RB

Algemene regels  

RB 4054

ACM-boete Volkswagen herroepen wegens schending ne-bis-in-idembeginsel

Rechtspraak (NL/EU) 2 jun 2026,, RB 4054; ECLI:NL:CBB:2026:227 (Volkswagen tegen ACM), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/acm-boete-volkswagen-herroepen-wegens-schending-ne-bis-in-idembeginsel

CBb 2 juni 2026, RB 4045; ECLI:NL:CBB:2026:227 (Volkswagen tegen ACM). De ACM legt Volkswagen op grond van de Wet handhaving consumentenbescherming een bestuurlijke boete van € 450.000 op wegens drie gestelde oneerlijke handelspraktijken rond dieselauto’s met de verboden EA 189-manipulatiesoftware. Volgens de ACM handelt Volkswagen in strijd met de vereisten van professionele toewijding door de verboden software te installeren, te gebruiken en te verzwijgen. Daarnaast zou zij consumenten hebben misleid met milieuclaims, zoals “schoner rijden” en “meest milieuvriendelijke en ecologisch verantwoorde dieselversie”, en ten onrechte de indruk hebben gewekt dat de auto’s aan de voorwaarden voor de Europese typegoedkeuring voldeden. De rechtbank Rotterdam laat de boete in stand. Volkswagen stelt in hoger beroep dat zij voor hetzelfde feitencomplex al onherroepelijk is bestraft door het Duitse openbaar ministerie, dat haar een boete van € 1 miljard oplegde: € 5 miljoen als sanctie en € 995 miljoen ter ontneming van het verkregen economische voordeel.

RB 4053

Animatie voor verhitte tabak valt niet onder uitzondering op reclameverbod

Rechtspraak (NL/EU) 9 jun 2026,, RB 4053; ECLI:NL:CBB:2026:253 ([naam 1] tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/animatie-voor-verhitte-tabak-valt-niet-onder-uitzondering-op-reclameverbod

CBb 9 juni 2026, RB 4053; ECLI:NL:CBB:2026:253 ([naam 1] tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport). In een tabaksspeciaalzaak wordt op een lcd-scherm een animatie getoond voor een apparaat waarmee tabak wordt verhit en de daarbij behorende tabaksticks. De animatie bevat onder meer de mededeling “95% minder schadelijke stoffen vergeleken met sigaretten”, toont een vergelijking tussen het verhitte tabaksproduct en een brandende sigaret en vermeldt schadelijke stoffen alleen bij de sigaret. De verplichte gezondheidswaarschuwing “Tabaksproducten zijn dodelijk” ontbreekt in de animatie. Niet in geschil is dat de animatie reclame vormt in de zin van artikel 1 lid 1 Tabaks- en rookwarenwet en daarom in beginsel onder het reclameverbod van artikel 5 lid 1 Trw valt. De destijds geldende uitzondering voor reclame in een tabaksspeciaalzaak geldt alleen wanneer aan de voorschriften van de Tabaks- en rookwarenregeling is voldaan, waaronder het verbod om op enige wijze een positief verband met de gezondheid te leggen en de verplichting om reclame voor rookloze tabaksproducten van de voorgeschreven gezondheidswaarschuwing te voorzien.

RB 4051

Rb. Amsterdam: klantenbestand kwalificeert als bedrijfsgeheim

Rechtspraak (NL/EU) 11 jun 2026,, RB 4051; ECLI:NL:RBAMS:2026:5976 ((TMU tegen [gedaagde])), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-amsterdam-klantenbestand-kwalificeert-als-bedrijfsgeheim

Rb. Amsterdam 11 juni 2026, IEF 23627; IT 5312; ECLI:NL:RBAMS:2026:5976 (TMU tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen TMU en [gedaagde] staat de vraag centraal of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door een klantenbestand van TMU te gebruiken voor eigen marketingactiviteiten. De voorzieningenrechter oordeelt dat het klantenbestand van TMU een bedrijfsgeheim vormt en dat [gedaagde] door het zonder toestemming gebruiken van dat bestand onrechtmatig heeft gehandeld op grond van onder meer artikel 6:162 BW en de Wet bescherming bedrijfsgeheimen (Wbb). [gedaagde] wordt bevolen ieder verder gebruik van het klantenbestand te staken en opgave te doen van de met het bestand verrichte marketingactiviteiten en de daarmee behaalde omzet en winst. TMU is actief op het gebied van handelseducatie en financiële markten en verkoopt cursussen over handelen op de financiële markt. [gedaagde] exploiteert een concurrerende onderneming. Partijen hadden sinds 2022 zowel een zakelijke als persoonlijke relatie. In april 2026 verstuurde [gedaagde] vanaf zijn eigen e-mailadres een commerciële e-mail aan een groot aantal adressen die onderdeel bleken te zijn van het klantenbestand van TMU. In die e-mail presenteerde hij zich als de "mentor van uw mentor" en maakte hij reclame voor zijn eigen diensten. Daarnaast plaatste hij een vergelijkbaar bericht op Telegram. Van de 66 adressen waarvan TMU meldingen ontving, kwamen er 64 voor in haar klantenbestand. Elf ontvangers verklaarden bovendien dat zij het betreffende e-mailadres uitsluitend gebruikten voor hun account bij TMU. Volgens TMU had een voormalig opdrachtnemer eind 2025 een grote hoeveelheid vertrouwelijke bedrijfsinformatie ontvreemd, waaronder het klantenbestand. TMU stelde dat [gedaagde] daarmee onrechtmatig handelde en tevens in strijd met de Wet bescherming bedrijfsgeheimen (Wbb) en de regels over vergelijkende reclame. [gedaagde] voerde aan dat hij het adressenbestand anoniem had ontvangen via een link, er niet voor had betaald en niet wist van wie het afkomstig was. Nadat hij de e-mails had verzonden, zou hij het bestand weer hebben verwijderd. De voorzieningenrechter overweegt dat [gedaagde] onder deze omstandigheden had moeten begrijpen dat een dergelijk klantenbestand economische waarde vertegenwoordigt. Als actief handelaar op een concurrerende markt ontving hij zonder tegenprestatie een omvangrijk adressenbestand. Door dat bestand zonder enige controle voor eigen commerciële doeleinden te gebruiken, heeft hij willens en wetens het risico aanvaard dat hij inbreuk maakte op rechten van derden. Dat handelen is voorshands onrechtmatig. Daarbij weegt mee dat [gedaagde] de e-mail zelf heeft opgesteld en daarin expliciet verwees naar [naam 1] van TMU, die hij persoonlijk kende. Verder acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat TMU geen toestemming heeft gegeven voor verspreiding van haar klantenbestand, dat het bestand aanzienlijke economische waarde vertegenwoordigt en bovendien het voornaamste bedrijfsdebiet van TMU vormt. Daarom wordt het gevorderde verbod op verdere verkrijging, openbaarmaking en gebruik van het klantenbestand toegewezen, waaraan een dwangsom wordt verbonden van € 20.000 per dag met een maximum van € 500.000

RB 4044

A-G HvJ EU: algemene meldplicht voor import van voedingssupplementen strijdig met Unierecht

EU 7 jul 2026,, RB 4044; ECLI:EU:C:2025:1004 (PRAGON s.r.o. tegen Státní zemědělská a potravinářská inspekce, Inspektorát v Praze), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/a-g-hvj-eu-algemene-meldplicht-voor-import-van-voedingssupplementen-strijdig-met-unierecht

HvJ EU 18 december 2025, RB 4044; LS&R 2409; ECLI:EU:C:2025:1004 (PRAGON s.r.o. tegen Státní zemědělská a potravinářská inspekce, Inspektorát v Praze). In deze zaak tussen PRAGON s.r.o. en de Tsjechische landbouw- en voedselinspectie staat de vraag centraal of een nationale regeling die importeurs van voedingssupplementen verplicht de bevoegde autoriteiten ten minste 24 uur vóór aankomst van de producten vanuit een andere lidstaat daarvan op de hoogte te stellen, verenigbaar is met Unierecht. De advocaat-generaal bespreekt met name de verhouding tussen het vrije verkeer van goederen en de volledig geharmoniseerde regels voor officiële controles op levensmiddelen in Verordening (EU) 2017/625. Volgens de conclusie verzet die verordening zich tegen een algemene en voortdurende meldplicht voor een gehele categorie levensmiddelen, zoals voedingssupplementen. PRAGON importeert voedingssupplementen uit andere lidstaten en verkoopt deze online en via fysieke winkels. Op grond van Tsjechische regelgeving moet iedere ontvangst van bepaalde levensmiddelen uit een andere lidstaat of uit een derde land uiterlijk 24 uur vóór aankomst worden gemeld aan de nationale voedselautoriteit. Daarbij moeten onder meer gegevens worden verstrekt over het soort product, de hoeveelheid, de herkomst, de ontvanger en het verwachte tijdstip van aankomst. PRAGON stelde dat deze verplichting ertoe leidt dat producten niet direct kunnen worden geleverd en daardoor een niet-tarifaire handelsbelemmering vormt. Bovendien geldt een dergelijke meldplicht niet voor vergelijkbare producten die zich reeds op Tsjechisch grondgebied bevinden, waardoor ingevoerde producten volgens PRAGON ongunstiger worden behandeld. De verwijzende Tsjechische rechter vraagt zich af of deze systematische meldplicht verenigbaar is met artikel 9 lid 7 van Verordening (EU) 2017/625. Daarbij wijst hij erop dat de regeling niet alleen extra administratieve lasten en kosten veroorzaakt, maar ook producenten en distributeurs kan ontmoedigen om voedingssupplementen op de Tsjechische markt aan te bieden. Daarnaast twijfelt de verwijzende rechter of een algemene meldplicht voor alle voedingssupplementen wel evenredig is, nu de risico's binnen deze productcategorie sterk uiteenlopen. De advocaat-generaal stelt allereerst vast dat de zaak moet worden beoordeeld aan de hand van Verordening (EU) 2017/625 en niet rechtstreeks aan de artikelen 34 en 36 VWEU. Volgens vaste rechtspraak worden nationale maatregelen immers uitsluitend getoetst aan de toepasselijke harmonisatieregels wanneer een terrein volledig door Unierecht is geharmoniseerd. De verordening vormt volgens de advocaat-generaal een volledig geharmoniseerd kader voor de organisatie van officiële controles op levensmiddelen. De nationale meldplicht moet daarom worden beoordeeld aan artikel 9 lid 7 van die verordening. Vervolgens bespreekt de advocaat-generaal de betekenis van artikel 9 lid 7. Uit de tekst, de systematiek en de doelstellingen van de verordening leidt hij af dat voorafgaande melding van goederen uit een andere lidstaat slechts bij uitzondering mag worden verlangd.

RB 4043

HvJ EU: consument moet worden gewezen op mogelijke douanekosten, niet op exacte bedragen

Rechtspraak (NL/EU) 7 jul 2026,, RB 4043; ECLI:EU:C:2026:399 (D.V. tegen Kigas MB), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-consument-moet-worden-gewezen-op-mogelijke-douanekosten-niet-op-exacte-bedragen

HvJ EU 13 mei 2026, RB 4043; ECLI:EU:C:2026:399 (D.V. tegen Kigas MB). In deze zaak tussen D.V. en Kigas staat de vraag centraal welke precontractuele informatieverplichtingen op grond van artikel 5 lid 1 onder a en c van Richtlijn 2011/83/EU rusten op een vervoerder die aan een consument een internationale goederenvervoersdienst verleent. Het Hof van Justitie beoordeelt in hoeverre een vervoerder de consument vooraf moet informeren over douaneformaliteiten en mogelijke douanerechten wanneer goederen vanuit een derde land naar de Europese Unie worden vervoerd. Daarbij staat de verhouding tussen de consumenteninformatieplichten uit de Consumentenrechtrichtlijn en de verplichtingen van afzender en vervoerder onder het CMR-Verdrag centraal; het Hof past beide regelingen naast elkaar toe, waarbij de CMR vooral de interne allocatie van verantwoordelijkheden tussen afzender en vervoerder regelt, terwijl de richtlijn ziet op de bescherming van de consument. D.V. sloot telefonisch met vervoerder Kigas een overeenkomst voor het vervoer van onder meer motorfietsen, een quad, wasmachines en wasdrogers van Noorwegen naar Litouwen tegen een prijs van € 450. Bij de overdracht van de goederen verklaarde D.V. dat geen douaneaangifte nodig was omdat de goederen voor persoonlijk gebruik bestemd waren. Tijdens een grenscontrole in Zweden stelden de douaneautoriteiten echter vast dat de goederen bij binnenkomst in de Europese Unie moesten worden aangegeven. Kigas betaalde daarop de verschuldigde douanerechten van ongeveer € 3.890 en bracht deze vervolgens, naast de overeengekomen vervoersprijs, bij D.V. in rekening. Omdat D.V. weigerde deze kosten te betalen, hield Kigas één motorfiets achter totdat betaling zou plaatsvinden. De Litouwse rechter stelde prejudiciële vragen over de omvang van de informatieplicht van de vervoerder onder Richtlijn 2011/83. Het Hof stelt voorop dat de vervoersovereenkomst zowel onder het toepassingsgebied van de Consumentenrechtrichtlijn als van het CMR-Verdrag valt. De richtlijn beoogt een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen door consumenten vóór het sluiten van een overeenkomst voldoende informatie te geven om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. De omvang van die informatieplicht moet worden beoordeeld aan de hand van de aard van de aangeboden dienst. Ten aanzien van artikel 5 lid 1 onder a van Richtlijn 2011/83 oordeelt het Hof dat de mogelijkheid dat voor de invoer van goederen douaneformaliteiten moeten worden vervuld een belangrijk kenmerk vormt van een internationale vervoersdienst.

RB 3651

Geen reflexwerking consumentenbescherming voor kleine ondernemer

Nederland 28 jan 2022,, RB 3651; ECLI:NL:RBGEL:2022:2146 (Nederland Bruist tegen Gedaagde), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-reflexwerking-consumentenbescherming-voor-kleine-ondernemer

Rb. Gelderland 28 januari 2022, RB 3651; ECLI:NL:RBGEL:2022:2146 (Nederland Bruist tegen Gedaagde) Gedaagde heeft als 'kleine' zelfstandige ondernemer een overeenkomst gesloten met Nederland Bruist voor het adverteren in het magazine van Nederland Bruist. De algemene voorwaarden van Nederland Bruist zijn op deze overeenkomst van toepassing. Gedaagde wilde 3 dagen na het sluiten van de overeenkomst de overeenkomst annuleren, maar dit was volgens Nederland Bruist niet zomaar mogelijk. In artikel 10 van de algemene voorwaarden zijn de bepalingen betreffende de annulering van het advertentiecontract opgenomen, waaruit bleek dat dit niet kosteloos kon plaatsvinden. Nederland Bruist vordert deze kosten, zoals opgenomen binnen het contract, van gedaagde. Het verweer van gedaagde, dat spraken zou moeten zijn van een reflexwerking van consumentenbescherming voor kleine ondernemers, slaagt volgens de rechtbank niet en deze verwijst in dit kader naar een arrest van de Hoge Raad waarin eenzelfde verweer aan de orde was. Gedaagde dient dus de volledige contractsom aan Nederland Bruist te betalen. Ook het enkele 'voelen van druk' bij het sluiten van de overeenkomst bleek onvoldoende gefundeerd om de rechter in andere banen te leiden.

RB 3283

Gall & Gall voert promotie met misleidende beschikbaarheid

Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 6 feb 2019,, RB 3283; 2018/00861 (Klaagster tegen Gall & Gall), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gall-gall-voert-promotie-met-misleidende-beschikbaarheid

Vz. RCC 6 februari 2019, RB 3283; dossiernr. 2018/00861 (Klager tegen Gall & Gall). Gedeeltelijke voorzitterstoewijzing. Misleiding beschikbaarheid. Het betreft een op 24 november 2018 in het NRC Handelsblad gepubliceerde advertentie van Gall & Gall in het kader van ‘Topselectie wijnen’ waarin onder meer een ‘Tokara Director’s Reserve 2014’ wordt aangeboden voor € 11,99. In de advertentie staat, haaks op de verdere inhoud daarvan: “Deze actie is geldig t/m woensdag 5 december 2018, of zolang de voorraad strekt”. Toen klaagster de wijn uit de advertentie bij aanvang van de actie wilde kopen bleek deze niet meer beschikbaar.

2)  Wel is de klacht gegrond voor zover klaagster bezwaar maakt tegen het feit dat zij van de actie geen gebruik kon maken doordat de wijn bij de aanvang van de actie in (een aantal) filialen van adverteerder niet te koop was, terwijl het evenmin mogelijk was de wijn via de webshop van adverteerder te bestellen. Op het moment dat een actie start, dient immers altijd enige voorraad van het actieproduct beschikbaar te zijn, tenzij in de reclame-uiting bepaalde filialen worden uitgezonderd. De vermelding “zolang de voorraad strekt” of een soortgelijke vermelding ontslaat adverteerder niet van deze verplichting (vgl. dossier 2013/000085). Op grond van het voorgaande acht de voorzitter de uiting in strijd met het bepaalde in artikel 8.2 aanhef en onder b van de Nederlandse Reclame Code (NRC). De uiting wekt immers ten onrechte de indruk dat de desbetreffende wijn als aanbieding beschikbaar is. Verder is de voorzitter van oordeel dat de gemiddelde consument hierdoor ertoe gebracht kan worden een besluit over een transactie te nemen, dat hij anders niet had genomen. Om die reden acht de voorzitter de bestreden uiting misleidend en oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC.

RB 3285

Uitspraak ingezonden door Jeroen Lubbers van Dirkzwager.

Brief aan ouders is geoorloofd nu er geen aanprijzing wordt gedaan

Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 12 feb 2019,, RB 3285; 2018/00733 (Bibliotheek op school), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/brief-aan-ouders-is-geoorloofd-nu-er-geen-aanprijzing-wordt-gedaan

RCC 12 februari 2019, RB 3285; dossiernr. 2018/00733 (Bibliotheek op school). Bevestiging voorzittersafwijzing. De bestreden uiting betreft een geadresseerde brief van de bibliotheek waarin onder meer staat:  "Uit onze gegevens blijkt dat uw kind op dit moment geen gebruik maakt van dit bibliotheekabonnement. Wilt u wel gebruik maken van het abonnement in onze bibliotheken dan kunt u gratis een pas aanvragen bij een van onze bibliotheken. Uw kind kan dan meteen een stapel leuke boeken mee naar huis nemen. Wilt u geen gebruik meer maken van het bibliotheekabonnement buiten de ‘Bibliotheek op school’, dan hoeft u niks te doen. Na 2 maanden wordt uw kind afgemeld voor dit bibliotheekabonnement."

De klacht wordt als volgt samengevat. In de brief wordt de suggestie gewekt dat de bibliotheek en klagers kind een overeenkomst zijn aangegaan, die binnenkort eindigt of verlengd moet worden. Volgens klager is er geen klantrelatie, zijn de persoonsgegevens niet verkregen uit hoofde van een overeenkomst of na verkoop van een product of dienst. Klagers dochter heeft begin 2018 “ongevraagd” van de juf in de klas een pas van de bibliotheek gekregen. Klager heeft de bibliotheek er toen op gewezen dat er nooit een overeenkomst tot stand is gekomen, en de persoonsgegevens van zijn kind onrechtmatig verkregen en verwerkt zijn. Uit de brief die hij nu ontving (de onderhavige uiting) blijkt dat er nog steeds persoonsgegevens onrechtmatig worden verwerkt: er is geprofileerd en gekeken naar het gebruik van de pas en ook voor de verzending van deze brief zijn onrechtmatig persoonsgegevens verwerkt. De brief, die aanspoort tot verlengen of opnieuw afsluiten van het abonnement is direct mail, aldus klager. Klager en zijn dochter staan ingeschreven bij Postfilter. Volgens klager handelt de bibliotheek in strijd met de volgende artikelen: Artikel 2 van de Nederlandse Reclame Code (NRC) wegens strijd met de algemene verordening gegevensbescherming (AVG), artikelen 8 en 14 NRC; Artikel 7 Code brievenbusreclame (CBR); Artikelen 5.2 en 6.2 Code Postfilter; Artikel 2 lid 1 onder cen de artikelen 9, 12 lid 1 en lid 2 van de Kinder- en Jeugdreclamecode. Klager verwijst ten slotte in zijn klacht op de beslissing van de Commissie in dossier 2016/00160, waarin de bibliotheek een aanbeveling heeft gekregen.   

RB 3282

ING mag app aanbieden als voor eenieder beschikbaar

Zelfregulering (RCC, KOAG/KAG) 30 jan 2019,, RB 3282; 2018/00800 (klager tegen ING), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/ing-mag-app-aanbieden-als-voor-eenieder-beschikbaar-1

RCC 30 januari 2019, IEF 18247, RB 3279; dossiernr. 2018/00800 (klager tegen ING) Reclamecodecommissie. Afwijzing. Geen wervend karakter boodschap. Het betreft mededelingen over de ‘Mobiel Bankieren App’ op de website van ING (subpagina https://www.ing.nl/particulier/mobiel-en-internetbankieren/mobiel-bankieren-app/index.html) en  in de berichten op klagers mijn.ing.nl. De klacht houdt in essentie in dat de app van ING niet functioneert op oudere besturingssystemen.

RB 2403

Gebruik van de absolute term 'gifvrij' niet te rechtvaardigen

RCC 7 mei 2015, RB 2403, dossiernr. 2015/00297 (Gifvrije transfermarker)
20150418_162946-300x225.jpgMilieu Reclame Code. Voorzitterstoewijzing zonder opleggen aanbeveling. De uiting: Het betreft de website www.homemade4you.nl voor zover hierop ten aanzien van een “transfermarker (AD chartpack blender)” wordt meegedeeld: “AD markers van Chartpak zijn op alcoholbasis, permanent, gifvrij en snel-streeploos drogend.” De klacht: Klaagster stelt dat in de bestreden uiting staat dat het product gifvrij is en op basis van alcohol. Op de verpakking van het product staat echter dat er een kankerverwekkende stof in zit, te weten xyleen. Het is misleidend om dit als een gifvrij product te verkopen.

Het oordeel:

1) Klaagster maakt bezwaar tegen een uiting die blijkbaar onderdeel vormt van de webshop van verweerder. Deze uiting bevat mededelingen over het onderhavige product die duidelijk aanprijzend zijn bedoeld, onder meer voor zover wordt gezegd dat het product gifvrij is. Hierdoor is sprake van een reclame-uiting in de zin van artikel 1 van de Nederlandse Reclame Code. Meer in het bijzonder gaat het om een reclame-uiting waarin blijkens het voorgaande expliciet wordt gerefereerd aan milieuaspecten. Hierdoor valt de uiting onder de werkingssfeer van de Milieu Reclame Code (MRC), zodat de voorzitter aan deze code zal toetsen.

2) In de uiting, zoals deze luidde ten tijde van het indienen van de klacht, stond dat het product gifvrij is. Niet gebleken is dat in de uiting de ingrediënten van het product werden genoemd, zodat de consument de mededeling “gifvrij” niet kon verifiëren.

3) Verweerder heeft inmiddels de uiting aldus gewijzigd dat daarin nu, kort weergegeven, staat dat het product weliswaar een “veiligheidslabel” bevat, maar dat de reden hiervan is dat daardoor de niet-giftigheid van het product niet hoeft te worden bewezen in een “zeer kostbaar onderzoek”. De voorzitter acht dit onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een “gifvrij” product of een product dat geen schadelijke bestanddelen bevat. Ook verder is dit niet aannemelijk geworden, mede gelet op het feit dat in de gewijzigde uiting staat dat men het product niet moet gebruiken indien men zwanger is en dat men het product in een goed geventileerde omgeving moet gebruiken. Nu niet aannemelijk is geworden dat het product geen schadelijke stoffen bevat, acht de voorzitter de uiting door het gebruik van het woord “gifvrij” in strijd met het bepaalde in artikel 2 MRC en 5 MRC. Dat de koper akkoord moet gaan met de voorwaarden en met de “disclaimer” van adverteerder doet daaraan niet af. Dit laatste kan immers het gebruik van de term “gifvrij” niet rechtvaardigen.

4) Nu adverteerder de bestreden uiting dusdanig heeft aangepast dat daarin niet meer in absolute zin staat dat het product “gifvrij” is en in plaats daarvan uit de uiting blijkt dat aan het gebruik van het product bepaalde gezondheidsrisico’s kunnen zijn verbonden, zal de voorzitter gebruik maken van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 12 lid 5 van het Reglement van de Reclame Code Commissie en het College van Beroep, en een aanbeveling achterwege laten. Derhalve wordt beslist als volgt.