artikel 7 NRC. De voorzitter beveelt adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken. Voor het overige wijst de voorzitter de klacht af.
RB 2287

NHA misleidt met “erkende” opleidingen

CVB RCC 23 december 2014, RB 2287 (NHA)
nha_logo.gifVernietiging (gedeeltelijk). Aanbeveling. Art. 7 NRC. BRC sub b. Het College is van oordeel dat de door NHA bedoelde cursussen die uitsluitend “erkenning in de markt” genieten niet als “erkend” kunnen worden beschouwd. Het enkele feit dat de door NHA aangeboden cursussen in de markt wel een bepaald aanzien genieten, is onvoldoende om deze dezelfde status toe te kennen als de officieel door het Ministerie van OCW of de desbetreffende branche erkende cursussen. Het College vernietigt daarom de bestreden beslissing met betrekking tot de televisiecommercial waarin wordt gezegd dat men bij NHA “400 erkende opleidingen en cursussen” vindt. “Erkend door Ministerie van Onderwijs” en “De voordeligste erkende opleider van Nederland” in de context van de hier bedoelde uitingen wekt bovendien de indruk dat de erkenning ziet op het gehele opleiding- en cursusaanbod van NHA, zodat ook in dit opzicht sprake is van misleiding en oneerlijke reclame.

4. Het College is van oordeel dat de door NHA bedoelde cursussen die uitsluitend “erkenning in de markt” genieten niet als “erkend” in de hiervoor (onder 2) bedoelde zin kunnen worden beschouwd. Het enkele feit dat de door NHA aangeboden cursussen die niet officieel zijn erkend mogelijk in de markt wel een bepaald aanzien genieten, is onvoldoende om deze dezelfde status toe te kennen als de officieel door het Ministerie van OCW of de desbetreffende branche erkende cursussen. Derhalve oordeelt het College dat de cursussen die uitsluitend “erkenning in de markt” genieten buiten beschouwing dienen te blijven bij de vraag hoeveel erkende opleidingen en cursussen NHA in totaal aanbiedt. Op grond hiervan ziet het College overigens ook geen aanleiding om Laudius nog in staat te stellen te reageren op hetgeen namens NHA ter zitting in beroep is aangevoerd. Dit kan immers niet tot een ander oordeel leiden.

5. Uit het voorgaande volgt dat NHA haar mededeling in de televisiecommercial dat zij 400 erkende opleidingen en cursussen aanbiedt, niet kan waarmaken. In werkelijkheid is het aantal erkende opleidingen en cursussen aanzienlijk lager dan het in de televisiecommercial genoemde aantal en nog niet eens de helft van het genoemde aantal. Derhalve oordeelt het College dat NHA in zoverre geen juiste informatie heeft verstrekt over de status van de erkenning van de door haar aangeboden cursussen als bedoeld in artikel 8.2 aanhef en onder f NRC. Tevens handelt NHA hierdoor in strijd met het bepaalde in de bijzondere reclamecode sub b (Cursussen) dat in samenhang met de hiervoor bedoelde bepalingen van de Nederlandse Reclame Code dient te worden uitgelegd. Grief 1 treft op grond van het voorgaande doel.

(…)

8. Het College oordeelt derhalve, in aanvulling op de beslissing van de Commissie, dat de mededelingen dat NHA is “Erkend door Ministerie van Onderwijs” en “De voordeligste erkende opleider van Nederland” in de context van de hier bedoelde uitingen de indruk wekken dat de erkenning ziet op haar als organisatie voor het gehele opleiding- en cursusaanbod dat zij verzorgt. Dat NHA in de hier bedoelde uitingen vermeldt: “Erkend/aangewezen door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op grond van de WEO en WEB en WHW voor zover het onderwijs onder de reikwijdte van de wet valt”, neemt deze misleiding onvoldoende weg. In navolging van hetgeen de Commissie onbestreden heeft overwogen, oordeelt ook het College dat deze mededeling voor de gemiddelde consument onvoldoende begrijpelijk is en onvoldoende duidelijk maakt dat bedoelde erkenning niet tevens ziet op NHA als organisatie die het desbetreffende cursusaanbod verzorgt. Hierdoor handelt NHA ook in zoverre in strijd met artikel 8.2 aanhef en onder f NRC in verbinding met het bepaalde in de bijzondere reclamecode sub b (Cursussen). De gemiddelde consument kan hierdoor ertoe gebracht worden een besluit over een transactie te nemen, dat hij anders niet had genomen. Om die reden is de uiting op dit punt eveneens misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC.
RB 2285

Prijsvermeldingen Hotel Booker en Hotelkamerveiling.nl zijn oneerlijke handelspraktijk

Hof Den Haag 23 december 2014, RB 2284; ECLI:NL:GHDHA:2014:4446 (Hotels.nl tegen Hotel Booker en Hotelkamerveiling.nl)
Uitspraak ingezonden door Alexandra van Beelen, TRIP Advocaten & Notarissen. Oneerlijke handelspraktijk. 6:193a-j BW. Art. 6:193e onder c BW brengt mee dat aanbieders vanaf de eerste uitnodiging tot aankoop de prijs inclusief onvermijdbare kosten moeten vermelden. Bij variabele onvermijdbare kosten moeten deze extra kosten bovendien direct, dus zonder tussenkomst van de consument, worden getoond. Vanaf-prijzen waarvoor het product niet geboekt kan worden mogen daarnaast niet worden gebruikt. Bij veilingen geldt de afwijking dat onvermijdbare vaste en variabele kosten niet in de bied/startprijzen opgenomen te worden, omdat dit evenwel tot verwarring kan leiden. Dergelijke kosten moeten echter wel op transparante wijze naast of onder de biedingsprijs worden vermeld. Het hof vernietigt het vonnis (RB 1964) en veroordeelt tot aanpassing van de reclame-uitingen.

4.7 Het hof is voorhands van oordeel dat het bepaalde in artikel 6:193e onder c BW meebrengt dat de aanbieders van reisaanbiedingen gehouden zijn reeds vanaf de eerste uitnodiging tot aankoop:
(i) tot het publiceren van prijzen (al of niet gespecificeerd) inclusief de op het van publicatie bekende vaste onvermijdbare kosten die voor de aangeboden dienst moeten worden betaald;
(ii) ten aanzien van variabele onvermijdbare kosten - waarvan de hoogte niet vooraf kan worden berekend omdat deze afhankelijk zijn van bepaalde keuzes van de consument - direct zichtbaar, zonder dat een nadere handeling van de consument is vereist, naast of onder de geadverteerde prijs op transparante wijze te specificeren welke bijkomende kosten per boeking er zijn en wat de hoogte daarvan is of, indien de hoogte niet vooraf kan worden weergegeven, hoe de consument de hoogte van die kosten kan berekenen; en
(iii) geen gebruik te maken van ‘vanaf’-prijzen/(start)prijzen waarvoor de desbetreffende producten of diensten niet geboekt kunnen worden.

4.12 Wel volgt het hof Hotelkamerveiling.nl in haar verweer dat van haar niet kan worden gevergd om de onvermijdelijke vaste en variabele (bijkomende) kosten (zoals de veilingkosten) in haar bied/startprijzen op te nemen. Met het veilingconcept, zoals dat door Hotelkamerveling.nl op haar site wordt vormgegeven, laat zich bezwaarlijk verenigen dat de bijkomende kosten die Hotelkamerveiling.nl in rekening brengt in de biedingsprijs  tot uitdrukking moeten worden gebracht. Zulks is bij veilingen niet gebruikelijk en zal wellicht tot verwarring kunnen leiden. Dat laat onverlet dat Hotelkamerveiling.nl gehouden is alle onvermijdelijke (vaste en variabele) kosten die zij in rekening brengt conform het bepaalde in rechtsoverweging 4.7 direct of onder de bindingsprijs op transparante wijze te vermelden.

Lees de uitspraak (pdf/html)

Op andere blogs:
Hoogenraad & Haak

RB 2284

Overnachtingsadvertentie op Funda onfatsoenlijk tegenover verkoper

Vz. RCC 28 oktober 2014, RB 2283 (Funda & Nationale Nederlanden)
BvmM_bzIUAAq1T4.jpg:largeVoorzitterstoewijzing. Aanbeveling. Goede smaak en fatsoen. Art. 2 NRC. De uiting: Het betreft de website www.funda.nl voor zover ten aanzien van de woning aan de [adres] wordt meegedeeld: “Droomhuis gevonden? Slaap er eerst een nachtje!”. De klacht: De reclame suggereert dat een belangstellende in de woning kan overnachten. Dit is intimiderend voor de huizenbezitter, in dit geval de twee bejaarde ouders van klager. Zij zijn zich niet bewust van het feit dat hun woning wordt ingezet voor deze reclame-uiting.

1) De klacht heeft betrekking op een uiting waarin een woning te koop wordt aangeboden met daarbij het aanbod om “eerst een nachtje” daarin te slapen. Uit de verdere tekst van de uiting blijkt dat dit aanbod aan voorwaarden is verbonden, in die zin dat men eerst moet vragen of men in de woning mag overnachten waarna de makelaar contact met de eigenaar opneemt om dit te bespreken. Voorts staat in de uiting de link “Kijk hoe het werkt”, waarmee blijkbaar meer informatie kan worden opgevraagd over deze mogelijkheid. Derhalve dient eerst een bepaalde procedure te worden gevolgd voordat een belangstellende in de onderhavige woning kan overnachten.

2) Het voorgaande neemt echter niet weg dat het voor de verkoper wel duidelijk dient te zijn dat op deze wijze voor zijn woning wordt geadverteerd. Het gaat immers om een aanbod waarbij hij zijn woning tijdelijk ter beschikking van een derde zou dienen te stellen. Denkbaar is dat de verkoper niet aan een dergelijke wijze van adverteren wenst mee te werken omdat dit indruist tegen zijn eigendomsrecht en zijn recht op privacy. Naar het oordeel van de voorzitter dienen verweerders daarom eerst toestemming aan de eigenaar van de woning te vragen voordat zij op deze wijze (dat wil zeggen met het aanbod om in de woning te overnachten) reclame maken.

3) Klager heeft onweersproken gesteld dat zijn ouders (de gezamenlijke eigenaren van de woning) niet vooraf zijn geïnformeerd over de onderhavige wijze van reclame maken. Van vooraf verkregen toestemming voor de bestreden uiting kan dan ook geen sprake zijn. De voorzitter acht om die reden de bestreden uiting in strijd met de goede smaak en het fatsoen als bedoeld in artikel 2 van de Nederlandse Reclame Code (NRC). Naar hedendaagse maatstaven dient ook bij een terughoudende toetsing aan deze normen, wegens hun subjectieve aard, het maatschappelijk ontoelaatbaar te worden geacht dat zonder toestemming van de eigenaar van een woning in een reclame-uiting het aanbod wordt gedaan in diens woning te overnachten. Dat, zoals vermeld, aan dit aanbod wel bepaalde voorwaarden zijn verbonden, leidt niet tot een ander oordeel.

4) De voorzitter acht beide verweerders verantwoordelijk voor de uiting. Deze is immers gepubliceerd op de website van Funda kennelijk in overleg met verweerder sub 1, die door Funda als adverteerder wordt aangemerkt. (…)
RB 2280

Publicatie primaire boetebesluit AFM toegestaan

CBb 2 december 2014, RB 2280 (Publicatie AFM-boetebesluit)
10-percent.pngBoetebesluit AFM naar aanleiding van de uitzending van een reclamespotje over een beleggingsproduct, waarin onvoldoende duidelijk is gewaarschuwd voor mogelijke risico’s. Artikel 51, derde lid, MiFID-richtlijn. Toetsingskader artikelen 1:97 en 1:98 Wft. De artikelen 1:97 en 1:98 Wft moeten richtlijnconform worden toegepast. Dit betekent dat het College thans van oordeel is, anders dan in eerdere uitspraken is overwogen, dat moet worden getoetst of het besluit van AFM om tot publicatie van het boetebesluit over te gaan geen onevenredige schade toebrengt aan de betrokken partijen. In het onderhavige geval is daarvan geen sprake.

 



3.10
[naam 1] heeft niet betwist dat AFM haar naamsvoorganger bij de emissie van de [naamsvoorganger van naam 1] reeds heeft gewaarschuwd door middel van een voornemen tot het geven van een aanwijzing, en er daarbij op gewezen is dat de desbetreffende reclame-uiting niet voldeed aan het duidelijkheidsvereiste van artikel 4:19, tweede lid, Wft. Nu [naam 1] niet heeft aangegeven op grond van welke argumenten de overweging van de rechtbank onjuist zou zijn, moet worden geoordeeld dat dit onderdeel van de grief onvoldoende is onderbouwd en om die reden faalt.

De publicatie
3.15 (...) Gelet evenwel op de bedoeling van de wetgever om de MiFID-richtlijn in de Wft te implementeren, ziet het College aanleiding om de artikelen 1:97 en 1:98 Wft richtlijnconform toe te passen. Dit betekent dat het College thans van oordeel is, anders dan in eerdere uitspraken (bijvoorbeeld de uitspraak van 11 februari 2013, ECLI:NL:CBB:2013:BZ1864), dat moet worden getoetst of het besluit van AFM om tot publicatie over te gaan geen onevenredige schade toebrengt aan de adressaat van het boetebesluit. Dit betekent voorts, gelet op de formulering van artikel 51, derde lid, MiFID-richtlijn, dat AFM bij iedere voorgenomen openbaarmaking van een maatregel of sanctie wegens schending van een in de MiFID-richtlijn opgenomen verplichting, in het kader van de daarbij te verrichten belangenafweging moet toetsen of zodanige publicatie geen onevenredige schade toebrengt aan de betrokken partijen. Aangezien het belang van de toezichthouder bij publicatie slechts wijkt voor het belang van de betrokken partijen in geval van “onevenredige” schade, is het College van oordeel dat het in zodanig geval om een individuele, bijzondere situatie dient te gaan, waarbij de door de financiële onderneming als gevolg van de publicatie te verwachten schade zodanig uitzonderlijk is dat het belang van de bescherming van de markt daarvoor moet wijken.
Belangenafweging
3.16
Van een uitzonderlijke situatie als hiervoor bedoeld is in het onderhavige geval, naar ook de rechtbank in de tussenuitspraak heeft overwogen, geen sprake. Het College overweegt hiertoe dat de overtreding dateert uit de periode april/mei 2010, dat [naam 1] met ingang van 1 december 2012 haar activiteiten heeft gestaakt en dat [naam 1] onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat desondanks sprake is van “onevenredige” schade in de hiervoor bedoelde zin.

Wat mag worden gepubliceerd?
3.17
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraken ten aanzien van de hoogte van de boete dienen te worden vernietigd, omdat de rechtbank de bestreden besluiten in zoverre ten onrechte heeft vernietigd. Als gevolg daarvan zal het primaire boetebesluit, waarbij aan [naam 1] een boete van € 62.500,-- is opgelegd, herleven. In deze situatie is het College van oordeel dat het stelsel van de artikelen 1:97 en 1:98 Wft, gelet ook op hetgeen hiervoor in 3.15 en 3.16 is overwogen, zich er niet tegen verzet wanneer AFM alsnog overgaat tot openbaarmaking van het primaire boetebesluit. Om deze reden zullen de aangevallen uitspraken tevens worden vernietigd voor wat betreft de (vernietiging van de) publicatie van het primaire boetebesluit. Grief c van AFM slaagt in zoverre.
Aan een beoordeling van de in het kader van grief c door AFM betrokken algemene stelling dat zij, in het kader van het op de hoogte brengen van het publiek van de wijze waarop zij uitvoering geeft aan haar toezichtstaak alle besluiten mag publiceren, ook voor zover onderdelen daarvan door de rechter zijn vernietigd, komt het College onder deze omstandigheden niet toe.
RB 2279

ACM verklaart bezwaar SD&P tegen boetes voor SMS-spam gedeeltelijk gegrond

ACM 31 oktober 2014, RB 2278 (SD&P Interactive tegen ACM)
direct-marketing-e1306736134639-300x300.jpgUit het persbericht: ACM heeft op 28 april 2010 aan SD&P boetes opgelegd van in totaal 550.000 euro vanwege overtreding van het spamverbod. Het bedrijf verzond zonder voorafgaande toestemming sms-berichten aan consumenten die hun gegevens hadden achtergelaten op een commerciële website waarmee je kans kon maken op een gratis product.

Nadat eerst is geprocedeerd over de vraag of SD&P tegen dit sanctiebesluit wel naar behoren bezwaar had gemaakt velt ACM in deze zaak nu een inhoudelijk oordeel op bezwaar. Het bezwaar van SD&P wordt gedeeltelijk gegrond verklaard, omdat uit de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 5 juni 2014 [IT 1525] volgt dat een deel van de sms-berichten die SD&P heeft verzonden (de zogenoemde vervolgberichten) niet kan worden beschouwd als ‘direct marketing’ en daarmee niet onder het spamverbod valt.

De overige verzonden sms-berichten (de zogenoemde aanmeldberichten) beschouwt ACM wel als ‘direct marketing’. Bovendien zijn deze berichten ongevraagd en zonder toestemming aan consumenten verzonden. Daarom blijft ACM bij haar eerdere oordeel dat het verzenden van dit soort berichten een overtreding van het spamverbod oplevert. ACM matigt de daarvoor opgelegde boete van 150.000 euro naar 60.000 euro. Dit gebeurt omdat die overtreding minder ernstig wordt gevonden, nu de andere overtredingen niet overeind zijn gebleven.

RB 2276

Website-informatie over geldigheid doorverkochte tickets

CBb 5 november 2014, RB 2276 (Budgetticket en Worldticketshop tegen ACM)
Logo_budgetticket%25281%2529.jpgEerder Rb Rotterdam Last onder dwangsom. Appellanten houden zich bezig met het via websites aan consumenten doorverkopen van tickets voor concerten en (sport)evenementen. Naar aanleiding van een handhavingsverzoek van de Belgische FOD Economie heeft de rechtsvoorgangster van ACM – de Consumentenautoriteit (in het navolgende eveneens als ACM aangeduid) – onderzocht of de wijze waarop appellanten via hun websites kaartjes voor evenementen verkopen in overeenstemming is met consumentenbeschermingsregels.

3.1. (...) Appellanten hebben betoogd dat van ongeldigheid van het ticket van de KNVB of van Teleticketservice geen sprake kan zijn, aangezien dit niet als een vordering op naam, maar als een vordering aan toonder is aan te merken. Voorts hebben appellanten bestreden dat het op hun websites in de uitnodiging tot aankoop niet als een van de voornaamste kenmerken van het product vermelden dat het ticket ongeldig is, een overtreding oplevert van, kort gezegd, artikel 8.8 van de Whc.

3.4 Gelet op het vorenstaande kan niet worden staande gehouden dat ongeldigheid van het ticket behoorde tot de voornaamste kenmerken van het product als bedoeld in artikel 193e, aanhef en onder a, van het BW en daarmee tot de essentiële informatie die niet mag worden weggelaten bij een uitnodiging tot aankoop. Tot die essentiële informatie behoorde naar het oordeel van het College wel de omstandigheid dat het hier ging om een doorverkocht ticket en dat bij de oorspronkelijke verkoop de algemene voorwaarden van de KNVB of Teleticketservice van toepassing zijn verklaard en dat – gezien de uitleg die de KNVB en Teleticketservice aan die algemene voorwaarden geven – aan het kopen van dit ticket het risico is verbonden dat daarmee de toegang tot het evenement wordt geweigerd. Het door appellanten niet op duidelijke, begrijpelijke en ondubbelzinnige wijze verstrekken van deze informatie aangaande de voornaamste kenmerken van het product levert een overtreding op van artikel 8.8 van de Whc in verbinding met artikel 6:193d en 6:193e, aanhef en onder a, van het BW.

3.5. ACM had dan ook bij het vaststellen van de overtreding (wat betreft het in hoger beroep nog aan de orde zijnde onderdeel) kunnen en moeten volstaan met het constateren van laatstbedoelde omissie. Nu zij dat niet heeft gedaan is zij in zoverre haar bevoegdheid te buiten gegaan. Dit brengt ook met zich dat de opgelegde last op dit onderdeel te ruim is geformuleerd. ACM had de last strekkende tot voorkoming van herhaling van de overtreding moeten beperken overeenkomstig hetgeen hierboven in rubriek 3.4 is overwogen. Voor zover de last ertoe strekt informatie te verstrekken over “het feit dat het ticket ongeldig is”, kan zij dan ook niet in stand blijven.

3.6. Het hoger beroep slaagt. De aanvallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het College het bestreden besluit vernietigen, voor zover daarbij de hier aan de orde zijnde gedeelten van last 4 ([naam 1] B.V.) en last 3 ([naam 2] B.V.) zijn gehandhaafd. Het College zal die lasten gedeeltelijk herroepen zoals in rubriek 3.5 van deze uitspraak is overwogen.

Het College:
- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat de aan [naam 1] B.V. opgelegde last 4 en de aan [naam 2] B.V. opgelegde last 3 ter zake van overtreding van artikel 8.8 van de Whc in verbinding met artikel 6:193d juncto artikel 6:193e, aanhef en onder a, van het BW in stand kunnen worden gelaten;
- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van appellanten tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dit besluit voor zover ACM de aan [naam 1] B.V. opgelegde last 4 en aan [naam 2] B.V. opgelegde last 3 heeft gehandhaafd;
- herroept het primaire besluit, voor zover daarbij aan [naam 1] B.V. in last 4 en aan [naam 2] in last 3 de last is opgelegd om in de uitnodigingen tot aankoop op de websites (...) op duidelijke, begrijpelijke en ondubbelzinnige wijze informatie te verstrekken over (..) “het feit dat het ticket ongeldig is en” en bepaalt dat deze tussen aanhalingstekens geplaatste zinsnede vervalt;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;
- draagt ACM op het betaalde griffierecht van € 478 aan appellanten te vergoeden;
- veroordeelt ACM in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 974.

RB 2275

Afbeelding locatie racecirquit wekt misleidende indruk

RCC 10 november 2014, RB 2275 (FIA Formula E)
fia_top.pngAanbeveling. Misleiding. Voornaamste productkenmerken. Art. 7 en 8.2 NRC. De uiting: Het betreft de website www.fiaformulae.com voor zover op deze website in verband met Formule E races, waarbij met elektrische voertuigen wordt gereden, wordt gezegd dat deze zullen plaatsvinden “in the heart of 10 of the world’s leading cities - including London, Bejing and Los Angeles - racing around their iconic landmarks”. Op de website zijn voorts beelden te zien van raceauto’s in het centrum van Londen waarbij het gebouw van het Britse parlement en de Big Ben zichtbaar zijn. Boven de foto’s staat: “Formula E races into London”. De klacht: De Formule E races worden aangeprezen als een evenement waarbij in het centrum van steden wordt geracet, waarbij onder meer foto’s van het Britse parlement zijn te zien. Inmiddels zijn de autoriteiten teruggekomen op hun beslissing deze races in het centrum van steden mogelijk te maken. Klager maakt bezwaar tegen laatstbedoelde mededelingen en de foto’s die de suggestie wekken dat in het centrum van de stad langs de iconische bezienswaardigheden daarvan wordt geracet.

3) Blijkens het voorgaande is geen juiste informatie verstrekt over de specifieke locaties van de Formula E races. De locatie kan als een van de voornaamste kenmerken van het onderhavige product worden beschouwd in de zin van artikel 8.2 aanhef en onder b van de Nederlandse Reclame Code (NRC). Door de onjuiste informatie kan de gemiddelde consument zich niet een goed beeld vormen van de exacte locatie van de races. In plaats van dat de races zullen plaatsvinden in het toeristische epicentrum met de daarbij behorende bezienswaardigheden, zoals de consument op grond van de tekst van de uiting en de foto’s van Londen zal verwachten, zullen de races plaatsvinden in gebieden buiten dat epicentrum met, naar moet worden aangenomen, toeristisch minder belangrijke bezienswaardigheden.

4) De Commissie acht het denkbaar dat dit laatste van invloed kan zijn op de beslissing van de gemiddelde consument of hij de races wil bijwonen. Juist de aanwezigheid van belangrijke toeristische trekpleisters direct langs de route kan van toegevoegde waarde zijn voor de consument die een dergelijke race persoonlijk wenst bij te wonen. Adverteerder speelt hierop ook in door de suggestie te wekken dat in het toeristische epicentrum van de steden wordt geracet. Dit kan ertoe leiden dat de gemiddelde consument op basis van onjuiste verwachtingen een besluit over een transactie neemt, welk besluit hij mogelijk niet zou hebben genomen indien hij zou hebben geweten dat de race op enige afstand van dat centrum en de iconische bezienswaardigheden plaatsvindt. In dat kader merkt de Commissie voorts op dat op de website, zoals blijkt uit de door adverteerder overgelegde pagina’s, een directe mogelijkheid wordt geboden om tickets te bestellen. Hieruit volgt dat de uiting, anders dan adverteerder stelt, de gemiddelde consument tot een onjuiste transactie kan bewegen. In feite dient de uiting als een uitnodiging tot aankoop te worden gekwalificeerd. Nu op basis van de misleidende informatie op de website de consument ertoe kan worden gebracht om tickets te bestellen, acht de Commissie de uiting misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC. Derhalve wordt beslist als volgt

RB 2270

Geen vermelding kredietcheck is misleidend en gebrekkig

RCC 6 november 2014, RB 2270 (drogistplein.nl)
drogistplein_logo.jpgAanbeveling. Misleiding. Ontbrekende informatie. Art. 7 en 8.3 NRC. De uiting: Het betreft de website www.drogistplein.nl voor zover op deze website op de pagina afrekenen/betaalmethode een kader staat met daarin de mededeling “Betalen via iDeal, creditcard acceptgiro, vooruitbetaling”. De klacht: Klager stelt, kort samengevat, dat op de pagina afrekenen/betaalmethode staat dat met acceptgiro betaald kan worden. Dit is na het invullen van alle gegevens niet als betaalmethode te vinden. Op de pagina klantenservice/betaalmethode wordt een mogelijkheid van het betalen met een acceptgiro niet genoemd.

3) Naar het oordeel van de Commissie had adverteerder de consument in enige mate dienen te informeren over het feit dat bestellingen op basis van betaling per acceptgiro alleen worden uitgevoerd onder de voorwaarde van een positieve uitkomst van haar kredietcheck. Het betreft essentiële informatie in de zin van artikel 8.3 aanhef en onder c Nederlandse Reclame Code (NRC) in verbinding met artikel 8.4 aanhef en onder k (NRC), immers informatie die direct verband houdt met de wijze van betaling. Deze informatie mag in de uiting niet ontbreken. Zonder deze informatie zal de consument immers erop vertrouwen dat een bestelling waarbij is gekozen voor de optie betaling met acceptgiro zal worden uitgevoerd, ongeacht zijn financiële situatie. Voorts is de Commissie van oordeel dat de gemiddelde consument hierdoor ertoe gebracht zou kunnen worden een besluit over een transactie te nemen, dat hij anders niet zou hebben genomen. Om die reden is de uiting misleidend en daardoor oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC.

4) De Commissie begrijpt dat klager vervolgens niet meer de optie van betalen met een acceptgiro kreeg aangeboden omdat hij is “afgekeurd”. Dit neemt niet weg dat hij op grond van het voorgaande wel had dienen te worden geïnformeerd over de voorwaarde van een positieve uitkomst van de kredietcheck, zodat duidelijk is voor hem waarom hij niet meer de mogelijkheid van betaling per acceptgiro zag staan.