Prejudiciële vragen over de ‘Schlüssigkeitstheorie’
Prejudiciële vragen gesteld aan HvJ EU 20 juni 2013, zaak C-365/13 (Kolassa)
Prejudiciële vragen gesteld door Raad van State (België). EEX. Consumentenbescherming. Prospectusverplichting.
Verzoeker Harald Kolassa heeft in 2005 € 68.180,36 geïnvesteerd in obligaties aan toonder, voor tien jaar (met tussentijdse opzegmogelijkheid) uitgegeven door Barclays Bank, verweerster. De participaties werden verkocht via institutionele beleggers. Verzoeker deed de bestelling bij zijn bank die de stukken betrekt via haar Duitse moedermaatschappij. Zoals gebruikelijk levert verzoekers bank niet de certificaten aan haar cliënten maar cliënten krijgen een recht op aanspraak op levering van certificaten naar verhouding. De eindwaarde van de obligaties wordt bepaald aan de hand van een index die uit een portefeuille van verschillende onderliggende fondsen bestaat. XI Fund Allocation GmbH wordt aangewezen om deze portefeuille samen te stellen en te beheren, maar dit blijkt later een firma list en bedrog te zijn (fraude en piramidebeleggingen) zodat er van verzoekers winst niets overblijft. Hij daagt Barclays Bank en eist €73.705,07 als vergoeding voor de door hem geleden schade onrechtmatige daad omdat hij de investering nooit zou zijn aangegaan als verweerster aan betere spreiding van risico had gedaan en betere controles had verricht op de beleggingsbeheerder XI.
De verwijzende Oostenrijkse rechter onderzoekt allereerst zijn bevoegdheid om deze zaak te beslissen. Hij vraagt zich af of de rechtsverhouding tussen verzoeker en de verweerster een verbintenis uit overeenkomst is in de zin van de EEX-Vo omdat verzoeker de overeenkomst niet rechtstreeks met verweerder heeft gesloten. Evenmin is verzoeker, vanwege bovengeschetste procedure, een obligatiehouder. Of verzoeker een beroep kan doen op onrechtmatige daad hangt onder meer af van het antwoord op de vraag waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan als een belegger op grond van gebrekkige informatie een investering aangaat die hij niet zou zijn aangegaan als hij correct was geïnformeerd. Hij constateert dat het HvJ EU niet eerder expliciet is ingegaan op de problemen van de zgn ‘Schlüssigkeitstheorie’ waarbij de vraag of sprake is van een in het kader van de betreffende regeling beschermd belang, aan de orde te komen bij de beoordeling van de ontvankelijkheid en dus niet pas bij de beoordeling ten gronde.
Hij stelt een hele reeks vragen die terug te vinden is op de pagina’s 2, 3 en 4 van de verwijzingsbeschikking.
Onduidelijke informatie. Ontbreken essentiële informatie. Aanbeveling. Het betreft adverteerders reclamefolder op de voorzijde waarvan onder meer staat “16 % voordeel op alles*”.
Ontbreken essentiële informatie. Aanbeveling. Het betreft een televisiereclame waarin met betrekking tot de Fashioncheque onder meer wordt gezegd: “Geef je een cadeau, dan geef je Fashioncheque. Fashioncheque is te besteden bij heel veel winkels en te koop bij Primera en PostNL”. Tot slot worden vier Fashioncheques getoond. Op drie cheques staat successievelijk “50”, “20” en “100”. Op de vierde cheque ontbreekt een dergelijke aanduiding.
Prejudiciële vragen gesteld door het Hof van beroep te Brussel, België.
Beslissing ingezonden door Ranee van der Straaten, 
Kinderen. Leeftijdsgrens. Afwijzing. Het betreft de aanbieding van een reis naar Brazilië in de “Verre reizen Top 5” op adverteerders website www.arke.nl.
Bevestiging afwijzing van de klacht. Het betreft de onderstaande reclame-uitingen betreffende de “gratis keukenmini’s”:- de posters aangebracht op de winkelruiten en in de winkels met de tekst “Jij kan alles maken!” en “gratis keukenmini’s”, en - de televisiereclame, waarin men kinderen boodschappen ziet doen, en waarin onder meer gezegd wordt “Je kunt nu keukenmini’s verzamelen bij Albert Heijn. We hebben 50 nieuwe mini’s voor in je keukentje. () Dus de komende weken zorgen de kinderen voor het eten. (…) Gratis keukenmini’s bij elke € 15,- aan boodschappen. Gewoon bij Albert Heijn”.
Beschikbaarheid. Aanbeveling. Het betreft de