RB
DOSSIERS
Alle dossiers

Berichten Reclamerecht  

RB 1766

Motie over bindende afspraken kidsmarketing

Motie over bindende afspraken over kidsmarketing, kamerstukken II, 32 793, nr. 81.

MOTIE VAN HET LID BRUINS SLOT
Voorgesteld 4 juni 2013
De Kamer, gehoord de beraadslaging,
constaterende dat afspraken over reclames voor kinderen tussen 7 en 12 jaar massaal genegeerd worden;
overwegende dat kinderen in die leeftijdscategorie erg beïnvloedbaar voor kidsmarketing zijn;
overwegende dat dergelijke guerrillamarketing het gezag van ouders ondermijnt;
verzoekt de regering, in overleg te gaan met de branchevereniging en het bedrijfsleven om bindende afspraken te maken over kidsmarketing tussen 7 en 12 jaar op televisie, internet en sociale media en bij onvoldoende voortgang tot regelgeving over te gaan,
en gaat over tot de orde van de dag.

Bruins Slot

 

RB 1764

Kleurige kleertjes of wereldleed: het is maar wat je ziet

J.J.C. Kabel, 'Kleurige kleertjes of wereldleed: het is maar wat je ziet', in: M. Balk, G.C. Boot, R.A. Dudok van Heel (red.), Recht voor gewone mensen (Peeters-bundel), Amsterdam 2013.

Een bijdrage van  Jan Kabel, UvA / DLA Piper. De werktitel van deze afscheidsbundel, ‘Recht voor gewone mensen’, is gelukkig gekozen voor het werk dat mr. Peeters heeft verricht als voorzitter van een van de kamers van de Reclamecode Commissie (RCC of de Commissie). Die Commissie, daterend van het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw, is immers mede ingesteld voor gewone mensen. Mede, want zelfregulering, de Nederlandse Reclame Code (NRC) is daar een voorbeeld van, is nooit alleen door nobele doeleinden ingegeven, maar wordt gemaakt “to keep the federal camel’s nose out of industry’s tent”. In genoemde jaren zestig van de vorige eeuw dreigde een strafrechtelijke aanpak van reclame die de consument zou misleiden; de industrie, onder de bezielende leiding van advocaat Stibbe nam het voortouw, er werd naar het voorbeeld van de Code van de Internationale Kamer van Koophandel een Nederlandse Code gemaakt, en ziedaar: de kameel trok zijn neus op en volgde een andere weg. Dat neemt niet weg dat de Nederlandse Reclame Code een code is voor gewone mensen: iedereen die meent dat een reclame-uiting niet voldoet aan de regels van de Reclame Code kan hierover een klacht indienen bij de RCC.

(dit artikel is zeer ingekort, lees de gehele bijdrage hier, of klik citeerwijze)

Besluit
Mr. Peeters’ impliciete opvatting is helder: adverteerders besteden hun geld niet aan boodschappen die geen omzet opleveren. De advertentie waar hij over oordeelde scoorde qua merkbekendheid ongekend hoog: bijna 50%. Sinds OlivieroToscani vertrok, kampt het bedrijf met dalende omzet. De recente Unhatecampagne waarbij wereldleiders elkaar kussen, moet Benetton’s bekendheid weer wat opvijzelen. Dergelijke campagnes moeten worden gezien naar hetgeen zij bewerkstelligen: merkbekendheid. De opvatting van het BVerfGH past in een ontwikkeling waarin de grens tussen commerciële en andersoortige publiciteit vervaagt. De koopman praat als een dominee. Dat is een niet onhollandse gewoonte. De waardering van beide zij, wat mij betreft, in de woorden van het BGH, “immer die des Betrachters.”

RB 1763

No go voor Adword campagne van Marks & Spencer

UK High Court of Justice 21 mei 2013, [2013] EWHC 1291 (Ch) (Interflora tegen Marks and Spencer)
Een redactionele bijdrage van Daan van Eek, Hoogenraad & Haak advocaten.

Toen de Engelse consument in 2008 'Interflora' intoetste op Google kreeg hij/zij waarschijnlijk een Marks & Spencer advertentie te zien. Volgens de Engelse rechter was het voor die consument echter onduidelijk dat de twee ondernemingen concurrent zijn. Waarom? Diezelfde rechter vond dat de normaal geïnformeerde en redelijk oplettende internetgebruiker weinig kennis van Adwords heeft. Is dat in Nederland anders?

Marks & Spencer gebruikte al enige tijd het merk INTERFLORA als Adword: iedere keer als een internetgebruiker dat merk als zoekterm intoetste, verscheen een advertentie van M&S. Daar was Interflora niet blij mee: via die advertenties van M&S liep zij natuurlijk een hoop inkomsten mis. De zaak kwam tot de hoogste Europese rechter [red. HvJ EU zaak C-323/09]. Het Hof van Justitie besliste dat het gebruik van een (bekend) merk van een concurrent als keyword (Adword) onder bepaalde voorwaarden toegestaan is. Daarmee kan die adverteerder immers de eigen vindbaarheid in – in dit geval – Google verbeteren.

Lees verder

RB 1762

Oneerlijke karakter van zogenaamde formulierovereenkomsten

HvJ EU 30 mei 2013, zaak C-397/11 (Jőrös) - dossier
Quotesystem.co.uk Registration FormVerzoek om een prejudiciële beslissing, Fővárosi Bíróság, Hongaije. Uitlegging van artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Nationale wettelijke regeling op grond waarvan de toetsing door de nationale rechter van het oneerlijke karakter van zogenaamde „formulierovereenkomsten” beperkt is wanneer partijen hem niet uitdrukkelijk verzoeken om dit oneerlijke karakter vast te stellen. Bevoegdheid van de nationale rechter in tweede aanleg om ambtshalve te toetsen of een beding in een hem ter beoordeling voorgelegde overeenkomst oneerlijk is, terwijl dit punt in eerste aanleg niet naar voren is gebracht en volgens de nationale regels in hoger beroep geen rekening kan worden gehouden met nieuwe feiten of bewijzen.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1) Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moet aldus worden uitgelegd dat een nationale rechter, wanneer bij hem hoger beroep aanhangig is over de geldigheid van bedingen in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument, gesloten op basis van een door die verkoper van tevoren opgesteld formulier, en hij op grond van de nationale regels van procesrecht bevoegd is alle nietigheidsgronden die duidelijk blijken uit de in eerste aanleg aangevoerde gegevens te beoordelen en zo nodig de rechtsgrondslag die ten betoge van de ongeldigheid van die bedingen is aangevoerd overeenkomstig de vastgestelde feiten te herformuleren, ambtshalve of door herformulering van de rechtsgrondslag van de vordering moet toetsen of die bedingen uit het oogpunt van de in deze richtlijn gegeven criteria oneerlijk zijn.

2) Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter die vaststelt dat een contractueel beding oneerlijk is, zonder te wachten tot de consument daarom verzoekt, alle consequenties die volgens het nationale recht voortvloeien uit deze vaststelling moet trekken, teneinde zich ervan te vergewissen dat die consument niet is gebonden aan dat beding, en voorts, in beginsel aan de hand van objectieve criteria, moet beoordelen of de betrokken overeenkomst zonder dat beding kan voortbestaan.

3) Richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter die ambtshalve heeft vastgesteld dat een contractueel beding oneerlijk is, de nationale regels van procesrecht zo veel mogelijk aldus moet toepassen dat alle consequenties worden getrokken die volgens het nationale recht voortvloeien uit de vaststelling van het oneerlijke karakter van het betrokken beding, teneinde zich ervan te vergewissen dat de consument niet is gebonden aan dat beding.

Gestelde vragen:

1) Is de handelwijze van een nationale rechter in overeenstemming met artikel 7, lid 1, van richtlijn [93/13] indien hij, na te hebben vastgesteld dat een van de algemene contractvoorwaarden waarop de vordering betrekking heeft oneerlijk is, de nietigheid van de overeenkomst op die grond onderzoekt, ook al hebben partijen deze niet specifiek opgeworpen?

2) Moet de nationale rechter de door een consument ingeleide procedure ook afdoen als bedoeld in de eerste vraag hoewel normaliter, wanneer de gelaedeerde zijn vordering op het oneerlijke karakter van een van de algemene contractvoorwaarden baseert, de desbetreffende nietigverklaring niet onder de bevoegdheid van een lokale rechtbank maar onder die van een hogere rechtbank valt?

3) Kan de nationale rechter, bij een bevestigend antwoord op de tweede vraag, het oneerlijke karakter van een van de algemene contractvoorwaarden ook in een procedure in hogere aanleg onderzoeken, indien dit in de procedure in eerste aanleg niet is onderzocht en krachtens de nationale regeling in de beroepsprocedure in de regel geen nieuwe feiten meer in aanmerking kunnen worden genomen noch nieuwe bewijsmaatregelen kunnen worden gelast?”

RB 1761

Oneerlijke bedingen in consument(huur)overeenkomsten

HvJ EU 30 mei 2013, zaak C-488/11  (Asbeek Brusse en de Man Garabito) - dossier

empty roomVerzoek om een prejudiciële beslissing van het Gerechtshof te Amsterdam.
Als randvermelding.
Uitlegging van artikel 6 van richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Huurovereenkomst tussen bedrijfsmatige verhuurder en huurder die privé handelt. Kwalificatie van de verhuurder als verkoper van goederen of dienstverrichter. Regels van openbare orde.

1) Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moet aldus worden uitgelegd dat zij, afgezien van de bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van nationaal recht zijn overgenomen, wat door de nationale rechter dient te worden nagegaan, van toepassing is op een huurovereenkomst voor woonruimte, gesloten tussen een verhuurder die handelt in het kader van zijn bedrijfs‑ of beroepsactiviteit en een huurder die handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs‑ of beroepsactiviteit vallen.

2) Richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat:
– de nationale rechter, wanneer bij hem door een verkoper tegen een consument een vordering is ingesteld over de uitvoering van een overeenkomst en hij op grond van de nationale regels van procesrecht bevoegd is ambtshalve na te gaan of het aan de vordering ten grondslag liggende beding in strijd is met nationale regels van openbare orde, op dezelfde wijze ambtshalve moet toetsen of dat beding uit het oogpunt van de in deze richtlijn gegeven criteria oneerlijk is, wanneer hij heeft vastgesteld dat het beding binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt;
– de nationale rechter, wanneer hij op grond van de nationale regels van procesrecht bevoegd is ambtshalve over te gaan tot vernietiging van een beding dat in strijd is met de openbare orde of met een dwingende wetsbepaling waarvan de strekking deze sanctie rechtvaardigt, in beginsel, na partijen de gelegenheid te hebben gegeven op tegenspraak hun standpunt kenbaar te maken, ambtshalve moet overgaan tot vernietiging van een contractueel beding waarvan hij het oneerlijke karakter uit het oogpunt van de in de richtlijn gegeven criteria heeft vastgesteld.

3) Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat een nationale rechter die heeft vastgesteld dat een boetebeding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument oneerlijk is, er niet mee mag volstaan, zoals dit op grond van het nationale recht is toegestaan, de hoogte van de ingevolge dat beding aan die consument in rekening gebrachte boete te matigen, maar zonder meer verplicht is dat beding voor de consument buiten toepassing te laten.

RB 1760

AFM Waarschuwing tegen misleidende reclames

AFM Nieuwsbrief: Waarschuwing tegen misleidende reclames en informatie over lijfrentes.
Iedere maand verschijnt de consumentennieuwsbrief van de AFM. Lees nu de nieuwsbrief van mei met actuele berichten voor consumenten, (surf)tips en de vraag van de maand. Onderwerpen in deze nieuwsbrief: Misleidende reclames prijzen risicovolle producten aan als alternatief voor sparen.

RB 1758

Wijziging overeenkomst plaatsing advertenties en redactioneel artikel na gedragingen

Gerechtshof Arnhem 23 april 2013, LJN CA1254 (Sanoma Men's Magazines B.V. tegen Quinta Marketing B.V.)
Overeenkomst tot plaatsing advertenties en redactioneel artikel in weekblad. De inzet van dit geding is de betaling van twee facturen. En gedragingen en verklaringen ná de totstandkoming van de overeenkomst die op grond van Haviltex tot wijziging overeenkomst hebben geleid. Vonnis kantonrechter wordt vernietigd.

Sanoma valt de overwegingen van de kantonrechter aan dat niet conform de opdracht is gehandeld en dat daarom de kosten van de eerste advertentie in redelijkheid tussen partijen moeten worden gedeeld, voor de eerste advertentie en dat Sanoma de tweede advertentie zonder nader overleg heeft geplaatst vóórdat het redactionele artikel was verschenen. Daarmee zou voor de tweede advertentie geen opdracht zijn, en hoeft niet te worden betaald.

Er zijn tijdstippen afgesproken voor het aanleveren van het voor de advertenties en het redactionele artikel benodigde materiaal en voor het plaatsen van de advertenties. Het redactionele artikel is op verzoek van Quinta enige malen uitgesteld, omdat Quinta niet in staat was het materiaal tijdig aan te leveren. Er is toen een andere afspraak gemaakt.

Sanoma mocht, gelet op de tussen partijen gemaakte afspraken, de overeengekomen uitstellen, de door Sanoma verzonden facturen, de rappellen van Sanoma, de reacties van de kant van Quinta op die rappellen en het uitblijven van het materiaal voor het redactionele artikel, er vanuit gaan dat Quinta instemde met plaatsing van de twee advertenties, ook zonder dat na de eerste advertentie het redactionele artikel was geplaatst. Vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd en Quinta dient de facturen te betalen.

4.11 (...) Het hof is van oordeel dat Sanoma gelet op de tussen partijen gemaakte afspraken, de overeengekomen uitstellen, de door Sanoma verzonden facturen, de rappellen van Sanoma, de reacties van de kant van Quinta op die rappellen en het uitblijven van het materiaal voor het redactionele artikel, in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs ervan mocht uitgaan dat Quinta instemde met plaatsing van de twee advertenties, ook zonder dat na de eerste advertentie het redactionele artikel was geplaatst. Sanoma mocht er, gezien de reacties van de kant van Quinta, redelijkerwijze vanuit gaan dat Quinta instemde met de facturering vooraf en daarmee met de plaatsing van de beide advertenties na elkaar, zonder dat het redactionele artikel, waarvoor Quinta immers nog niet conform afspraak het benodigde materiaal had aangeleverd ondanks dat de daarvoor afgesproken deadline reeds geruime tijd was verstreken, daartussenin zou worden geplaatst. Het hof betrekt bij dit oordeel tevens dat Quinta in de toen ontstane situatie geen duidelijkheid heeft geschapen met betrekking tot haar wensen omtrent de plaatsing van de diverse onderdelen van het pakket, terwijl voor haar duidelijk moet zijn geweest dat de oorspronkelijke planning niet kon worden aangehouden nu zij zelf in gebreke bleef met het tijdig aanleveren van het materiaal voor het redactionele artikel.

Het hof is dan ook met Sanoma van oordeel dat de omstandigheid dat enkel het plaatsen van de advertenties niet het beoogde effect heeft gehad, welk effect wel met het gehele pakket zou kunnen zijn bereikt, voor rekening en risico van Quinta komt en dat geen sprake is van een tekortkoming aan de kant van Sanoma.

4.12  Op grond van het voorgaande slagen de grieven 1 en 2. Het bestreden vonnis moet worden vernietigd en de vordering van Sanoma tot betaling van de twee facturen voor de geplaatste advertenties dient alsnog geheel te worden toegewezen, met de gevorderde wettelijke handelsrente daarover vanaf de uiterste betaaldatum van de respectieve facturen.

 

RB 1757

Gemeenten mogen koopzondagen voortaan zelf regelen

Uit't persbericht: Gemeenten beslissen binnenkort zelf of winkels op zondag al dan niet open mogen zijn. De Eerste Kamer heeft dinsdag ingestemd met een initiatief-wetsvoorstel van Tweede Kamerleden van D66 en GroenLinks dat de Winkeltijdenwet wijzigt en de verantwoordelijkheid voor winkelopenstelling op zondag bij gemeenten legt. Het wetsvoorstel kreeg steun van VVD, PvdA, PVV, D66, GroenLinks, PvdD, 50PLUS en het CDA, op twee leden na. Tegen het wetsvoorstel stemden: SP, ChristenUnie, SGP, OSF en de CDA-senatoren Van Bijsterveld en Franken. De datum van inwerkingtreding is aan de regering, de indieners bepleitten 1 juli 2013.

Lees verder

RB 1751

Reclamerecht jurisprudentielunch 2013

link
Op donderdag 30 mei van 12.00 – 15.15 organiseert uitgeverij deLex weer een jurisprudentiebijeenkomst reclamerecht in De Balie te Amsterdam
Tijdens deze bijeenkomst behandelen twee ervaren sprekers (Ebba Hoogenraad en professor Jan Kabel) belangrijke en actuele jurisprudentie. Zowel Nederlandse uitspraken, zelfregulering en Europese uitspraken rondom commerciële communicatie komen aan bod. Het gaat onder meer over vergelijkende reclame in de gewone rechtspraak over de laatste tien jaar (na de implementatie van april 2002 van Richtlijn 97/55/EG).
Ook komen de ontwikkelingen op het gebied van het 'reclame'-begrip, misleiding, kleine lettertjes, autoreclames aan bod.

Inschrijven: link

Programma
11.30 – 12.00 uur Ontvangst en intekenen
12.00 – 13.30 uur Prof. Jan Kabel, IViR en DLA Piper
13.45 – 15.15 uur Ebba Hoogenraad, Hoogenraad & Haak
15.15 uur Einde programma

Er zijn 3 PO-punten toegekend door de orde van Advocaten

Plaats
De Balie
Kleine Gartmanplantsoen 10, Amsterdam
Uw route plannen: hier
Parkeersuggestie: Parkeergarage Byzantium

Kosten deelname
€ 325,00 Per persoon
€ 285,00 Sponsors Reclameboek/leden VvRr, en
€ 95,00 Rechterlijke macht/wetenschappelijk personeel (full time)
Genoemde prijzen zijn incl. lunch, koffie, thee, documentatie, excl. BTW.
Kortingen kunt u via de vernieuwde webshop zelf aangeven

Inschrijven: hier

RB 1756

Bijdrage afscheidsbundel Peeters: U heeft niet gewonnen!

O.M.B.J. Volgenant, 'U heeft niet gewonnen!', in: M. Balk, G.C. Boot, R.A. Dudok van Heel (red.), Recht voor gewone mensen (Peeters-bundel), Amsterdam 2013.
Een bijdrage van Otto Volgenant, Kennedy Van der Laan.

Conclusie: De rechtspraak overziend is de conclusie dat er vanuit juridisch oogpunt weinig te doen is tegen een teleurstellende afloop bij het meedoen aan een quiz of loterij. Doordat de deelnemer de algemene voorwaarden van de organisator accepteert is de ruimte om na te hebben verloren alsnog een prijs te claimen of de organisator aansprakelijk te stellen uiterst beperkt. De uitspraak van mr. Peeters waardoor Obe niet mee mocht doen met de finale van de Kennisquiz waarin hij mogelijk de slimste brugklasser van Nederland zou worden, past naadloos in de lijn van die jurisprudentie. Het is dus zaak voor de gewone man om eerst te bedenken of hij goed genoeg tegen zijn verlies kan alvorens mee te doen aan een quiz of een loterij. Kun je niet tegen je verlies, doe dan niet mee. En alle lezers van deze bijdrage zullen zich, wanneer zij in de toekomst eens aan de oever van de Taag mochten staan – in Spanje óf in Portugal! – herinneren dat mr. Peeters daar ooit een verstandig vonnis over wees.

Dit artikel is sterk ingekort, lees de gehele bijdrage hier of klik op de citeerwijze.